Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/XII.4.1.2
XII.4.1.2 Art. 14 Verordening Rome I
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS358800:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Voorts wordt opgemerkt: “De term “betrekkingen” dient echter niet te worden opgevat betrekking hebbend op elke eventueel bestaande betrekking tussen een cedent en een cessionaris. De term wordt met name niet geacht betrekking te hebben op aangelegenheden die aan een cessie van vorderingen of contractuele subrogatie voorafgaan. De betekenis van de term dient strikt beperkt te blijven tot de aspecten die rechtstreeks de betrokken cessie van vorderingen of contractuele subrogatie betreffen”.
Zie over de vraag of hiermee de overeenkomst tot of de overeenkomst van cessie is bedoeld, hierna: nr. 1169.
Waarmee een faillissementscurator van de cedent is gelijk te stellen. Een ander oordeel (i.e. de positie van de faillissementscurator is gelijk aan die van de cedent) zou tot de ongerijmdheid leiden dat in geval van faillissement van de cedent aan de hand van het cessiestatuut van art. 14 lid 1 Rome I zou moeten worden beoordeeld of de vordering nog tot de boedel behoort of niet, terwijl in geval van een buiten faillissement plaatsvindende concursus (denk aan beslag) de vraag of de cedent nog rechthebbende van de vordering is, is overgelaten aan het commune ipr van de lidstaten.
Anders: Flessner 2011b, p. 207 e.v.; Flessner 2009, p. 38 e.v. en Van Dongen & Wenting 2009, p. 89-90, die van mening zijn dat ook de goederenrechtelijke werking jegens derden onder het bereik van art. 14 lid 1 Rome I valt. Zij betogen – op zichzelf terecht – dat naar Duits resp. Nederlands recht wat betreft de goederenrechtelijke werking of derdenwerking van de cessie geen splitsing kan worden aangebracht tussen de verschillende verhoudingen, zodat art. 14 lid 1 Rome I de goederenrechtelijke werking van de cessie in alle verhoudingen beheerst. Zie voorts: Verhagen & Van Dongen 2010, p. 5 en p. 11 e.v. voor een meer genuanceerde benadering waarin wordt betoogd dat de goederenrechtelijke aspecten van cessie erga omnes worden beheerst door art. 14 lid 1 Rome I (cessiestatuut), maar dat de vraag of en in hoeverre derden (zoals schuldeisers van de cedent, faillissementscurator) de cessie mogen negeren buiten het bereik van art. 14 Rome I valt. Vgl. ook: Verhagen 2011, p. 200 e.v. en Verhagen & Van Dongen 2011, p. 81 e.v. Deze uitleg van art. 14 lid 1 Rome I gaat evenwel voorbij aan, dan wel is gebaseerd op een onjuiste interpretatie van de preambule van de verordening Rome I (nr. 38), de totstandkomingsgeschiedenis van de verordening en de regeling van art. 27 lid 2 Rome I, waaruit duidelijk volgt dat de goederenrechtelijke werking en de inroepbaarheid van de cessie jegens derden vooralsnog buiten het bereik van de verordening is gelaten. Zo ook: Calliess 2011, p. 279; P.M.M. van der Grinten 2011, p. 161; Fentiman 2010, p. 407; Veder 2009b, p. 292; Berends 2009, p. 1039 en Garcimartín Alférez 2009, p. 226.
Zie www.biicl.org.
Zie hierna: nrs. 1194 e.v.
Deze uitleg van art. 14 lid 2 Rome I is gevolgd door de minister van justitie bij de behandeling van het wetsvoorstel Wet conflictenrecht goederenrecht, zie MvA, EK 2007-2008, 30 876, C, p. 11. In gelijke zin: De Visser 2011, p. 462.
Anders: Steffens 1997b, p. 212 e.v.; Polak & Van Mierlo 1998, p. 63-64 en Rank 1998a, p. 12-13. Daartegen o.a.: Bertrams 1998b, p. 291-292; De Boer in zijn NJ-noot onder het Hansa-arrest; Vlas 1998, p. 219; Rongen 1998, p. 437-438 en Veder 1998, p. 185.
Afhankelijk van de voor de andere verhoudingen geldende verwijzingsregel. Voor het Nederlandse ipr geldt dit overigens niet. Zie art. 10:135 lid 2 BW dat de goederenrechtelijke aspecten van cessie eveneens onderwerpt aan het cessiestatuut.
Zie nr. 1164.
Naar Nederlands en Duits recht is dat de overeenkomst van cessie, terwijl naar Frans recht de vordering inter partes reeds wordt overgedragen door de overeenkomst tot cessie.
Kennelijk anders met betrekking tot het EVO: Hof Amsterdam 2 februari 2010, NIPR 2010, 437.
1165. Inleiding. Zoals in de inleiding van dit hoofdstuk vermeld, is het Europees verbintenissenverdrag (EVO) vervangen door de Verordening Rome I.1 Evenals het EVO bevat Rome I verwijzingsregels voor internationale cessie, alsmede (anders dan het EVO) voor internationale verpanding. Daarbij worden door de verordening voor een deel ook de goederenrechtelijke aspecten van een internationale cessie of verpanding geregeld. De verwijzingsregels voor cessie en verpanding zijn neergelegd in art. 14 Rome I. De bepaling roept een aantal vragen op dat hieronder zal worden besproken.
1166. Art. 14 lid 1 Rome I: een gedeeltelijke regeling van de goederenrechtelijke aspecten van een internationale cessie. Art. 14 lid 1 Rome I bepaalt dat “de betrekkingen tussen cedent en cessionaris” worden beheerst door het recht dat ingevolge de verordening op de “tussen hen bestaande overeenkomst” van toepassing is (het cessiestatuut).2 Uit de preambule van de verordening (nr. 38) blijkt dat met de term “betrekkingen” wordt beoogd aan te geven, dat art. 14 lid 1 Rome I niet alleen ziet op de verbintenisrechtelijke verhouding tussen de cedent en de cessionaris, maar ook “op de goederenrechtelijke aspecten van een cessie tussen de cedent en de cessionaris in de rechtsordes waarin deze aspecten los van de aspecten van het verbintenissenrecht worden behandeld”.3 Dit betekent derhalve dat de vraag of er in de verhouding tussen de cedent en de cessionaris een geldige cessie heeft plaatsgevonden, moet worden beoordeeld aan de hand van het recht dat ingevolge de verordening van toepassing is op de tussen cedent en cessionaris bestaande cessie-overeenkomst.4 Let wel: blijkens de preambule zou het hier slechts de goederenrechtelijke aspecten van de cessie in de verhouding cedent – cessionaris betreffen. De goederenrechtelijke werking, dan wel werking van de cessie jegens derden (o.a. schuldeisers van de cedent)5 valt blijkens art. 27 lid 2 Rome I buiten het toepassingsbereik van art. 14 Rome I en is onderworpen aan de verwijzingsregels van het commune ipr van de lidstaten.6 De goederenrechtelijke werking van de cessie ten opzichte van derden wordt naar Nederlands ipr beheerst door het recht toepasselijk op de overeenkomst tot cessie (zie art. 10:135 lid 2 BW, waarover hierna).
Anders dan de uiteindelijke tekst van art. 14 Rome I bevatte de ontwerpverordening aanvankelijk wel een verwijzingsregel voor de (goederenrechtelijke) werking van de cessie jegens derden. Het voorstel was om de tegenwerpelijkheid van de cessie aan derden te onderwerpen aan het recht van het land waar de cedent op het moment van de cessie zijn gewone verblijfplaats heeft (art. 13 lid 3 ontwerptekst Rome I). Omdat over dit voorstel geen overeenstemming kon worden bereikt, is de verwijzingsregel uiteindelijk weer geschrapt.7 Besloten werd dat de Commissie uiterlijk op 17 juni 2010 verslag diende uit te brengen over het vraagstuk van de werking van de cessie jegens derden en de voorrang van de gecedeerde vordering boven een recht van een ander persoon. Het verslag gaat zo nodig vergezeld van een voorstel tot wijziging van de verordening (zie art. 27 lid 2 Rome I). De commissie heeft nog geen verslag uitgebracht, maar opdracht gegeven aan het British Institute of International and Comparative Law om een voorstudie te verrichten naar de wenselijkheid van een uniforme verwijzingsregel voor de derdenwerking van cessie, waarbij tevens de vraag aan de orde dient te komen of voor bepaalde transacties (zoals factoring en securitisation) wellicht bijzondere verwijzingsregels dienen te worden geformuleerd.8
Naar mijn mening verdient het de voorkeur art. 14 lid 1 Rome I en de toelichting daarop (de preambule, nr. 38) zo te interpreteren, dat wat betreft de geldigheidsvereisten voor een internationale cessie of verpanding het cessiestatuut bepalend is in elke bij de cessie betrokken verhouding. Ook ten opzichte van de schuldenaar en derden geldt dat de vraag of er een geldige cessie of verpanding tot stand is gekomen en de vraag wat de aard en inhoud van het verkregen recht is, wordt beheerst door het recht dat ingevolge de verordening op de tussen cedent en cessionaris bestaande overeenkomst van toepassing is. Slechts de tegenwerpelijkheid van de cessie of verpanding aan derden, de derdenwerking, is buiten het toepassingsbereik van art. 14 Rome I gehouden en onderworpen aan de verwijzingsregels van het commune ipr van de lidstaten. De inroepbaarheid van de cessie tegen de schuldenaar wordt beheerst door het vorderingsstatuut (art. 14 lid 2 Rome I).
1167. Heeft ook de term “betrekkingen” in art. 14 lid 2 Rome I (mede) een goederenrechtelijke betekenis? Volgens art. 14 lid 2 Rome I worden “de betrekkingen tussen cessionaris en schuldenaar” beheerst door het recht dat van toepassing is op de gecedeerde vordering (het vorderingsstatuut).9 Onduidelijk is of het begrip “betrekkingen” in art. 14 lid 2 Rome I dezelfde betekenis heeft als in het eerste lid. In geval van een bevestigende beantwoording zou de term “betrekkingen” niet alleen zien op verbintenisrechtelijke aangelegenheden, zoals de vraag wat de omvang en de inhoud van de gecedeerde vordering is en welke verweermiddelen de schuldenaar jegens de cessionaris kan inroepen, maar ook op de goederenrechtelijke werking van de cessie ten opzichte van de schuldenaar.10 In dat geval zou art. 14 lid 2 Rome I, evenals lid 1, mede een goederenrechtelijke verwijzingsregel bevatten.
Naar mijn mening is het echter meer aannemelijk dat de term “betrekkingen” in art. 14 lid 2 Rome I niet mede in goederenrechtelijke zin moet worden opgevat, maar uitsluitend in verbintenisrechtelijke zin. Ten eerste geeft de preambule van de verordening (nr. 38) alleen een nadere uitleg van het begrip “betrekkingen” in art. 14 lid 1 Rome I en geen uitleg van hetzelfde begrip in lid 2. Indien ook art. 14 lid 2 Rome I een goederenrechtelijke verwijzingsregel zou bevatten, dan had het in de rede gelegen dat daarop in de preambule uitdrukkelijk was gewezen, evenals ten aanzien van het eerste lid is geschied. Ten tweede is de tekst van art. 14 lid 2 Rome I ontleend aan art. 12 lid 2 EVO. De bepaling lijkt ook dezelfde reikwijdte te hebben als art. 12 lid 2 EVO. De preambule bevat in ieder geval geen aanwijzingen voor het tegendeel. Ten aanzien van laatstgenoemde bepaling wordt in de Nederlandse literatuur vrij algemeen aangenomen dat zij geen betrekking had op de goederenrechtelijke werking van de cessie ten opzichte van de schuldenaar, maar enkel op verbintenisrechtelijke kwesties, zoals de inroepbaarheid van de cessie.11
1168. Onderscheiden tussen de verschillende als gevolg van de cessie ontstane verhoudingen. Het systeem van art. 14 Rome I impliceert dat voor de goederenrechtelijke aspecten van de cessie moet worden onderscheiden tussen de verschillende verhoudingen die als gevolg van de cessie tussen de betrokkenen ontstaan (cedent, cessionaris, schuldenaar en derden). Voor de geldigheidsvereisten en de (goederenrechtelijke) werking van de cessie inter partes wijst art. 14 lid 1 Rome I het toepasselijke recht aan (het cessiestatuut), terwijl voor de vraag welk recht van toepassing is op de derdenwerking van de cessie moet worden teruggevallen op het commune ipr van de lidstaten. Een dergelijk onderscheid naar de verschillende verhoudingen is vreemd aan zowel het Nederlandse materiële recht, als het Nederlandse ipr. De geldigheid en de tegenwerpelijkheid van de cessie in goederenrechtelijke zin worden naar Nederlands recht in alle verhoudingen, dus ook ten opzichte van derden en de schuldenaar, door dezelfde voorschriften beheerst (art. 3:84 jo 94 BW; art. 10:135 BW). Het systeem van art. 14 Rome I kan het onwenselijke gevolg hebben dat de goederenrechtelijke werking van de cessie in de te onderscheiden verhoudingen door verschillende rechtsstelsels wordt beheerst.12 Willen cedent en cessionaris in een dergelijk geval een cessie bewerkstelligen die in alle verhoudingen een volledige (goederenrechtelijke) werking toekomt, dan zullen zij zeker moeten stellen dat aan de cessievoorschriften van alle relevante rechtsstelsels wordt voldaan. Het behoeft geen betoog dat dat voor de praktijk bezwaarlijk is. Een internationale cessie (of verpanding) wordt daarmee onnodig complex. Het verdient dan ook aanbeveling dat mocht de Commissie een voorstel doen tot wijziging van art. 14 Rome I (zie hiervoor), de vraag aan welke geldigheidsvereisten een cessie moet voldoen, alsmede de werking van de cessie ten opzichte van andere derden dan de schuldenaar, worden onderworpen aan één verwijzingsregel die geldt voor alle betrokken verhoudingen.
1169. Accessoire aanknoping of zelfstandige aanknoping? Zoals hiervoor vermeld, 13 is het niet uitgesloten dat art. 12 lid 1 EVO, zowel blijkens haar totstandkomingsgeschiedenis als in de uitleg die de Hoge Raad aan de bepaling heeft gegeven, (mede) betrekking had op de overeenkomst van cessie en niet (alleen) op de overeenkomst tot cessie. Aangezien art. 14 Rome I voortbouwt op de regeling van art. 12 EVO, moet mogelijk ook art. 14 lid 1 Rome I in die zin worden uitgelegd. De verwijzing in art. 14 lid 1 Rome I naar de “tussen cedent en cessionaris bestaande overeenkomst” zou dan (mede) betrekking hebben op de overeenkomst waarbij de vordering wordt overgedragen (de overeenkomst van cessie). Dit zou betekenen dat de goederenrechtelijke aspecten van de cessie in de verhouding tussen cedent en cessionaris beheerst worden door het recht dat ingevolge de verordening op deze overeenkomst van toepassing is.14 Er zou derhalve niet zonder meer (op grond van art. 14 lid 1 Rome I) sprake zijn van een accessoire aanknoping van de overeenkomst van cessie bij het recht dat de overeenkomst tot cessie beheerst, maar van een in beginsel zelfstandige aanknoping van de overeenkomst van cessie bij het eigen cessiestatuut. Een aanwijzing hiervoor zou gelegen kunnen zijn in de hiervoor genoemde preambule van de verordening (nr. 38) waar wordt geconstateerd dat de term “betrekkingen” in art. 14 lid 1 Rome I mede ziet op de goederenrechtelijke aspecten van cessie in de verhouding tussen cedent en cessionaris.
Overigens zij opgemerkt dat het bij gebreke van een rechtskeuze in de overeenkomst van cessie niettemin goed verdedigbaar is dat de overeenkomst van cessie, vanwege zijn zeer nauwe band met de overeenkomst tot cessie, accessoir wordt aangeknoopt bij het recht dat de overeenkomst tot cessie beheerst (zie art. 4 lid 3 Rome I).15