Einde inhoudsopgave
Smartengeld 1998/8.3.4
8.3.4 Toerekening van immateriële voordelen op immateriële nadelen
prof. mr. S.D. Lindenbergh, datum 21-06-1998
- Datum
21-06-1998
- Auteur
prof. mr. S.D. Lindenbergh
- JCDI
JCDI:BSD91323:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Stolker 1988a, p. 105, toont zich een voorstander van toerekening van immateriële voordelen op immateriële schade als het gaat om de geboorte van een ongepland kind na een mislukte sterilisatie. In dezelfde zin Rb. Maastricht 17 juni 1982, TvG 1983, p. 329.
In deze zin Bloembergen 1965, nr. 223 (zie ook noot 5) en nr. 224.
Reeds om deze reden lijkt het mij niet redelijk 'voordeel' dat de patiënt heeft doordat hij 'gezellig thuis zit' of een mooi boek kan lezen toe te rekenen. Vgl. Van Dunne 1995, p. 51, die zich afvraagt of hij wel schade had toen hij vier maanden rust moest houden.
'Negatieve' karakterveranderingen komen overigens ook (veelvuldig) voor.
Uit het Amerikaanse recht is mij het voorbeeld genoemd van een slachtoffer dat als gevolg van een ongeval neigingen van nymfomanie ging vertonen.
Toerekening ligt hier ook niet voor de hand wanneer men het niet meer kunnen werken niet als (primaire) schadebepalende factor aanmerkt. Zie hiervoor § 7.3.2.9 onder a.
En wat bijv. te denken van het argument dat een meisje 'voordeel' heeft door het overlijden van haar ernstig invalide broertje, omdat zij daardoor niet meer met diens lijden werd geconfronteerd (vgl. BGE 115 JI 158 E.2, waarin dit 'argument' gelukkig werd verworpen). En wat voorts te denken van de Engelse rugby-speler die als gevolg van een trap in de onderbuik zeven dagen 'last had' van een erectie (nrc Handelsblad 17 juni 1997).
Dat houdt ook verband met het feit dat bij de begroting van de immateriële schade tot op zekere hoogte wordt geabstraheerd van concrete uitwerkingen, zodat het ook minder snel redelijk zal zijn concrete voordelen in mindering te brengen. Vgl. voor een twijfelachtig voorbeeld Bindend Advies 14 oktober 1991, VRS 1997, 169 (Na ongeval angst voor rijden op motorfiets. Vergoeding immateriële schade voor derving van genoegen van rijden op motorfiets, mede gelet op het immateriële voordeel van de verminderde gevarenkans).
Ik zie in dergelijke gevallen - behoudens aanwezigheid van gebruikelijke matigingsfactoren - ook geen bijzondere aanleiding om het smartengeld te 'matigen', zoals Stolker 1997, p. 195 bepleit.
Vgl. hiervoor § 8.2.2.
HR 21 februari 1997, RvdW 1997, 54 (Wrongful birth).
De formulering van de Hoge Raad acht ik overigens minder fraai. Het gaat immers niet zozeer om toerekening bij de vaststelling van de schade, maar om toerekening op de vastgestelde vergoeding. De formulering van de Hoge Raad lijkt op die van het aanvankelijk voorgestelde art. 6:107 lid 3 en art. 6:108 lid 4.
Wellicht valt te denken aan meer uitzonderlijke gevallen waarin door een ongeval niet alleen lichamelijk letsel wordt veroorzaakt, maar tevens wordt opgeheven. Misschien is denkbaar dat een blinde of 'stomme' door een klap op zijn hoofd ineens weer 'het licht ziet' of zijn vermogen tot spreken herwint.
Evenals toerekening van immateriële voordelen op vermogensschade is de toerekening van immateriële voordelen op de vergoeding van immateriële schade theoretisch denkbaar,1 maar ook hier is de praktische betekenis van het leerstuk mijns inziens uiterst beperkt. Naast het feit dat zich in feite een dubbel waarderingsprobleem voordoet (zowel het nadeel als het voordeel zal moeten worden gekwantificeerd), acht ik voordelen waarvan toerekening redelijk is nauwelijks denkbaar.
In de eerste plaats kan vanuit meer theoretisch oogpunt worden gesteld dat nu het recht vergoeding van vele soorten immateriële schade uitsluit, toerekening van voordelen van die soort eveneens dient te zijn uitgesloten.2 Die gedachte brengt reeds mee dat, als men immateriële voordelen al in ogenschouw wil nemen, het moet gaan om substantiële voordelen, nu ook het recht op smartengeld beperkt is tot ernstige gevallen.3 Aangezien een schadeveroorzakende gebeurtenis naar zijn aard zelden substantiële immateriële voordelen tot gevolg heeft is de rol van de voordeelstoerekening op dit punt praktisch uiterst beperkt. Men dient in dit verband bovendien te waken voor het opdringen van allerlei gevolgen die 'in het algemeen' aan een gebeurtenis verbonden zijn, die mogelijk door de veroorzaker als 'voordeel' worden aangemerkt en voor ongebreidelde fantasieën van de (advocaat van de) laedens (of diens verzekeraar) die licht tot onsmakelijke en onnodige debatten kunnen leiden. Men denke aan 'karakterveranderingen'4 waardoor de benadeelde 'losser' in het leven komt te staan en ogenschijnlijk meer plezier beleeft,5 aan de tegenwerping dat wie arbeidsongeschikt is ook niet meer hoeft te werken,6 dat wie zijn reukvermogen heeft verloren ook geen stank meer ruikt en aan het 'argument' dat wie een been moet missen geen last meer heeft van eksterogen.7 Toerekening van dergelijke gevolgen lijkt mij reeds niet redelijk omdat het voordelige karakter ervan voor de gelaedeerde ernstig moet worden betwijfeld.8
Maar zelfs wanneer het gaat om een substantieel, zelfstandig en werkelijk voordeel is het de vraag of toerekening redelijk is. Op het eerste oog lijkt de spiegelbeeldgedachte hier enig houvast te bieden, omdat voordeel en nadeel van dezelfde soort lijken, maar daarmee is slechts een samenhang op meer abstract niveau vastgesteld, waarmee de redelijkheid van toerekening nog geenszins gegeven is. Ter illustratie kan worden gedacht aan het volgende voorbeeld.
Wanneer men aanneemt dat iemand die als gevolg van een (mede) door een fout van een arts veroorzaakte ongewenste zwangerschap ernstige psychische schade oploopt, recht heeft op smartengeld, is daarmee nog niet gezegd dat eventuele immateriële voordelen van het hebben van het kind als voordeel in aanmerking dienen te worden genomen bij de vaststelling van de omvang van de verplichting tot schadevergoeding. Afgezien van het feit dat het ontstaan en de omvang van dergelijke voordelen doorgaans onvoldoende zeker zullen zijn, bestaat in een dergelijk geval mijns inziens onvoldoende verband tussen het nadeel (psychische schade) en het voordeel (blijdschap om een kind) om toerekening van dat voordeel redelijk te achten.9 Dat zou wellicht anders zijn wanneer men een recht op vergoeding van immateriële schade zou aanvaarden wegens de fysieke last van de zwangerschap en de bevalling,10 terwijl vaststaat dat aan die zwangerschap ook aanzienlijk plezier wordt beleefd. In dat geval houdt het voordeel meer verband met het nadeel en is toerekening eerder redelijk.
De Hoge Raad heeft met betrekking tot de toerekening van immateriële voordelen overwogen:11
'Veeleer moet ervan worden uitgegaan dat immateriële voordelen slechts in rekening behoren te worden gebracht bij de vaststelling van eventuele immateriële schade.'
Deze overweging moet volgens mij echter vooral worden gezien als afwijzing van toerekening van immateriële voordelen op vermogensschade en niet zozeer als een weloverwogen aanmoediging tot toerekening van immateriële voordelen op de vergoeding voor immateriële schade.12 Dat laatste lijkt mij gezien het bovenstaande uiterst zelden redelijk.13