Openbaarmaking van koersgevoelige informatie
Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/7.1:7.1 Inleiding
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/7.1
7.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS493890:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met de voor uitgevende instellingen geldende openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie worden uiteenlopende doelstellingen nagestreefd. In § 3.4.6 is uiteengezet dat met de openbaarmakingsplicht voor alles wordt beoogd te bereiken dat koersgevoelige informatie die rechtstreeks betrekking heeft op de uitgevende instelling toegankelijk wordt voor (potentiële) beleggers, zodat zij op basis van die informatie in staat zijn goed geïnformeerd en weloverwogen beleggingsbeslissingen te nemen. Als geobjectiveerde maatstaf voor de door de uitgevende instelling aan beleggers te verstrekken informatie geldt de oordeelsvorming van de redelijk handelende belegger (zie § 5.7.2 en § 5.7.3). Met de aldus aan beleggers te verstrekken informatie zal tevens een bijdrage worden geleverd aan een efficiënte prijsvorming van de op de effectenmarkt verhandelde fmanciële instrumenten van de uitgevende instelling. Onverwijlde openbaarmaking van koersgevoelige informatie zal er ten slotte toe kunnen leiden dat zowel handel met voorwetenschap door insiders als marktmanipulatie wordt voorkomen.
Met het oog op deze doelstellingen van de openbaarmakingsplicht zouden wellicht in abstracte termen diverse materiële en formele eisen kunnen worden gesteld aan de wijze waarop uitgevende instellingen koersgevoelige informatie openbaar dienen te maken. Immers, de wijze waarop de verspreiding van koersgevoelige informatie feitelijk wordt georganiseerd zal mede bepalend zijn voor de mate waarin de genoemde doelstellingen van de openbaarmakingsplicht gerealiseerd worden. Aan welke materiële en formele eisen te stellen aan de openbaarmaking zou bijvoorbeeld gedacht kunnen worden? Uiteraard dient de door de uitgevende instelling openbaar te maken informatie volledig en juist te zijn. De openbaar te maken informatie zal voor beleggers bovendien begrijpelijk dienen te zijn. Het stellen van deze eisen zou de deur kunnen openen voor — meer of minder concrete — voorschriften met betrekking tot bijvoorbeeld de bewoordingen van een persbericht, de wijze waarop een boodschap in een persbericht moet worden gepresenteerd en de taal of de talen waarin een persbericht moet worden verwoord. Gelet op de doelstellingen van de openbaarmakingsplicht kan verder als eis worden gesteld dat koersgevoelige informatie door de uitgevende instelling zo spoedig mogelijk aan beleggers beschikbaar dient te worden gesteld. Niet onbelangrijk ten slotte is ook dat zo veel mogelijk beleggers gelijktijdig over dezelfde koersgevoelige informatie van de uitgevende instelling moeten kunnen beschikken.
Het is tegen deze achtergrond dat de onderscheiden instrumenten die deel uitmaken van het voor art. 5:25i Wft geldende openbaarmakingsregime, en de wijze waarop deze instrumenten door de uitgevende instelling dienen te worden ingezet, beoordeeld dienen te worden. Nagegaan zal moeten worden of, en zo ja, in hoeverre voormelde materiële en formele eisen in de wetgeving met zoveel woorden verankerd zijn of dat althans daarmee impliciet rekening is gehouden bij het vormgeven en reguleren van het voor art. 5:25i Wft geldende openbaarmakingsregime. Bij een bespreking van het openbaarmakingsregime komen dan ook verschillende vragen voor beantwoording in aanmerking. Wat voor soort instrumenten maken deel uit van het voor art. 5:25i Wft geldende openbaarmakingsregime? Zijn die instrumenten wel in afdoende mate toegesneden op de met de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie nagestreefde doelstellingen? Zijn aan het gebruik van deze instrumenten — gelet op deze doelstellingen — nog bepaalde beperkingen verbonden? Of anders gezegd: is het mogelijk om bij het gebruik dat van deze instrumenten wordt gemaakt rekening te houden met de materiële en formele eisen die aan de openbaar te maken informatie gesteld dienen te worden?
In dit hoofdstuk zullen de verschillende instrumenten van het voor art. 5:25i Wft geldende openbaarmakingsregime vanuit voormeld perspectief aan een nader onderzoek worden onderworpen. Ten aanzien van een aantal aspecten van dit openbaarmakingsregime is een algemene regeling getroffen die voor gereglementeerde informatie — waartoe ook koersgevoelige informatie wordt gerekend (art. 1:1 Wft) — geldt (zie § 7.8). Onderdeel daarvan is ook de taalregeling (zie § 7.10). Het eerste instrument dat op grond van het voor koersgevoelige informatie geldende openbaarmakingsregime moet worden ingezet, is het persbericht dat door de uitgevende instelling moet worden uitgebracht (zie § 7.9). Het tweede instrument is de corporate website van de uitgevende instelling waarop het persbericht geplaatst moet worden (zie § 7.11). Het derde instrument ten slotte is het openbaar register van de AFM waarin de van de uitgevende instelling ontvangen melding van koersgevoelige informatie moet worden opgenomen (zie § 7.12). Bij een bespreking van het openbaarmakingsregime dient uiteraard ook ingegaan te worden op de timing van de openbaarmaking van koersgevoelige informatie (zie § 7.7)
Aan de daadwerkelijke openbaarmaking van koersgevoelige informatie zal een intern proces vooraf gaan waarin door de uitgevende instelling moet worden vastgesteld of bepaalde informatie al dan niet koersgevoelig is, en mocht dat het geval zijn, wanneer deze informatie dan openbaar zal worden gemaakt. Teneinde deze vragen te kunnen beantwoorden, is het nodig om de voor de bedrijfsvoering van de uitgevende instelling relevante feiten vast te stellen, deze te verzamelen en te interpreteren, zodat daaruit vervolgens conclusies kunnen worden getrokken. Dit uit verschillende fasen bestaande interne proces zal door de uitgevende instelling georganiseerd dienen te worden. Daarbij zal de uitgevende instelling dit proces — althans voor zover mogelijk — ook dienen te formaliseren, zodat niets aan het toeval wordt overgelaten. Ik doel hier op de discipline van het informatiemanagement (zie § 7.3). In het bijzonder naar aanleiding van recente affaires — denk aan de gebeurtenissen bij Ahold en Shell behoort de aandacht uitdrukkelijk te worden gevestigd op deze formele kant van de door uitgevende instellingen te organiseren informatieontsluiting. Aan de wijze waarop uitgevende instellingen hun informatiemanagement zouden kunnen organiseren met het oog op de naleving van de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie worden § 7.4 en § 7.5 gewijd. Daarbij zal tevens aandacht worden besteed aan de maatregelen die de uitgevende instelling dient te treffen voor een verantwoorde omgang met koersgevoelige informatie (zie § 7.6).
Eerst moet thans de vraag worden beantwoord wie bij de uitgevende instelling waarbij een Nederlandse N.V. tot uitgangspunt wordt genomen — belast is met de naleving van de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie, en op welke wijze de daarbij behorende verantwoordelijkheden zijn verdeeld over de organen van de vennootschap (zie § 7.2).