Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/1.2.2
1.2.2 Analyse van het beginsel van nationale behandeling
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS461645:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. art. 3 van de Britse International Copyright Act van 1844, 7 & 8 Vict. c. 12: 'in such and the same manner as if such books were first published in the United Kingdom'.
Zie par. 1.1.2 onder (a).
Corte di cassazione 14 januari 1900, Monitore dei Tribunali, Vol. 41, 1900, II serie, vol. 3, p. 176-177 (Albrecht & Meister/Gualassini): 'II principio fondamentale (...) consiste nell'estendere agli autori (...) delle opere composte e pubblicate all'estero, la protezione della legge nazionale di ciascun paese. (...) puè l'autore esercitare il diritto che gli spetta giusta le norme e le sanzioni portate dalla legge dello Stato nel quale intende farlo valere, poichè da essa legge e non da altra il magistrato giudicante attinge la propria giurisdizione, ed casa legge e non altra egli è in grado di applicare.' Franse vertaling in DdA 1900, p. 121. Dit arrest kwam al eerder aan de orde (zie noot 40 van dit hoofdstuk 1) omdat het formeel-territoriale karakter van het auteursrecht zo duidelijk uit de verf komt.
Zie par. 1.1.2 onder (b).
Bastide 1890, p. 98 (onderstreping toegevoegd). Zie ook Celliez 1878; Renault 1878, p. 30-31; Fliniaux 1879, p. 32 e.v.; Pouillet 1894, p. 791 (nr. 859).
Vgl. Kosters 1917, p. 75.
Darras 1887, p. 606. Zie alinea 3 hiervoor. Zo werd de term 'assimilatie' gebruikt voor het beginsel van nationale behandeling in zijn beide aspecten. Vgl. ook Renault 1878, p. 31; Clunet 1887, p. 46; Bastide 1890, p. 98; Pouillet 1894, p. 791 (nr. 859); Bureau de l'Union, DdA 1895, p. 162.
Par. 5.1.
Regeling tussen Pruisen en Schwartzburg-Sondershausen, bekendgemaakt bij Pruisische declaratie van 6 oktober 1827, Recueil Martens 1829, p. 327-329 (nr. 66); onderstreping toegevoegd.
Bondsbesluit van 6 september 1832. Zie Eisenlohr 1856, p. 1, voorts Laboulaye 1855, p. 287; Klostermann 1867, p. 52; Darras 1887, p. 194. (onderstreping toegevoegd).
Art. 1 van het verdrag tussen Frankrijk en Hannover van 20 oktober 1851, Recueil Delalain 1866, p. 24 (onderstreping toegevoegd).
Art. 1 van het Nederlands-Franse verdrag van 27 mei 1852, zie Recueil Lagemans, Tome W, 1859, p. 52-54 (nr. 285); onderstreping toegevoegd. Het verdrag werd verworpen door de Nederlandse Tweede Kamer, zie noot 85 van dit hoofdstuk 1.
Art. 1 van het Frans-Pruisische verdrag van 2 augustus 1862, Recueil Martens 1874, p. 306-314 (nr. 43); onderstreping toegevoegd.
Art. 1 van het Frans-Duitse verdrag van 19 april 1883, Recueil des conventions (propriété littéraire) 1904, p. 70. Dit verdrag komt later in deze studie nog ter sprake, vgl. ook alinea 178 hierna.
De Franse wet blijft hier buiten beschouwing omdat daarover teveel uiteenlopende interpretaties de ronde deden, vgl. Foelix 1844.
Ordonnantie van 7 mei 1828, Romberg 1859, Tome H, p. 139 (onderstreping toegevoegd), zie alinea 78 hiervoor.
Wet van 13 september 1828, (onderstreping toegevoegd). Romberg 1859, Tome H, p. 224. Volgens Recueil des conventions (propriété littéraire) 1904, p. 379 dateert deze wet van 13 september 1830. Hoe dan ook, onjuist is dus de opmerking van Ladas dat de Griekse regeling van 1833 de een-na-oudste is (Ladas 1938, p. 23; zie ook noot 108 van dit hoofdstuk 1).
Art. 39 van de Wet van 19 oktober 1846 (onderstreping toegevoegd), zie Gesetze über das Urheberrecht 1891, p. 36.
Art. 7 lid 2 van de Wet van 3 mei 1867 (onderstreping toegevoegd). Duitse vertaling in Gesetze über das Urheberrecht 1891, p. 165.
Art. 44 van het Koninklijk Decreet van 19 september 1882 (onderstreping toegevoegd). Duitse vertaling in Gesetze über das Urheberrecht 1891, p. 60.
Een nadere uiteenzetting over reciprociteit volgt in par. 6.2.2.
Als zodanig zou bijvoorbeeld de Griekse regeling van 1833 kunnen worden beschouwd. Hierin werd de volgende voorwaarde gekoppeld aan het Griekse verbod van nadruk: 'Les dispositions de l'article précédent s'appliquent en outre: 1. en faveur de l'étranger, même n'ayant pas obtenu de privilège en Grece, mais seulement dans le cas ou la puissance á laquelle appartient cet étranger accorde la même protection au sujet hellène; (...)', Recueil des conventions (propriété littéraire) 1904, p. 327. Vgl. ook Romberg 1859, Tome H, p. 186.
De Pruisische regeling van 1837 is daar een voorbeeld van: '(...) soll dieses Gesetz in dem Maaβe Anwendung finden (...)', zie alinea 79 hiervoor. In de praktijk werd deze bepaling, zo werd reeds in noot 70 van dit hoofdstuk 1 opgemerkt, kennelijk zo verstaan dat wat betreft de 'Voraussetzungen des Rechtsschutzes' gelijksoortigheid werd geëist. Dat is een absolute eis — een eis waardoor de reciprociteitsvoorwaarde in de praktijk vrijwel nooit vervuld werd.
Ingeval van een relatieve-reciprociteitsvoorwaarde: voor zover niet aan die voorwaarde was voldaan, werd niet overgegaan tot nationale behandeling.
Zie alinea 82 hiervoor.
Een (zeldzame) uitzondering was het Franse Decreet van 1852, waarin eenzijdig onvoorwaardelijke nationale behandeling werd geproclameerd; zie noot 63 van dit hoofdstuk 1.
87. Twee aspecten. Bezien wij nu, gewapend met de eerder opgedane inzichten in de toestand van rechteloosheid, de oplossing van het beginsel van nationale behandeling nader. Wij hebben gezien dat de toestand van rechteloosheid twee aspecten omvat: een vreemdelingenrechtelijk aspect (discriminatie) en een conflictenrechtelijk aspect (rechtsvacum). Het beginsel van nationale behandeling maakte aan deze toestand een einde door vreemde werken of auteurs, als ware zij van nationale komaf, onder de hoede van de nationale wet te brengen - door hen 'nationaal te behandelen'.1 Aldus maakte het een einde aan het rechtsvacuüm waarin deze werken of auteurs verkeerden, en het maakte een einde aan hun achterstelling. Het hief de toestand van rechteloosheid — en daarmee de beide daarin besloten liggende aspecten — op. Bijgevolg kent het beginsel van nationale behandeling, spiegelbeeldig, ook deze twee aspecten: het stelt een toepasselijke wet in de plaats van het eerdere rechtsvacum, en het stelt non-discriminatie in de plaats van de eerdere discriminatie.
88. Hoe ging dat nu precies in zijn werk? Welnu, het beginsel van nationale behandeling attaqueerde de gebruikelijke beperking tot nationale werken of nationale auteurs. Het beginsel van nationale behandeling is, zoals wij hebben gezien, in de eenzijdige regelingen ook ontstaan als diapositief, als spiegelbeeld, van deze beperking ("onze wet is ook op vreemde werken van toepassing indien in het desbetreffende buitenland de wet op onze werken van toepassing is") — ziedaar het probleem van de rechteloosheid en de oplossing van de nationale behandeling als twee zijden van dezelfde medaille. Deze beperking was, zo is eerder uiteengezet, ofwel een afbakening van het toepassingsbereik van de nationale wet, ofwel een beperking van de rechtsbevoegdheid van vreemdelingen.
89. Beperking als afbakening. Waar het — zoals in de meeste gevallen — ging om een afbakening van het toepassingsbereik van de nationale wet,2 waren er in totaal drie afbakeningen van dit toepassingsbereik: de twee afbakeningen door het formele-territorialiteitsbeginsel, en de afbakening tot nationale werken of auteurs; het was de combinatie van deze afbakeningen die, zo hebben wij gezien, de toestand van rechteloosheid veroorzaakte. In deze constellatie elimineerde het beginsel van nationale behandeling één van deze afbakeningen — namelijk de afbakening tot nationale werken of nationale auteurs — en breidde aldus het toepassingsbereik van de nationale wet uit tot vreemde werken of vreemde auteurs. Met andere woorden: het rechtsvacuüm werd opgevuld door de uitbreiding van het toepassingsbereik van de formeel- en materieel-territoriaal toepasselijke wet. Het beginsel van nationale behandeling bracht vreemde werken of vreemde auteurs daarmee onder de werking van het formele-territorialiteitsbeginsel. Het formele-territorialiteitsbeginsel werd aldus vervolledigd. Vergelijk de volgende overweging van de Italiaanse Corte di cassazione over het beginsel van nationale behandeling:
"Le principe fondamental (...) consiste à étendre aux auteurs d'ceuvres publiées à l'étranger (...) la protection de la loi nationale de cheque pays.
(...) l'auteur peut exercer le droit lui appartenant, conformément aux principes et aux sanctions que consacre la loi de l'État ou il entend le füre valoir, car c'est dans cette loi seule que le juge puise sa propre jurisdiction et c'est elle seule qu'il est en mesure d'appliquer." 3
90. Het beginsel van nationale behandeling is dus het sluitstuk, en daarmee tegelijk de verankering van het formele-territorialiteitsbeginsel in het internationale auteursrecht. Mitsdien is het beginsel van nationale behandeling in deze constellatie primair een conflictenrechtelijke oplossing. Tegelijk is het echter ook een vreemdelingenrechtelijke oplossing• immers, doordat de formeel- en materieel-territoriaal toepasselijke wet niet alleen op nationale werken of auteurs, maar nu ook op vreemde werken of auteurs van toepassing is verklaard, worden deze laatsten niet meer gediscrimineerd.
91. Beperking van rechtsbevoegdheid. In de andere constellatie — die zich in sommige gevallen voordeed — was de beperking tot nationale auteurs niet als afbakening van het toepassingsbereik van de nationale wet vormgegeven, maar als beperking van de rechtsbevoegdheid van vreemdelingen. Wij hebben al geconstateerd dat ook in die constellatie het rechtsvacuüm ontstond.4 Ook in deze gevallen bracht het beginsel van nationale behandeling — weliswaar langs een andere weg — dezelfde vreemdelingenrechtelijke en dezelfde conflictenrechtelijke oplossing teweeg. Het zorgde in eerste instantie voor non-discriminatie: de vreemde auteur werd rechtsbevoegd, kon drager van auteursrecht zijn, zodat in deze constellatie dus sprake is van een primair vreemdelingenrechtelijk remedie. Maar daarmee deed zich onmiddellijk de vraag naar het toepasselijke recht voor: als de vreemde auteur drager van auteursrecht kan zijn, welk recht is dan van toepassing op de bescherming van zijn werken? Die vraag kon niet onbeantwoord gelaten worden. Dan zou immers geen oplossing bereikt zijn: wanneer men de vreemde auteur rechtsbevoegd maakt, maar vervolgens geen toepasselijk recht aanwijst (en hem dus in het rechtsvacuüm laat spartelen), is de toestand van rechteloosheid niet opgeheven. De vraag naar het toepasselijke recht werd dan ook, in één adem en (uiteraard) geheel in lijn met de toepassingsbereik zoals dat al (voor nationale auteurs) was afgebakend, beantwoord door het algemene conflictenrechtelijke uitgangspunt van die tijd: het formele-territorialiteitsbeginsel. Zoals wij al eerder zagen, was de beperking tot nationale werken of auteurs in de praktijk meestal geen rechtsbevoegdheidskwestie, maar ging het om een afbakening van het toepassingsbereik van de nationale wet. Derhalve is de conclusie gerechtvaardigd dat het beginsel van nationale behandeling feitelijk een primair conflictenrechtelijke oplossing was.
92. Tezamen genomen. Hoe dan ook, om welke beperking het ook ging — hetzij een afbakening van het toepassingsbereik van de nationale wet, hetzij een beperking van de rechtsbevoegdheid van vreemde auteurs —, de oplossing van het beginsel van nationale behandeling was hetzelfde: in conflictenrechtelijk opzicht werd het rechtsvacuüm opgeheven en werd aan de hand van het formele-territorialiteitsbeginsel een toepasselijk recht aangewezen, en in vreemdelingenrechtelijk opzicht werd het non-discriminatiebeginsel geproclameerd. Het beginsel van nationale behandeling bevat dus twee regels: een conflictregel en een vreemdelingenrechtelijke regel. Zo was het ontworpen, en als zodanig werd het ook onderkend — zo omschreef Bastide het beginsel van nationale behandeling als een oplossing
"(...) qui résout ce conflit de lois en appliquant la législation du pays d'importation et en assimilant l'étranger au national de ce pays (...)." 5
93. Die twee regels zijn, zo moge uit het voorgaande blijken, zozeer met elkaar vervlochten dat zij eigenlijk één geheel vormen.6 Zij zijn inherent.
94. Toenmalige vanzelfsprekendheid. En daarmee valt de eerder geciteerde opmerking van Darras op haar plaats:
"une des conséquences forcées de l'assimilation est de rendre applicables à tout délit les lois du pays de la contrefacon; cela est évident et aucune dérogation n'a été apportée à cette déduction logique." 7
95. Evident, logisch en nooit bestreden: zo vanzelfsprekend was de conflicten-rechtelijke betekenis van het beginsel van nationale behandeling voor de negentiende-eeuwers.
96. Huidige begripsverduistering. Dat brengt ons bij een opmerkelijke begripsverduistering die zich in de loop van de geschiedenis heeft voltrokken: was de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling voor de negentiende-eeuwers volkomen vanzelfsprekend, tegenwoordig wordt deze conflictregel niet meer begrepen. Dit fenomeen wordt in deze studie verder de 'begripsverduistering' genoemd.
97. Vanzelfsprekendheidsprobleem. Eén van de oorzaken van deze begripsverduistering schuilt in de omstandigheid dat de conflictenrechtelijke oplossing van het beginsel van nationale behandeling (toepasselijkheid van de lokale wet) voor de negentiende-eeuwer volkomen vanzelfsprekend was, en dat die oplossing, gelet op de toenmalige dominantie van het formele-territorialiteitsbeginsel, voor hen ook bepaald niet bijzonder was. Daarom wordt in de negentiende-eeuwse literatuur weinig aandacht besteed aan de conflictenrechtelijke kant van het beginsel van nationale behandeling. Het was, in de woorden van Darras, evident, logisch en nooit bestreden. En over iets wat van zelf spreekt, kan men zwijgen. Die zwijgzaamheid wreekt zich nu: wij vinden in de negentiende-eeuwse bronnenmateriaal maar weinig expliciete houvast. Zo is de toenmalige vanzelfsprekendheid een oorzaak van het huidige onbegrip. Hoe tragisch is het lot van deze conflictregel: ooit onbesproken omdat zij vanzelf sprak, thans onbegrepen omdat zij onbesproken bleef.
98. Systeemverandering. Maar de eigenlijke oorzaak van de begripsverduistering is een systeemwijziging en een daardoor gewijzigd perspectief. Ons huidige conflictenrechtelijke denken wordt namelijk niet meer bepaald door de statutenleer, maar door het model van Von Savigny, en wij benaderen de onderhavige problematiek vanuit die andere, Savigniaanse denkwereld. Wij bezien een statutistisch probleem en de bijbehorende statutistische oplossing door een Savigniaanse bril, en daardoor ontstaat een vertekend beeld — ons blikveld is vernauwd door Von Savigny, en daardoor zien wij de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling niet meer. Daar komt nog bij dat wij ons er niet van bewust zijn dát wij door een Savigniaanse bril kijken, en dat maakt de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling voor ons ongrijpbaar. Om deze conflictregel goed te begrijpen, moeten wij derhalve bewust overschakelen naar een andere conflictenrechtelijke denkwijze, naar een denken vanuit een ander conflictenrechtelijk systeem, namelijk vanuit de pre-Savigniaanse statutenleer.
99. Onderzoek begripsverduistering in Deel H.De begripsverduistering — en meer in het bijzonder de vraag waarom wij de conflictregel thans niet meer begrijpen — laten wij hier nu verder rusten. Dit komt uitvoerig aan de orde in Deel II.8 In dit Deel I concentreren wij ons op de verdere wordingsgeschiedenis van het beginsel van nationale behandeling.
100. Voorbeelden in internationale regelingen. Laten wij hier, in het kader van de analyse van de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling, nog enkele voorbeelden onder de loep nemen.
101. Zo bijvoorbeeld de regeling tussen Pruisen en Schwartzburg-Sondershausen van 1827, die al eerder ter sprake kwam. Dit is een van de oudste regelingen:
"(...) daβ das Verbot wider den Bücher-Nachdruck, so wie solches bereits im ganzen Umfange der Preuβischen Monarchie zum Schutz der inländischen Schriftsteller und Verleger, nach den in den einzelnen Provinzen geltenden Geselzen besteht, auch auf die Schriftsteller und Verleger der Fürstlich-Schwartzburg-Sondershausenschen Lande Anwendung finden, und mithin jeder durch Nachdruck oder dessen Verbreitung begangne Frevel gegen leztern, nach denselben gesetzlichen Vorschriften beurteilt und geahndet werden soll, als handle es sich von beeinträchtigten Schriftstellern und Verlegern der Preuβischen Monarchie selbst." 9
102. In het Duitse Bondsbesluit van 1832, waarin het beginsel van nationale behandeling voor alle staten van de Duitse Bond werd voorgeschreven, werd verklaard
"(...) daβ bei Anwendung der gesetzlichen Vorschriften und Maβregeln wider den Nachdruck, der Unterschied zwischen den eigenen Unterthanen eines Bundesstaates und jenen der übrigen, in deutschen Bunde vereinigten Staaten gegenseitig und im ganzen Umfange des Bundes in der Art aufgehoben werden soll, daβ die Herausgeber, Verleger und Schriftsteller eines Bundesstaates sich in jedem andern Bundesstaate des dort gesetzlich bestehenden Schutzes gegen den Nachdruck gleichmäβig zu erfreuen haben werden."10
103. In het verdrag tussen Frankrijk en Hannover van 1851 werd bepaald:
"Le droit exclusif des auteurs de publier leurs ouvrages d'esprit ou d'art, tels que (...), sera protégé réciproquement dans les deux États, de telle sorte que la réimpression et la reproduction illicites des ceuvres publiées primitivement dans l'un d'eux seront assimilées dans l'autre à la réimpression et à la reproduction illicites des ouvrages nationaux; et dès lors, toutes les lois, ordonnances et stipulations aujourd'hui existantes ou qui pourraient par la suite être promulguées au sujet du droit exclusif de publication des ceuvres littéraires et artistiques, seront applicables cette contrefagon."11
104. Een ander duidelijk voorbeeld is het (nooit in werking getreden) Nederlands-Franse verdrag van 1852:
"Le droit de propriété des auteurs d'ouvrages scientifiques et littéraires s'exercera simultanément sur le territoire des deux pays, de telle sorte que la reproduction ou la contrefagon dans l'un des deux Etats, d'ouvrages publiés dans l'autre Etat, soit assimilée à celle des ouvrages de la même nature, originairement publiés dans l'Etat même, et donne lieu, en faveur desdits auteurs ou ayant-cause, à l'application de toutes les lois, ordonnances ou règlements, qui dans ce même Etat garantissent actuellement, ou garantiront par la suite aux producteurs nationaux le droit exclusif de publier leurs oeuvres." 12
105. Een belangrijk voorbeeld is het Frans-Pruisische verdrag van 1862, waar vele Duitse staten zich bij aansloten:
"Les auteurs (...) jouiront dans chacun des deux États récriproquement des avantages qui y sont ou y seront attribués par la loi à la propriété des ouvrages de littérature ou d'art, et ils auront la même protection et le même recours légal contre toute atteinte portée à leur droits, que si cette atteinte avait été commise à l'égard d'auteurs d'ouvrage publiés pour la première fois dans le pays même." 13
106. Deze redactie is vrijwel letterlijk overgenomen in de opvolger van dit verdrag, het Frans-Duitse verdrag van 1883.14 En dit Frans-Duitse verdrag van 1883 stond op zijn beurt weer model voor de Berner Conventie. Zo zijn al vroeg de contouren zichtbaar van de redactie zoals die later in de Berner Conventie haar beslag zou krijgen.
107. Voorbeelden in eenzijdige regelingen. In de eenzijdige regelingen kwam de conflictenrechtelijke oplossing van het beginsel van nationale behandeling vaak ook duidelijk uit de verf. Laten wij ook hier enkele voorbeelden uit vele tegen het licht houden.15 Zoals bijvoorbeeld de reeds geciteerde Deense ordonnantie van 1828, die wordt gezien als het eerste eenzijdig afgekondigde beginsel van nationale behandeling:
"(...) que la défense contenue dans l'ordonnance du 7 janvier 1741 contre la contrefagon, mais qui a spécialement égard aux écrits dont une personne du royaume de Danemark serait éditeur, fut aussi rendue applicable aux écrits des États étrangers dl le droit d'éditeur des sujets du Roi fitt réciproquement protégé."16
108. De Noorse wet uit datzelfde jaar:
"Les règlements sur la contrefacon en vigueur dans ce royaume seront applicables aussi aux écrits dont les sujets d'Etats étrangers auront le droit de publication; (...) Cette loi sera en vigueur seulement à l'égard des États dans lesquels il est ou sera défendu de reproduire des écrits, édités par des sujets norwégiens." 17
109. De toonaangevende Pruisische auteurswet van 1837, die reeds eerder ter sprake kwam:
" Auf die in einem fremden Staate erschienenen Werke soll dieses Gesetz in dem Maaße Anwendung finden, als die in demselben festgestellten Rechte den in Unseren Landen erschienenen Werken durch die Gesetze dieses Staates ebenfalls gewährt werden." 18
110. De Oostenrijkse auteurswet van 1846:
" Den im Auslande ausser dem (früheren) Deutschen Bundesgebiete erschienenen Werken wird der in diesem Gesetze ausgesprochene Schutz in dem Masse gewährt, als die diesfälligen Rechte den in dem k.k. österreichischem Gebiete erschienenen Werken durch die Gesetze des fremden Staates gleichfalls gesichert sind." 19
111. Een Zweedse wet van 1867:
" Die Bestimmungen diese Gesetzes können unter der Voraussetzung der Gegenseitigkeit ganz or teilweise vom König als gleichfalls anwendbar auf die Nachbildung von Erzeugnissen fremder Künstler die sich ausser Reiches befinden, erklärt werden." 20
112. Ten slotte de Italiaanse auteursrechtelijke regeling van 1882:
"Vorliegendes Gesetz ist anwendbar auf Urheber, deren werke in auswärtigen Ländern veröffentlicht sind, mit denen besondere vertrage nicht oder nicht mehr bestehen, vorausgesetzt, dass bei ihnen Gesetze bestehen, welche zu Gunsten der Autoren mehr oder weniger ausgedehnte Rechte anerkennen, und dass diese Gesetze durch Reziprozität auf Werke anwendbar sind, welche im Königreich Italien veröffentlicht sind." 21
113. Voorwaardelijk beginsel van nationale behandeling. Staan wij ten slotte nog een moment stil bij het voorwaardelijke beginsel van nationale behandeling zoals dat in de eenzijdige regelingen was opgenomen: men ging pas over tot nationale behandeling indien was voldaan aan een voorwaarde van reciprociteit. Die reciprociteitsvoorwaarde werd verschillend vormgegeven.22 Het kon een 'formelereciprociteitsvoorwaarde' zijn, dat wil zeggen een reciprociteitsvoorwaarde waarbij geen inhoudelijke eisen werden gesteld ("indien gij uw wet op onze werken toepast, passen wij onze wet op uw werken toe"). De hierboven geciteerde Noorse regeling is daar een voorbeeld van. Het kon ook een `materiële-reciprociteitsvoorwaarde' zijn; dan werden wél inhoudelijke eisen gesteld, bijvoorbeeld een absolute eis ("onze wet is op uw werken van toepassing, indien uw wet onze werken een gelijkwaardige bescherming garandeert")23 of een relatieve eis ("onze wet is in die mate op uw werken van toepassing, als uw wet op onze werken van toepassing is").24 Welke reciprociteitsvoorwaarde ook werd gesteld, indien niet aan deze voorwaarde was voldaan, werd niet overgegaan tot nationale behandeling.25Het vreemde werk of de vreemde auteur bleef dan gevangen in zijn toestand van rechteloosheid, in het discriminatoire rechtsvacum. Uitgesplitst weergegeven was er dus sprake van een voorwaardelijke conflictregel ("het toepassingsbereik van onze nationale wet wordt uitgebreid tot uw werken indien gij omgekeerd hetzelfde doet") en een voorwaardelijk non-discriminatiebeginsel ("wij discrimineren niet indien gij dat ook niet doet").
114. Verdragsrechtelijk niveau. De reden om het beginsel van nationale behandeling aan een reciprociteitsvoorwaarde te koppelen, viel — zo zagen wij reeds — weg waar dit beginsel naar een verdragsrechtelijk plan werd verheven.26 In het tweede stadium van zijn ontwikkelingsgang werd het beginsel van nationale behandeling dus onvoorwaardelijk, het beginsel als zodanig werd niet langer aan reciprociteitsvoorwaarden gekoppeld — een stap die mogelijk was geworden door zijn nieuwe inbedding: in een verdrag.27