De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/1.4.3.4:1.4.3.4 Hoofdstuk 10
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/1.4.3.4
1.4.3.4 Hoofdstuk 10
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS366014:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen leidt altijd tot een wijziging van de regels van de deelrechtsorde. Een deel van die regels is van dwingend recht. Hoofdstuk 10 gaat erover hoe de ondernemingskamer daarmee moet omgaan. Vragen die daarbij aan de orde komen zijn: wat moet de ondernemingskamer met het feit dat de wetgever heeft bepaald dat private partijen niet kunnen afwijken van een bepaalde wettelijke bepaling. Geldt dat ook onverkort voor de ondernemingskamer, of kan de reden dat de wetgever koos voor dwingend recht niet onverkort worden toegepast op het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen door de ondernemingskamer? En welke rol speelt de beperkende rol van de redelijkheid en billijkheid hierbij? En als kan worden afgeweken van dwingend recht, welke voorwaarden zijn daaraan dan verbonden?
De hoofdstukken 5, 6 en 7 liepen vooruit op hoofdstuk 10. In hoofdstuk 5 en 6 kwam ter sprake dat art. 1 EP en art. 11 EVRM bepaalde kwaliteitseisen stellen aan de rechtsregels op grond waarvan inmengingen in deze grondrechten plaatsvinden. Deze kwaliteitseisen zien onder meer op de rechtszekerheid. Afwijken van dwingend recht staat daarmee op gespannen voet. In hoofdstuk 10 zal worden besproken wat dit betekent voor de omgang van de ondernemingskamer met bepalingen van dwingend recht. In hoofdstuk 7 werd ingegaan op de vraag in hoeverre het EU-recht het toelaat dat wordt afgeweken van dwingendrechtelijke bepalingen die hun oorsprong in het EU-recht hebben.