HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97, NJ 2019/310 m.nt. Rozemond.
HR, 28-03-2023, nr. 21/02973
ECLI:NL:HR:2023:326
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-03-2023
- Zaaknummer
21/02973
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:326, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑03‑2023; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:142
ECLI:NL:PHR:2023:142, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 07‑02‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:326
- Vindplaatsen
Uitspraak 28‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Opzetheling, meermalen gepleegd (art. 416.1.a Sr) en belediging politieagent (art. 266.1 jo. 267.1.2 Sr). 1. Bewijsklacht opzetheling. Wist verdachte dat goederen die in zijn garagebox lagen gestolen waren? 2. Bewijsklacht belediging. Kon hof oordelen dat niet aannemelijk is geworden dat bij verbalisanten sprake is geweest van waarnemings- of interpretatiefout t.a.v. in Arabische taal geuite belediging? HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/02973
Datum 28 maart 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 juli 2021, nummer 23-002488-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Crince Le Roy, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2023.
Conclusie 07‑02‑2023
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/02973
Zitting 7 februari 2023
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 6 juli 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. ‘opzetheling, meermalen gepleegd’ en 2. ‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’, veroordeeld tot 80 uren taakstraf, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren taakstraf, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. C. Crince Le Roy, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel betreft de bewijsvoering van feit 1; het tweede middel ziet op de bewijsvoering van feit 2. Voordat ik de twee middelen bespreek geef ik de bewezenverklaring en bewijsvoering van beide feiten weer.
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘1. hij in de periode van 9 mei 2019 tot en met 28 december 2019 te Amsterdam,
- een notebook (merk HP), goednummer 5858623 (aangifte [aangever 1] , 2019214848) en
- meerdere pasjes ten name van [aangever 2] , goednummers 5858727 en 5858731 en een jas (merk Nobis), goednummer 5859090 (aangifte [aangever 2] , 2019272404)
- en een e-reader (merk Kobo), goednummer 5858601 (gekoppeld aan [naam] , 2019165916), heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;
‘2. hij op 28 december 2019 te Amsterdam opzettelijk een opsporingsambtenaar, te weten [verbalisant 1] , gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "tabon yemek (je moeders kut)".’’
5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘Ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde
1. Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 29 december 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van voornoemde verbalisanten:
Op 28 december 2019 omstreeks 18.25 uur bevonden wij, verbalisanten, ons op de [a-straat] te [plaats] . Ter hoogte van de gemeenschappelijke box-/kelderingang van perceel [a-straat 1] zagen wij de algemene boxdeur open staan. Ik, eerste verbalisant, zag daar de later door ons aangehouden verdachte [verdachte] staan. Tevens zag ik dat er rondom [verdachte] diverse koffers en andere goederen stonden. Wij zijn gaan kijken bij de ingang van de gemeenschappelijke boxingang. Wij, verbalisanten, hoorden vanuit de gemeenschappelijke boxingang bonkende geluiden komen, lijkende op harde slagen met een hamer. Ik, eerste verbalisant, wilde de gemeenschappelijke boxingang betreden, echter, dit werd mij belet door [verdachte] . Ik vroeg [verdachte] of hij aan de kant wilde gaan, zodat ik en mijn collega’s de boxingang konden betreden. Wij, verbalisanten, hoorden [verdachte] hierop aan ons verklaren: “Nee, dat wil ik niet. Het is mijn box en ik wil niet dat jullie hier naar binnen gaan”. Hierop betraden wij, verbalisanten, desalniettemin de gemeenschappelijke boxgang en liepen in de richting van waar het bonkende geluid kwam. Wij hoorden dat het gebonk stopte en een manspersoon in onze richting kwam aangelopen. Wij zagen en hoorden dat hij [verdachte] , die ons eerder de toegang tot de boxgang had versperd tot kalmte maande. Hierop zagen wij dat de manspersoon weer terug liep naar een box om vervolgens weer te gaan timmeren. Wij zagen in de boxgang diverse goederen zoals laptoptassen, fotocameratassen alsmede koffers liggen. Hierop liep ik, eerste verbalisant, door de gemeenschappelijke boxgang en sloeg ik linksaf. Aan mijn rechterzijde zag ik een deur open staan welke behoorde tot perceel [a-straat 1] . Ik zag dat alhier de manspersoon een stellage aan het opzetten was. Ik vroeg hierop aan [verdachte] of de spullen, welke in de gemeenschappelijke boxgang lagen, hem toebehoorden. Wij, verbalisanten, hoorden hem hierop aan ons verklaren: “Ja, die spullen zijn van mij en die box is ook van mij”. Wij, verbalisanten, zagen dat [verdachte] zich zenuwachtig gedroeg. Wij zagen namelijk dat hij met zijn handen vuistjes aan het maken was en hoorden dat hij onsamenhangend sprak en van stemming wisselde. Ook zagen wij dat hij heen en weer liep. Tevens roken wij een ineens een indringende lucht, alsof er iemand een scheet had gelaten. Wij, verbalisanten, zagen dat [verdachte] ons ongevraagd een rijbewijs overhandigde, waarop hij ons opgaf te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] . Wij, verbalisanten, zagen dat een vrouw de gemeenschappelijke boxgang in kwam lopen. Zij verklaarde de hoofbewoner van perceel [a-straat 1] te zijn en identificeerde zich als: [betrokkene 1] , wonende te [a-straat 1] te [plaats] . Zij verklaarde aan ons: “Die jongen die bij jullie staat is mijn zoon [verdachte] . Hij gebruikt mijn box voor rare dingen. Ik wil de sleutel van mijn box terug.” In de box van perceel [a-straat 1] lagen diverse waardevolle goederen. Hierop zijn vanuit zowel de box behorende bij perceel [a-straat 1] als de gemeenschappelijke boxgang goederen in beslag genomen. Daarvan zijn kennisgevingen van inbeslagneming opgemaakt. Wij, verbalisanten, hebben [verdachte] aangehouden. Tijdens het overbrengen van [verdachte] was hij verbaal agressief in de richting van mij, eerste verbalisant. Zo hoorden wij, verbalisanten, hem aan ons verklaren: “Ik pak jullie. Je neukt me diep. Je vind dit lekker hè.' Wacht maar” of woorden van gelijke strekking. Ook hoorden wij dat [verdachte] mij, eerste verbalisant, aan het uitschelden was. Zo hoorden, wij, verbalisanten, hem onder andere tegen mij, eerste verbalisant, met een luide stem roepen: “Tabon yemek”. Het is mij (naar het hof begrijpt: eerste verbalisant) ambtshalve bekend dat dit een scheldwoord is wat vrij vertaald ‘je moeders kut’ betekent. Ik, derde verbalisant, zag dat [verdachte] dit specifiek deed in de richting van de eerste verbalisant. Ik zag namelijk dat [verdachte] ten tijde van het roepen van bovenstaande in de richting van eerste verbalisant keek. Ik, eerste verbalisant, voelde mij door deze woorden beledigd en in mijn eer aangetast.
Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde
2. Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 29 december 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van voornoemde verbalisant:
De onderstaande goederen zijn zowel door mij, verbalisant, als door politiecollega’s in de box behorende bij perceel [a-straat 1] [het hof begrijpt: te [plaats] ] aangetroffen:
- e-reader van het merk Kobo;
- een laptop van het merk Hewlett Packard;
- doosje met daarin diverse pasjes.
3. Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 29 december 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van voornoemde verbalisant:
Op 29 december 2019 omstreeks 18:05 uur betrad ik, verbalisant, het perceel [a-straat 1] te [plaats] . Ik hoorde [betrokkene 1] , de moeder van [verdachte] , terwijl zij de deur van een slaapkamer opende, aan mij verklaren: “dit is de kamer van mijn zoon en zijn broertje”. Ik zag in de kamer een zwartkleurige parka jas aan een kapstok hangen. Ik herkende de zwartkleurige parka jas als de jas van het merk Nobis die ik op 28 december 2019 tijdens de inbeslagname van de vermoedelijk gestolen goederen in zowel de boxgang als in de box van perceel [a-straat 1] had zien liggen. Ik hoorde [betrokkene 1] verklaren: “Die jas heb ik mee naar boven genomen. Ik dacht dat deze jas van mijn zoon was”. Hierop heb ik de parka jas in beslag genomen (…, bijzonderheden: keppeltje in jaszak).
4. Een geschrift, zijnde een afschrift van aangifte (…) van 11 oktober 2019, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , (…).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van de aangever [aangever 1] :
Auto-inbraak te Amsterdam op 8 oktober 2019 tussen 18:30 en 22:00 uur. Laptoptas met inhoud gestolen. Inhoud van de laptoptas: laptop, HP Elitebook 840 G3, grijs, serienummer 5CG8054WFC.
5. Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming (…).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Inbeslagneming
Plaats: [a-straat 1] , [plaats]
Datum en tijd: 28 december 2019 te 18:32 uur
Omstandigheden: aangetroffen bij ibn opslagbox
Goednummer: PL1300-2019271941 -5858623
Object: computer (notebook)
Merk/type: HP Elitebook
Kleur: grijs
Serienummer: 5CG8054WFC
6. Een proces-verbaal aangifte (…) van 29 december 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van de aangever [aangever 2] :
Ik doe aangifte van een diefstal uit mijn voertuig, die plaatsvond op 28 december 2019 tussen 19:00 en 23:45 uur te Amsterdam. Ik mis onder andere:
- een zwart rijbewijs mapje met de volgende pasjes: American Express creditcard, airmiles, Q-park, Schipholpas, vispas2019, Euroshell-card, kentekenbewijs [001] , kentekenbewijs [002] , kentekenbewijs [003] , betaalpas ING en nog overige pasjes;
- jas merk Nobis.
7. Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming (…).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Inbeslagneming
Plaats: [a-straat 1] , [plaats]
Datum en tijd: 28 december 2019 te 18:32 uur
Goednummer: PL1300-2019271941-5858727
Object: document
Inhoud: op naam van [aangever 2]
bijzonderheden: 5x waardepas, 1x prioritypas, 1x vispas2019, 1x AMC, 1x Emirates
Goednummer: PL1300-2019271941-5858731
Object: document
Aantal: 8 stuks
Bijzonderheden: 3x kentekenbewijs, 1x Qpark, 1x Shell, 2x overig
8. Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 29 december 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] , (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van voornoemde verbalisant:
Ik, verbalisant, heb onderzoek gedaan naar de aangetroffen pasjes. De meeste pasjes staan op naam van [aangever 2] . Goederen: PL1300-2019271941-5858727 en PL1300-2019271941-5858731.
9. Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 29 december 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] , (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van voornoemde verbalisant:
Ik, verbalisant, ben gebeld door collega [verbalisant 1] [die mij mededeelde] dat hij een zwarte keppel had gevonden in een jas van het merk Nobis die hij had aangetroffen op de [a-straat 1] te [plaats] . Ik heb telefonisch contact opgenomen met de aangever [aangever 2] en gevraagd of hij nog iets in zijn weggenomen jas had zitten. Aangever [aangever 2] verklaarde mij dat hij een zwarte keppel in zijn jaszak had zitten.
10. Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming (…).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Inbeslagneming
Plaats: [a-straat 1] , [plaats]
Datum en tijd: 28 december 2019 te 18:32 uur
Goednummer: PL
1300-2019271941-5858601
Object: Computer (e-reader)
Merk/type: Kobo
11. Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 1 januari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] , (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van voornoemde verbalisant:
Ik, verbalisant [verbalisant 7] , heb onderzoek gedaan naar het goed 5858601, een e-reader van het merk Kobo, en ben ik contact gekomen met een eigenaar middels een e-mailadres dat in de accountinstellingen te vinden was. Via e-mail kreeg ik van voornoemde eigenaar, genaamd [naam] , het bericht dat zij inderdaad haar e-reader van dat merk mist en dat deze gestolen is tijdens een woninginbraak. De inbraak zou in haar woning gepleegd zijn te [plaats] op 6 augustus 2019. Het sporenonderzoek is verwerkt onder proces-verbaalnummer 2019165916.
Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde
12. Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 12 oktober 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] .
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van voornoemde verbalisant:
Ik, verbalisant [verbalisant 7] , kreeg op 6 oktober 2020 een verzoek van justitie inzake 2019271941-11. Ik nam telefonisch contact op met politieambtenaar [verbalisant 1] en stelde hem de vraag of hij beledigd was door [verdachte] ten tijde van de aanhouding. [verbalisant 1] liet mij weten dat hij in de Marokkaanse taal door [verdachte] was beledigd. Ook op mijn vraag of hij beledigd was de woorden ‘je moeders kut’ gaf [verbalisant 1] mij een bevestigend antwoord. Op mijn vraag hoe hij wist dat het op hem gericht was, antwoordde [verbalisant 1] : “Ik wist dat het naar mij gericht was, omdat hij mij aankeek.”’
6. Het hof heeft in het bestreden arrest onder meer de volgende bewijsoverweging opgenomen:
‘Uit de omstandigheid dat de verdachte kon beschikken over een reeks aan goederen die bij drie verschillende diefstallen zijn ontvreemd leidt het hof af dat de verdachte actief was in een circuit waarin werd gehandeld in gestolen goederen. Nu de verdachte niet op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep is verschenen - terwijl de oproeping voor de zitting van 6 juli 2021 hem in persoon is betekend - heeft hij daar geen verklaring kunnen afleggen die een ander licht op die omstandigheid kan werpen. Bij die stand van zaken acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de in de bewezenverklaring genoemde goederen wist dat deze van misdrijf afkomstig waren.’
7. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof tot een bewezenverklaring van opzetheling van een notebook, meerdere pasjes, een jas en een e-reader is gekomen, terwijl zulks niet uit de bewijsmiddelen blijkt, zodat de bewezenverklaring onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende is gemotiveerd. ‘s Hofs oordeel dat de verdachte wist dat de goederen die in zijn garagebox lagen gestolen waren zou niet uit de bewijsmiddelen volgt. Feitelijk zou door het hof niet meer zijn geoordeeld dan dat er een aangifte lag ten aanzien van de goederen. Dat het hof heeft overwogen dat de verdachte in eerste aanleg en in hoger beroep niet is verschenen zou niet relevant zijn nu de verdachte ten overstaan van de recherche vragen heeft beantwoord.
8. In een arrest van 29 januari 2019 heeft Uw Raad enkele overwegingen geformuleerd in verband met de bij opzetheling geldende eis dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.1.Uw Raad merkt eerst op dat de omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf, mede gelet op art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs kan bijdragen. Maar dat de rechter bij zijn bewijsoordeel wel in aanmerking mag nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven (rov. 2.3.3). Voorts mag de rechter bij de bewijsvoering ter zake van de wetenschap van de herkomst uit misdrijf ‘ten tijde van’ onder meer het verwerven of voorhanden krijgen van een goed betrekken dat aanwijzingen ontbreken dat de wetenschap van de herkomst uit misdrijf eerst is ontstaan na het verwerven of voorhanden krijgen van het goed. Daarbij kan de procesopstelling van de verdachte een rol spelen (rov. 2.5.4).
9. Het hof had in de betreffende zaak bewezenverklaard dat de verdachte een auto (Renault Captur) voorhanden had gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die auto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Het hof had vastgesteld dat (i) de verdachte op 19 september 2016 was aangetroffen in een Renault Captur, (ii) deze auto op dat moment niet was voorzien van het originele kenteken, (iii) de verdachte niet beschikte over de autopapieren van de Renault Captur en (iv) de verdachte geen geloofwaardige hem ontlastende verklaring had gegeven voor het voorhanden hebben van deze auto. Daaruit had het hof volgens Uw Raad kunnen afleiden dat de verdachte ook ‘ten tijde van’ het voorhanden krijgen van de in de bewezenverklaring vermelde auto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
10. Uit de bewijsmiddelen in de onderhavige zaak blijkt dat de in de bewezenverklaring genoemde pasjes ten name van [aangever 2] op 28 december 2019 uit zijn voertuig in Amsterdam zijn weggenomen (bewijsmiddel 6). De e-reader van het merk Kobo is bij een woninginbraak in augustus 2019 in Amsterdam gestolen en de notebook van het merk HP is bij een auto-inbraak in Amsterdam op 8 oktober 2019 ontvreemd (bewijsmiddel 11 en 4). Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt voorts dat deze pasjes, e-reader en notebook door verbalisanten op 28 december 2019 in de box behorende bij perceel [a-straat 1] zijn aangetroffen en dat de verdachte ter plaatse heeft verklaard dat de spullen in de gemeenschappelijke boxgang en de box van hem zijn (bewijsmiddelen 1 en 2).
11. Het hof heeft uit de omstandigheid dat de verdachte kon beschikken over een reeks aan goederen die bij drie verschillende diefstallen zijn ontvreemd afgeleid dat de verdachte actief was in een circuit waarin werd gehandeld in gestolen goederen. Dat oordeel van feitelijke aard komt mij niet onbegrijpelijk voor. Ik neem daarbij niet alleen in aanmerking dat uit ’s hofs vaststellingen volgt dat van drie afzonderlijke diefstallen goederen bij de verdachte zijn aangetroffen, maar ook dat de verdachte zich volgens de verbalisanten zenuwachtig gedroeg, dat hij probeerde te beletten dat verbalisanten de gemeenschappelijke boxingang zouden betreden en dat de moeder van de verdachte aan de verbalisanten verklaarde dat haar zoon de box voor ‘rare dingen’ gebruikte (bewijsmiddel 1). Daarmee doet zich derhalve niet de situatie voor dat het hof ‘niet meer (heeft) geoordeeld dan dat er een aangifte ligt ten aanzien van de goederen’.
12. Het hof heeft voorts betekenis gehecht aan de omstandigheid dat de verdachte niet op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep is verschenen en daar geen verklaring heeft kunnen afleggen die een ander licht op de genoemde omstandigheid kan werpen. Daarmee heeft het hof naar het mij voorkomt niets miszegd. De begrijpelijkheid en toereikendheid van de bewijsvoering wordt mede beoordeeld in het licht van verklaringen die zijn afgelegd en verweren die zijn gevoerd.2.Ik merk in dat verband nog op dat de raadsman ter terechtzitting alleen bij feit 2 heeft bepleit dat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken. Over feit 1 heeft de raadsman zich bij pleidooi niet uitgelaten.
13. In ’s hofs overweging ligt besloten dat het van oordeel is dat de verdachte voor een omstandigheid die redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit (de aanwezigheid van de in de bewezenverklaring omschreven van diefstal afkomstige goederen in de garagebox) geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. In ’s hofs overwegingen ligt tevens besloten dat het niet anders kan dan dat de verdachte ook ‘ten tijde van’ het voorhanden krijgen van de in de bewezenverklaring genoemde goederen wist dat deze door misdrijf verkregen waren. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Ik neem daarbij in aanmerking dat de – uitdrukkelijk gemachtigde – raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet heeft aangevoerd dat wetenschap van de herkomst uit misdrijf eerst is ontstaan na het voorhanden krijgen van één of meer van de betreffende goederen. Dat de goederen bij drie verschillende diefstallen zijn ontvreemd en de feitelijke gevolgtrekking die het hof daarop baseert (verdachte is actief in een circuit waar wordt gehandeld in gestolen goederen) wijzen ook in andere richting.
14. Ik wijs er daarbij nog in het bijzonder op dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de in de bewezenverklaring aangeduide pasjes op naam van iemand anders staan, te weten [aangever 2] en dat deze kort voor het aantreffen in de garagebox van de aangever zijn ontvreemd (namelijk op dezelfde dag). Het gaat concreet onder meer om een American Express creditcard, een Schipholpas, een betaalpas ING en diverse kentekenbewijzen. Het hof heeft reeds uit de aard van deze goederen een sterke aanwijzing kunnen afleiden dat de verdachte bij het voorhanden krijgen daarvan (behoudens bijzondere omstandigheden die niet zijn gesteld) minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de verkrijging door misdrijf. Mede tegen die achtergrond is ’s hofs bewijsmotivering waarin consequenties worden verbonden aan de omstandigheid dat de aangetroffen goederen van drie verschillende diefstallen afkomstig zijn ook ten aanzien van de andere in de bewezenverklaring vermelde goederen niet onbegrijpelijk.3.
15. Aan de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel doet voorts niet af dat de verdachte een verklaring ten overstaan van de recherche heeft afgelegd. De verdachte heeft daarin verklaard dat hij de box aan het opruimen was. Hij verklaart in dat verband over verschillende voorwerpen, onder meer over camera’s die van een vriend zouden zijn, en doet afstand van alles wat onder zijn naam in beslag is genomen ‘want, mevrouw, het is allemaal echt niet van mij’. Het hof heeft kennelijk geoordeeld en kunnen oordelen dat deze verklaring niet kan worden aangemerkt als een verklaring die de redengevendheid van de door het hof benoemde aanwijzingen tegen de verdachte ontzenuwt. Ik neem daarbij in aanmerking dat de verdachte tegen de verbalisanten heeft verklaard de spullen die in de gemeenschappelijke boxgang lagen van hem waren en dat ook de box van hem was.
16. Het hof heeft, meen ik, de bewezenverklaring van opzetheling uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden. De bewezenverklaring is voorts toereikend gemotiveerd.
17. Het eerste middel faalt.
18. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof tot een bewezenverklaring van feit 2 is gekomen, terwijl het verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak op gronden is verworpen die de verwerping niet kunnen dragen zodat de bewezenverklaring onbegrijpelijk dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
19. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2021 blijkt dat de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging heeft gevoerd. Het proces-verbaal houdt daaromtrent onder meer het volgende in:
‘Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft mijn cliënt verklaard dat hij iets anders heeft gezegd dan hetgeen de verbalisanten hebben gehoord. Het tweede woord zou een ander woord zijn dan de verbalisanten hebben begrepen. Als het hof de verklaring van mijn cliënt volgt, dan blijkt dat sprake was van een uitdrukking die de hele situatie beschreef en niet gericht was op de persoon van de verbalisant. Aangezien de verbalisant, zo vermoed ik, niet van Marokkaanse afkomst is, kan het zo zijn dat hij de woorden verkeerd heeft opgevat. Ik verzoek dan ook dat mijn cliënt van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken.
(…)
Op vragen van de voorzitter deel ik mede dat mijn cliënt van Marokkaanse afkomst is. De voorzitter zegt dat mijn cliënt blijkens het dossier van Egyptische afkomst is, maar dat maakt voor mijn verweer niet uit. Hetgeen gezegd is, is in de Arabische taal gezegd en ik vermoed dat de verbalisanten niet van Arabische afkomst zijn. De scheldwoorden waarover de verbalisanten hebben geverbaliseerd worden vaak gebruikt. Daardoor konden de verbalisanten na het horen van het eerste woord al snel een associatie hebben gehad met het woord dat zij als tweede denken te hebben gehoord.’
20. Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende overweging opgenomen:
‘Bespreking bewijsverweer
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat hij andere woorden heeft gebezigd dan door de verbalisant zijn gerelateerd en dat die betrekking hadden op de gehele situatie en niet op de persoon van de verbalisant zelf. Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat de verbalisant vermoedelijk niet van Marokkaanse, dan wel Arabische afkomst is en de woorden van de verdachte derhalve verkeerd kan hebben opgevat.
Hef hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.
Het hof heeft geen reden om aan de waarheidsgetrouwheid van het proces-verbaal van bevindingen van de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] te twijfelen. Het hof betrekt daarbij dat de verdachte voorafgaand aan de gewraakte woorden ook al verbaal agressief was en onder andere zei: “Ik pak jullie. Je neukt me diep. Je vind dit lekker hè. Wacht maar”, of woorden van gelijke strekking. De tenlastegelegde bewoordingen passen beter bij de voorgaande gedragingen en uitlatingen van de verdachte dan hetgeen de verdachte heeft verklaard. Zijn verklaring acht het hof dus onaannemelijk. Dat aan de zijde van de opsporingsambtenaren sprake is geweest van een waarnemings- of interpretatiefout, is ook niet aannemelijk geworden.’
21. De steller van het middel wijst erop dat de verdachte ten overstaan van de recherche heeft verklaard dat hij ‘tabon hisek’ zei en dat dit ‘klotezooi’ betekent. En dat door de raadsman is bepleit dat de verdachte iets heeft gezegd wat de hele situatie duidde. In dat geval zou geen sprake zijn van een belediging specifiek gericht op verbalisant [verbalisant 1] , zoals is tenlastegelegd. Het oordeel van het hof dat het niet aannemelijk is geworden dat bij de verbalisanten sprake is geweest van een waarnemings- of interpretatiefout en dat ‘tabon yemek’ meer past bij hetgeen de verdachte heeft gezegd zou voorts volgens de steller van het middel volstrekt onbegrijpelijk zijn.
22. Het hof heeft overwogen dat het geen reden heeft om aan de waarheidsgetrouwheid van het proces-verbaal van bevindingen van de opsporingsambtenaren te twijfelen. Bij dat oordeel heeft het hof betrokken dat de verdachte voorafgaand aan de gewraakte woorden ook al verbaal agressief was en onder andere zei “Ik pak jullie. Je neukt me diep. Je vind dit lekker hè. Wacht maar”, of woorden van gelijke strekking. Het hof heeft vervolgens overwogen dat de tenlastegelegde bewoordingen beter passen bij de voorgaande gedragingen en uitlatingen van de verdachte dan hetgeen de verdachte heeft verklaard. Het hof heeft daarmee naar het mij voorkomt niet onbegrijpelijk en toereikend gereageerd op hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Aan de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel doet niet af dat de verbalisant de Arabische taal niet machtig is. Ik neem daarbij in aanmerking de verbalisant in het proces-verbaal van bevindingen niet heeft gesteld dat hij de Arabische taal machtig is, maar dat daaruit volgt dat hij ambtshalve bekend is met de betekenis van de in de bewezenverklaring genoemde bewoordingen (bewijsmiddel 1).
23. Al met al heeft het hof het verweer verworpen op gronden die de verwerping kunnen dragen en is de bewezenverklaring ook overigens niet onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd.
24. Het tweede middel faalt.
25. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
26. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑02‑2023
Vgl. B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 560-562.
Ik wijs in dit verband nog op het overzicht van voor de bewijsvoering van opzetheling relevante factoren dat A-G Harteveld in zijn conclusie voor HR 25 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:726 (art. 81 RO) heeft opgesteld (randnummer 3.6).