AB 2025/74
Bewijslastverdeling bij teruggekeerde Syriërs. Minister wijkt niet af van gebruikelijke bewijslastverdeling en de wijze van beoordeling van het reële risico op ernstige schade.
ABRvS 14-08-2024, ECLI:NL:RVS:2024:3175, m.nt. F.T. Groenewegen & V.M. Bex-Reimert
- Instantie
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
- Datum
14 augustus 2024
- Magistraten
Mrs. H.G. Sevenster, J.J.W.P. van Gastel, M. den Heyer
- Zaaknummer
202300173/1/V2
- Noot
F.T. Groenewegen & V.M. Bex-Reimert
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS999482:1
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht / Verblijf
Bestuursprocesrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:RVS:2024:3175, Uitspraak, Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 14‑08‑2024
- Wetingang
Art. 15 aanhef en onder c Kwalificatierichtlijn; art. 31 Vw 2000; art. C7/33.4.4 Vreemdelingencirculaire 2000 (C) (oud)
Essentie
Minister gaat bij teruggekeerde Syriërs niet langer uit van de presumptie dat terugkeer naar Syrië leidt tot ernstige schade en dat de bewijslast om dit aannemelijk te maken op de vreemdeling die is teruggekeerd rust. Minister wijkt niet af van gebruikelijke bewijslastverdeling en de wijze van beoordeling van het reële risico op ernstige schade bij teruggekeerde Syriërs. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de minister voor de bewijslastverdeling in zijn landenbeleid onderscheid maakt tussen Syriërs die niet en Syriërs die wel eerder rechtmatig verblijf in Nederland hebben gehad.
Samenvatting
Het landenbeleid over teruggekeerde Syriërs heeft dus geen ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.