Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/1.3
1.3 Doel en probleemstelling
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS462062:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Expliciet: zie artt. 5:1, lid 3 en 5:46, lid 4 Awb. Voor voorbeelden van impliciete, meer materiële verwijzingen naar het strafrecht wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichtingen op o.a. artikel 5:1, lid 2 Awb (medeplegen), artikel 5:5 Awb (rechtvaardigingsgronden) en artikel 5:43 Awb (samenloop).
Zo ook Haas/Jansen, p. 93.
Zie bijvoorbeeld de rapporten van de Commissies Van den Dries en Van Slooten (zie onderdelen 2.9.1 en 2.10.1).
Maathuis/Valkenburg, p. 157.
Onder ‘strafmaat’ versta ik overigens de individueel op te leggen of opgelegde straf, met inbegrip van strafsoort en strafmodaliteit.
Onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen in opdracht van het WODC, ‘Referentiekaders geldboetes, Verslag van een onderzoek naar de hoogte en wijze van berekening van geldboetes in het bestuursrecht en het strafrecht’, (www.rijksoverheid. nl).
F.J.P.M. Haas, ‘Fiscale boeten’, VAR-reeks 152, 2014, p. 245.
Het doel van dit onderzoek is om beter zicht te krijgen op het theoretische kader – bestaande uit de relevante rechtsbeginselen en de daaruit voortspruitende rechtsnormen (gedragsvoorschriften) – van het proces van individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht. Daartoe zal in eerste instantie aan de hand van rechtsbeginselen onderzocht worden welke rechtsnormen gelden voor het fiscale geïndividualiseerde straftoemetingsproces. Vervolgens zal het aldus beschreven fiscale straftoemetingsrecht – vanuit dezelfde rechtsbeginselen – op onderdelen worden vergeleken met dat in het strafrecht.
Vergelijking met strafrecht
Om verschillende redenen is voor vergelijking van het fiscale bestuurlijke boeterecht met het strafrecht gekozen. Zo is een bestuurlijke boete een straf waarmee leedtoevoeging wordt beoogd; het is net als de strafrechtelijke bestraffing een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 van het EVRM. Daarmee is de bestuurlijke boete vergelijkbaar met de strafrechtelijke geldboete. Daarnaast heeft het bestuurlijke boeterecht zich de laatste decennia steeds meer gevoegd naar het strafrecht. Een doorbraak hierin vormt de Vierde tranche van de Awb. De wetgever heeft in deze Vierde tranche niet alleen zowel expliciet als impliciet naar het strafrecht verwezen,1 maar heeft daarbij ook een belangrijke uitspraak gedaan over de van toepassing zijnde rechtsbeginselen:
“Zo berust ook de thans voorgestelde regeling inzake de bestuurlijke boete op beginselen als «geen straf zonder schuld», ne bis in idem en nulla poena sine lege. Bestraffing door het bestuur in plaats van door de rechter vraagt een iets andere uitwerking op het niveau van de precieze regels, maar de dragende beginselen zijn dezelfde.”2
Een onderdeel van de Vierde tranche Awb is artikel 5:46 Awb dat als het ware een straftoemetingsopdracht voor bestuursorganen inhoudt. De bewoordingen van dit artikel hebben veel weg van de door de strafrechter gebruikte standaardformuleringen.3 Ook volgt uit het rechtshistorisch onderzoek (zie hoofdstuk 2) dat in het verleden verschillende keren uitdrukkelijk is verwezen naar de verbanden tussen het fiscale bestuurlijke boeterecht en het strafrecht.4 Maathuis en Valkenburg verwoordden dit voor de straftoemeting als volgt:
“Onder straftoemeting verstaan we het bepalen van de aard en hoogte van de op te leggen straf. Dit proces behoort in beginsel bij de bestuurlijke boete niet anders te verlopen dan bij de strafoplegging door de strafrechter.”5
Bestraffing en straftoemeting zijn daarnaast kernelementen van het strafrecht; straftoemeting is als het ware corebusiness voor de strafrechtelijke instituten. Vooral in de afgelopen decennia heeft de rechtsnormering in het strafrecht ten aanzien van straftoemeting zich verder ontwikkeld. Zo zijn oriëntatiepunten voor straftoemeting door de rechter gepubliceerd en heeft het OM een uitgebreide set richtlijnen uitgevaardigd voor het bepalen van de hoogte van de te vorderen straffen of maatregelen. Daarnaast zijn wettelijke en andere maatregelen genomen ter verbetering van de motivering van de strafmaat6 in strafvonnissen. Het strafrecht is naar mijn mening dan ook hét rechtsgebied voor wat betreft de ontwikkeling van de van strafrechtelijke rechtsbeginselen afgeleide rechtsnormen omtrent straftoemeting.
De ontwikkeling van de straftoemeting in het (fiscale) bestuurlijke boeterecht lijkt daarentegen bij het strafrecht achter te blijven. In een in 2012 door de Rijksuniversiteit Groningen uitgebracht rapport ‘Referentiekaders geldboeten’7 worden enkele voorstellen voor een consistenter bestuursrechtelijk stelsel gedaan, maar vooralsnog heeft dit niet geleid tot wijziging van wet- of regelgeving. Daarnaast hebben de straftoemetingsparagrafen van het BBBB met ingang van 2009 een prominentere plek in het besluit gekregen, maar ook dit lijkt nog niet te hebben geleid tot een verbetering van de straftoemeting van fiscale bestuurlijke boeten. Zo merkt Haas in zijn preadvies voor de algemene vergadering van de VAR Vereniging voor Bestuursrecht op 24 mei 2014 het volgende op:
“In de praktijk bestaat echter de indruk dat boeteoplegging in veel gevallen toch wordt behandeld als een ‘aanhangsel’ bij het heffingsproces waarbij in verreweg de meeste gevallen niet wordt afgeweken van de ‘percentages en bedragen’ van het BBBB; dat het bij het opleggen van een boete in een concreet geval niet zozeer een op de individuele casus toegespitste afweging betreft maar een betrekkelijk standaard volgen van die ‘percentages en bedragen’.”8
De ontwikkelingen binnen het strafrechtelijke straftoemetingsrecht kunnen een belangrijke bron van inspiratie zijn voor het fiscale bestuurlijke boeterecht. Mochten in het fiscale bestuurlijke boeterecht lacunes worden aangetroffen in de normatieve uitwerking van de van toepassing zijnde rechtsbeginselen, dan biedt het strafrecht mogelijk aanknopingspunten voor de fiscale rechtsvorming.
Probleemstelling
De volgende probleemstelling zal ik in dit theoretische onderzoek nader uitwerken:
Waarin verschilt de rechtsnormering van het proces van individuele straftoemeting door de inspecteur in het fiscale bestuursrecht van de rechtsnormering van het proces van individuele straftoemeting door de strafrechter, en is dit verschil verklaarbaar gelet op de van toepassing zijnde rechtsbeginselen?
Het antwoord op deze vragen leidt tot een beter inzicht in het theoretisch kader van het proces van individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht.