NJB 2024/1958:Geluids- en beeldopnames als bewijs: met uitzondering van de situatie waarin art. 567 Sv toepassing vindt, kan een opname van beeld en/of geluid niet als een wettig bewijsmiddel worden aangemerkt (vgl. art. 339 lid 1 Sv). Zo’n opname kan wel meewerken tot het bewijs via de eigen waarneming van de rechter (art. 340 Sv). Die waarneming moet in beginsel plaatsvinden op de terechtzitting, maar onder omstandigheden mag een eigen waarneming van de rechter ook voor het bewijs worden gebruikt als deze waarneming door de rechter buiten het verband van de terechtzitting is gedaan. In het geval dat een eigen waarneming van de rechter voor het bewijs wordt gebruikt, moet de rechter in zijn uitspraak beschrijven wat de waarneming inhoudt. De rechter kan niet volstaan met de vermelding van de vindplaats in het dossier.