Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/5.2
5.2 Beoordelingskader EU-recht: hoofdregel
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS298616:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HvJ EU 14 december 1995, C-312/93, Jur. 1995, p. I-4599 (Peterbroeck), pt. 14; HvJ EU 24 oktober 1996, C-72/95, Jur. 1996, p. I-5403 (Kraaijeveld), pt. 57 e.v.; HvJ EU 1 juni 1999, C-126/97, Jur. 1999, p. 3055 (Eco Swiss), pt. 37 en 45; HvJ EU 11 mei 2000, C-38/98, Jur. 2000, p. I-2973 (Renault), pt. 32; HvJ EU 16 maart 2006, C-234/04, Jur. 2006, p. I-2585 (Kapferer), pt. 22; HvJ EU 13 juli 2006, C-295-298/04, Jur 2006, p. I-6619 (Manfredi), pt. 62; HvJ EU 7 juni 2007, C-222-225/05, Jur 2007, p. I-4233 (Van der Weerd), pt. 28 e.v.; HvJ EU 12 februari 2008, C-2/06, Jur 2008, p. I-411 (Kempter), pt. 57 e.v.; HvJ EU 25 november 2008, C-455/06, Jur. 2008, p. I-8763 (Heemskerk), pt. 46-47.
Voor voorbeelden zij verwezen naar hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.2 tot en met 5.3.3.
Vgl. Hartkamp 2011, nr. 109, waar hij aandacht vraagt voor het gebrek aan opdeling naar de verschillende typen van het effectiviteitsbeginsel.
HvJ EU 14 december 1995, C-312/93, Jur 1995, p. I-4599 (Peterbroeck), pt. 20.
Zo ook: Ancery 2009, p. 54-55.
HvJ EU 7 juni 2007, C-222-225/05, Jur. 2007, p. I-4233 (Van der Weerd), pt. 40. Zie over dit arrest o.m. Jans & Marseille 2008, p. 853-862.
HvJ EU 7 juni 2007, C-222-225/05, Jur 2007, p. I-4233 (Van der Weerd), pt. 41. Vgl. Krans 2010, p. 29; Snijders 2008, p. 548.
Vgl. bovenstaand citaat uit het arrest Van der Weerd.
Vanuit dit perspectief dient de verwijzing door het HvJ EU naar de openbare orde in de Eco-Swiss-zaak dan ook worden begrepen: HvJ EU 1 juni 1999, C-126/97, Jur. 1999, p. 3055. In paragraaf 10.2 zal hier uitgebreider op worden ingegaan.
175.
Het HvJ EU haakt in beginsel aan bij de (on)mogelijkheden van het nationale procesrecht. Een goed voorbeeld van die benadering betreft het arrest in de zaak Van Schijndel. Deze nationale procesregels moeten aan randvoorwaarden voldoen. Het gaat dan om een toets aan respectievelijk het gelijkwaardigheidsbeginsel en het effectiviteitsbeginsel. Ook dit kan worden herkend in het arrest Van Schijndel. Deze dubbele toets kan ook worden herkend in andere arresten met betrekking tot het nationale procesrecht.1 Het betreft dan niet alleen arresten met betrekking tot het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden.2 Bij deze toets wordt de procedurele rule of reason toegepast.
176.
Het beoordelen van een nationale procesregel lijkt erg casuïstisch. Ten dele is dat ook wel het geval. Voor een nationale rechter is het met behulp van het aan Rewe en Comet te ontlenen gelijkwaardigheids- en effectiviteitsbeginsel en de daarop los te laten procedurele rule of reason lastig om te bepalen in hoeverre hij een regel buiten toepassing dient te laten. Ik durf hier echter de stelling aan dat de echte toets besloten ligt in de effectieve rechtsbescherming. Alleen bij strijd met het beginsel van effectieve rechtsbescherming zal een procesregel buiten toepassing moeten worden gelaten, behoudens de gevallen van flagrante schending van het gelijkwaardigheidsbeginsel. De moeilijkheid is echter dat het HvJ EU de toets aan het beginsel van effectieve rechtsbescherming vaak impliciet betrekt in de toets aan het effectiviteitsbeginsel van Rewe en Comet.3 Er is in de jurisprudentie van het HvJ EU dan ook sprake van een samensmelting van het effectiviteitsbeginsel en het beginsel van effectieve rechtsbescherming.
Van de zaken met betrekking tot de ambtshalve aanvulling van rechtsgronden van EU-recht (consumentenzaken uitgezonderd) diende in Peterbroeck het nationale termijnvoorschrift te wijken. Het HvJ EU vond dat termijnvoorschrift op zichzelf nog niet eens bezwaarlijk, maar wel de wijze waarop het in het voorliggende geval uitwerkte.4 Immers, door de vervaltermijn werd de toegang tot de rechter gefrustreerd, omdat een beroep op de rechter er niet meer toe zou leiden dat deze uit eigen beweging EU-rechtelijke aspecten in zijn beoordeling zou kunnen betrekken. Daarmee werd het aan het EU-recht ontleende recht bovendien onvoldoende effectief beschermd.5 Het hanteren van het beginsel van effectieve rechtsbescherming verklaart dus het verschil tussen de uitkomst in Peterbroeck en de uitkomst in de overige zaken met betrekking tot het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden van EU-recht.
177.
In de zaak-Van der Weerd lijkt het HvJ EU het voorgaande te bevestigen. De verwijzende rechter wees op het arrest in de zaak-Van Schijndel, waar het beginsel van partijautonomie in stand kon blijven. Het was voor de verwijzende rechter echter niet duidelijk of dat ook zou gelden voor het bestuursrechtelijke artikel 8:69 Awb, nu het HvJ EU in andere zaken – Peterbroeck, Eco Swiss en Océano – was gekomen tot doorbreking van de ter discussie staande nationale procesregel. Deze rechtspraak werd door het HvJ EU verklaard:
“(…) die [wordt] immers gekenmerkt door de omstandigheden van de betrokken zaak, waarin de verzoeker in het hoofdgeding de mogelijkheid wordt ontnomen om naar behoren de onverenigbaarheid van een voorschrift van nationaal recht met het [EU-recht] aan te voeren (zie arrest Peterbroeck, punten 16 e.v.).”6
Voor wat betreft de effectiviteitseis, dient deze regel alleen buiten toepassing te worden gelaten wanneer de uitwerking ervan schuurt met het beginsel van effectieve rechtsbescherming. Dat blijkt nog duidelijker uit de overweging van het HvJ EU die specifiek wordt betrokken op de omstandigheden van de zaak-Van der Weerd:
“Blijkens het voorgaande houdt in zaken als die van de hoofdgedingen het doeltreffendheidsbeginsel voor de nationale rechter niet de verplichting in om ambtshalve een aan een communautaire bepaling ontleende grond, ongeacht het belang daarvan voor de communautaire rechtsorde, te onderzoeken, wanneer partijen daadwerkelijk de mogelijkheid hebben om voor de nationale rechter een op het [EU-recht] gebaseerde grond aan te voeren.”7
Bij de vraag of een nationale procesregel moet wijken voor de effectiviteit van het EU-recht speelt het gewicht van de EU-rechtelijke bepaling geen doorslaggevende rol. Let wel, dit geldt voor de beoordeling of een procesrechtelijke regel moet wijken voor de effectiviteit van het EU-recht. Natuurlijk bestaan er wel gradaties in het gewicht van een bepaling van EU-recht. Een bepaling van EU-recht die van openbare orde is binnen het EU-recht, zal ook snel van openbare orde zijn binnen het nationale recht en dus ambtshalve moeten worden toegepast. Maar het gewicht van die bepaling beantwoordt niet direct de vraag of een regel van nationaal recht moet wijken. Daarvoor geldt het criterium van het beginsel van effectieve rechtsbescherming. Niettemin zal het gewicht van de bepaling van het EU-recht waarvan de effectiviteit wordt bedreigd wel een reflexwerking hebben op de beoordeling of de bescherming uit het nationale recht voldoende effectief is. Immers, een bepaling van EU-recht van openbare orde zal minder snel in voldoende effectieve mate worden beschermd, dan een bepaling van regelend recht.
178.
Voor de nationale rechter ontstaat het volgende beeld, wanneer hij in het kader van het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden van EU-recht een beperkende regel van nationaal recht dient te beoordelen. Het HvJ EU haakt in principe aan bij de mogelijkheden van het nationale recht en accepteert ook de beperkingen die aan dat recht verbonden zijn. Niettemin dient een beperkende regel van nationaal recht te worden getoetst aan de randvoorwaarden zoals geformuleerd in de arresten Rewe, Comet en Van Schijndel. Het gaat dan om het gelijkwaardigheids- en het effectiviteitsbeginsel, met de daarin doorwerkende procedurele rule of reason. Deze randvoorwaarden vermengen zich bij het leerstuk van de ambtshalve aanvulling van rechtsgronden van EU-recht echter met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, waardoor de nationale rechters eigenlijk dienen te bezien in hoeverre een effectieve bescherming van de aan het EU-recht te ontlenen rechten met instandhouding van de beperkende nationale regel nog mogelijk is.8 Ik zou het criterium tot het volgende willen aanscherpen: heeft het EU-recht ergens in de procedure, al dan niet naar aanleiding van een beroep van partijen, voor een overheidsrechter daadwerkelijk ter sprake kunnen komen? Als het antwoord hierop ontkennend is en die ontkenning in belangrijke mate voortkomt uit de beperkende regel van nationaal recht dient deze door de nationale rechter buiten toepassing te worden gelaten.9