Einde inhoudsopgave
Grondslagen bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 73) 2010/2.2.2
2.2.2 Ernstig verwijt versus opzet of bewuste roekeloosheid
mr. D.A.M.H.W. Strik, datum 20-07-2010
- Datum
20-07-2010
- Auteur
mr. D.A.M.H.W. Strik
- JCDI
JCDI:ADS430936:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 4 februari 1983, NJ 1983, 543 (X/Debrot), r.o. 3.3, HR 3 april 1987, NJ 1987, 606 (Posthumus/Terpstra), r.o. 3.2, HR 1 november 1991, NJ 1992, 32 (Van Helderen/Brabers), r.o. 3.2.
Zie o.a. Van der Grinten 1992, nr. 257,Van Schilfgaarde 1986a, p. 17, Kortmann 1994, p. 270.
A.G. Mok verwijst in par. 3.3.2.5 van zijn conclusie bij het Staleman/Van de Ven-arrest wel naar het X/Debrot-arrest.
Kamerstukken II 1987/88, 17 896, nr. 8, p. 28. Vgl. ook HR 12 april 2002, NJ 2003, 138 (Heijboer/De Branding), r.o. 3.5.
HR 30 maart 2001, JAR 2001/127 (Schwartz/St. Uitvoering Specialisten Honorering), r.o. 3.7. Vgl. ook HR 22 januari 1993, NJ 1993, 665 (Boekhandel De Tille), r.o. 3.3, HR 10 mei 1996, NJ 1996, 669 (J.R.Nan de Ven Automobielbedrijf Venlo), r.o. 4.2.3, HR 9 januari 1998, NJ 1998, 440 (NottenTribulet), r.o. 3.4.
HR 16 oktober 1992, NJ 1993, 264 (Bruinsma Tapijt/Schuitmaker), r.o. 3.3.
HR 10 mei 1996, NJ 1996, 669 (J.R.Nan de Ven Automobielbedrijf Venlo), r.o. 4.2.3.
HR 20 september 1996, NJ 1997, 198 (Pollemans/Holding Hoondert), r.o. 3.4, HR 11 september 1998, NJ 1998, 870 (Van der Wiel/Philips Lighting), r.o. 3.3, HR 14 oktober 2005, NJ 2005, 539; JIN 2005/407 (City Tax), r.o. 3.4.2.
Zie o.a. Hartlief 1997, p. 499, Klaassen 2000, p. 98, Jansen/Loonstra 2000, p. 57, Klaassen 2003, p. 36, Loonstra/Zondag 2004, p. 66, 82, Loonstra 2005, par. 4, Jansen/Loonstra 2006, p. 49, 51, 59, 60, Janssen 2008, par. 2.2.
HR 2 december 2005, JAR 2006, 15 (Dieteren/Express Transport), r.o. 3.4.2 over art. 7:661 BW.
HR 30 maart 2007, NJ 2008, 64 (overstekende asielzoeker), r.o. 4.2 en 4.3.
Zie o.a. Hartlief 2008, Oldenhuis/Kolder 2009, par. 2.2.1.
Ter illustratie: HR 9 november 2001, NJ 2002, 79 (Van Doesburg/Tan), waarin eerst onrechtmatig handelen van een werknemer wordt behandeld (r.o. 4.2), en vervolgens wordt overwogen dat de daardoor geleden schade voor rekening van de werkgever komt, tenzij de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de gelaedeerde werknemer (r.o. 5.1).
Jansen/Loonstra 2000, Potjewijd 2003, Van Olffen 2004 en Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* 2009, nr. 446 stellen deze begrippen aan elkaar gelijk. Onder meer Van Schilfgaarde/Winter 2009, p. 168-169, Orsel 2006, p. 39-41, Orsel 2005, p. 41, Jansen/ Loonstra 2006, p. 58-59, Assink 2007, p. 613, Assink/Olden 2005, p. 10, Wezeman 2004, p. 90, 91 Borrius 2003, p. 92, en De Valk 2009, p. 141, 142, 222, 225 gaan er vanuit dat ernstig verwijt meer omvat dan uitsluitend opzet en bewuste roekeloosheid. Zie Delfos-Roy 2008, p. 70 die aanneemt dat voor aansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW geen opzet of bewuste roekeloosheid vereist is.
HR 10 december 1999, NJ 2000, 6; JOR 2000/11 (Prickartz), r.o. 3.2.
Anders dan Loonstra/Zondag 2003, p. 62, ben ik niet van mening dat deze vraag is verhelderd door HR 30 maart 2001, JAR 2001/127 (Schwartz/St. Uitvoering Specialisten Honorering). In laatstgenoemd arrest is immers geen oordeel gegeven over de aansprakelijkheid van de bestuurder uit hoofde van art. 2:9 BW. Zie over de betekenis van het Prickartzarrest in dit verband ook Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* 2009, nr. 446.
Deze uitzondering wordt gevormd door Assink/Olden 2005, p. 10-11 en Delfos-Roy 2008, p. 69-71.
De term ernstig verwijt speelde ten tijde van het oud BW ook een rol bij werknemersaansprakelijkheid. VMr 1992 bevatte het Burgerlijk Wetboek geen regeling die expliciet en specifiek regelde dat een werknemer onder bepaalde omstandigheden jegens de werkgever aansprakelijk was voor schade toegebracht bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Wel werd in jurisprudentie een standaard ontwikkeld voor de vraag of een werknemer jegens de werkgever uit hoofde van wanprestatie aansprakelijk was terzake van onbehoorlijke taakvervulling. Het criterium dat daarbij werd aangelegd was of de werknemer terzake van de tekortkoming, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, een zodanig ernstig verwijt gemaakt kon worden dat hij voor de daardoor ontstane schade aansprakelijk is.1
Relevant gegeven is overigens dat naar analogie met de door de Hoge Raad aldus in 1983 in het X/Debrot-arrest uitgezette lijn terzake van werknemersaansprakelijkheid, vervolgens in de literatuur werd betoogd dat ernstig verwijt ook een vereiste zou zijn om aansprakelijkheid van bestuurders uit hoofde van art. 2:9 BW aan te nemen.2 In 1997 werd dat inderdaad voor het eerst aangenomen door de Hoge Raad in het hiervoor besproken Staleman/Van de Ven-arrest. Hoewel in laatstgenoemd arrest niet wordt verwezen naar het X/Debrot-arrest,3 lijkt het aannemelijk dat het thans voor art. 2:9 BW toepasselijke criterium daarop voortbouwde. De omstandigheid dat de in het geding zijnde feiten in de Staleman/Van de Ven-zaak zich afspeelden in 1990 — derhalve vo5Or invoering van het NBW dat voor o.a. art. 7:661 BW de terminologie wijzigde in opzet en bewuste roekeloosheid — kan verklaren waarom de Hoge Raad in dat arrest nog de onder het oud BW geïntroduceerde term ernstig verwijt gebruikte. Zeker is dat niet.
Tijdens de parlementaire behandeling van art. 7A:1638x BW (thans art. 7:658 BW) is uitgesproken dat tussen de voor 1992 in jurisprudentie terzake ontwikkelde standaard van ernstig verwijt, en de in art. 7A:1638x BW gebezigde termen bewuste roekeloosheid en opzet in wezen geen verschil bestaat:
"Het verdient daarom aanbeveling buiten twijfel te stellen dat tussen beide formuleringen in wezen geen verschil bestaat. Daarbij moet worden bedacht dat de woorden «opzet en bewuste roekeloosheid» uit artikel 6.3.2.2. lid 3 niet goed passen bij de gedragingen van administratief personeel waarom het in de gevallen van de voormelde twee arresten ging, terwijl de omschrijving «ernstig verwijt>> voor die gevallen zeer wel als passend equivalent van «opzet of bewuste roekeloosheid» kan worden gebezigd."4
Ook ten aanzien van art. 7:6615 en 6:1706 BW is later door de Hoge Raad bepaald dat de terminologie opzet of bewuste roekeloosheid geen inhoudelijke verandering heeft gebracht.
Deze termen dienen in dit verband subjectief te worden uitgelegd: zij duiden op het bewustzijn van de aangesproken werknemer. Zonder persoonlijk handelen of bewust nalaten van de werknemer kan er geen sprake zijn van opzet of bewuste roekeloosheid.7
Over de invulling die in het arbeidsrecht aan het begrip bewuste roekeloosheid gegeven moet worden heeft enige tijd discussie bestaan. De Hoge Raad heeft in jurisprudentie een strenge invulling gegeven aan het begrip bewuste roekeloosheid in het kader van art. 7A:1638x BW (oud)/7:658 BW en 7:661 BW. Het gaat er volgens deze lijn om dat de werknemer zich onmiddellijk voorafgaand aan de gewraakte gedraging daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter van dat gedrag.8 In de literatuur werd wel betoogd dat op deze manier van bewuste roekeloosheid (laat staan van opzet) in de praktijk zelden sprake zal zijn.9 Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt inmiddels echter af te leiden dat bij de stelplicht van de werkgever of dat aan de orde was, wel een zekere objectivering kan worden toegepast. Het gaat er dan om of uit het gestelde (en bewezen) gedrag van de werknemer naar objectieve maatstaven kon worden afgeleid dat een dergelijk bewustzijn aanwezig was.10 De werknemer kan vervolgens feiten en omstandigheden stellen die zouden kunnen ontzenuwen dat van een zodanig bewustzijn sprake is geweest.
In een arrest van de Hoge Raad gewezen in verband met art. 185 Wegenverkeerswet is nadere invulling gegeven aan het in de jurisprudentie rond de zgn. 50%-regel ontwikkelde criterium "aan opzet grenzende roekeloosheid".11 Bepaald is dat daarvoor in beginsel bewustheid van het gevaar bij het slachtoffer is vereist. De Hoge Raad oordeelde dat de stelplicht en bewijslast ter zake van de aan opzet grenzende roekeloosheid rusten op de aansprakelijk gestelde partij; dat bewijs omvat derhalve ook de bewustheid van het gevaar bij het slachtoffer. Voor het bewijs van die bewustheid kan evenwel volstaan het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit die bewustheid mag worden afgeleid. Daarbij is onder meer relevant of het slachtoffer gelet op zijn gedragingen en relevante feiten en omstandigheden zich bewust moet zijn geweest van het zeer aanzienlijke gevaar dat hij door zijn gedrag in het leven riep en dat hij zich desondanks niet van dat gedrag heeft laten weerhouden, zodat zijn gedrag moet worden aangemerkt als (aan opzet grenzende) roekeloosheid. Ook hier wordt ruimte gelaten voor objectivering van het begrip aan de hand van feiten en omstandigheden.
In de literatuur is wel betoogd dat dit arrest ook belang heeft voor de interpretatie van het begrip bewuste roekeloosheid in art. 7:658 lid 2 BW.12 In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat er in de jurisprudentie van de Hoge Raad een tendens is af te leiden naar de mogelijkheid om de aanwezigheid van een vereiste subjectieve schuldgradatie op basis van geobjectiveerde feiten en omstandigheden te adstrueren. Er is derhalve geen sprake van dat het de facto onmogelijk is om de aanwezigheid van een dergelijke schuldgradatie te stellen en te bewijzen.
Er wordt in de arbeidsrechtelijke jurisprudentie een duidelijk onderscheid gemaakt tussen enerzijds het vaststellen van de tekortkoming van de werknemer en anderzijds de schuldgradaties opzet of bewuste roekeloosheid.13 Deze laatste schuldgradaties zijn daarbij dus een toerekeningsmaatstaf.
Er is veel geschreven over de vraag of het begrip ernstig verwijt voor de toepassing van art. 2:9 BW een andere inhoud heeft dan opzet of bewuste roekeloosheid in voornoemde bepalingen.14 Veelal wordt dan verwezen naar het Prickartz-arrest15, waarin bij de beoordeling van de gestelde aansprakelijkheid van een statutair bestuurder, tevens werknemer, werd overwogen dat hij als bestuurder alleen aansprakelijk was in geval van ernstig verwijt, en voor zover hem een verwijt als werknemer gemaakt zou moeten worden dat hij in beginsel slechts aansprakelijk was jegens zijn werkgeefster in geval van opzet of bewuste roekeloosheid.16 Voor mijn betoog volstaat in dit stadium de constatering dat die vraag in de literatuur vrijwel zonder uitzondering17 in de sleutel van de toerekeningsmaatstaf wordt geplaatst: er wordt in dat verband vrijwel uitsluitend gediscussieerd over de vraag of ernstig verwijt ook lagere schuldgradaties omvat zoals roekeloosheid en gewone schuld. Ik kom daar hierna op terug.