Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.5.4.2.2.1
8.5.4.2.2.1 VNO-arrest
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291198:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 1 februari 1977, zaak 51/76, BNB 1978/18, m.nt. Tuk (VNO).
De Europese Commissie heeft in deze zaak op grond van de richtlijnhistorie betoogd dat het bij investeringsgoederen gaat om duurzame goederen waarvan de aanschaffings- en productiekosten overeenkomstig de algemeen toepasselijke beginselen niet tot de lopende uitgaven worden gerekend, maar over meer dan één boekjaar worden verspreid. De Belgische regering heeft in aanvulling hierop gewezen dat de aanschaffingskosten van deze goederen een bepaald bedrag te boven gaan (lees: het betreft kostbare goederen). Dat verklaart waarom het Hof zowel de duurzaamheid als de waarde noemt als criteria voor de kwalificatie als investeringsgoed. Ook de objectivering van de het ‘afschrijvingscriterium’ is niet los te zien van de door de Belgische, Duitse en Nederlandse regering gemaakte opmerkingen in deze zaak. De Belgische regering achtte het wenselijker om als criterium aan te houden dat de aanschaffingskosten van investeringsgoederen gewoonlijk over meerdere jaren worden afgeschreven. Een grote onderneming kan echter besluiten tot afschrijving ineens van een duurzaam goed, terwijl een kleinere onderneming wellicht besluit het over meerdere jaren af te schrijven. Beide ondernemingen dienen echter wel gelijk te worden behandeld. Ook de Duitse en Nederlandse regering hebben erop gewezen dat het niet noodzakelijk is dat de aanschaffingskosten van een investeringsgoed over meerdere jaren wordt afgeschreven (zie ook: D.B. Bijl, ‘Zijn bedrijfsmiddelen investeringsgoederen? Uitlegging van de EEG-richtlijnen inzake de omzetbelasting’, WFR 1977/265). Vanuit het oogpunt van de concurrentieneutraliteit acht ik het dan ook wenselijk dat het Hof heeft gekozen voor een geobjectiveerd ‘afschrijvingscriterium’ voor investeringsgoederen.
In de vorige paragraaf is het VNO-arrest1 van het Hof van Justitie al even ter sprake gekomen. In dit arrest heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het begrip ‘investeringsgoederen’ in art. 17, derde streepje Tweede Richtlijn ter bepaling van zijn strekking en draagwijdte niet verwijst naar het recht van de lidstaten en dat daaruit volgt dat de uitleg van dit begrip in zijn algemeenheid niet ter beoordeling van iedere lidstaat kan worden gelaten. De gewone betekenis van dit begrip en zijn functie in het verband van de bepalingen in de Tweede Richtlijn wijzen er volgens het Hof op dat goederen zijn bedoeld die, gebruikt voor bedrijfsdoeleinden, zich onderscheiden door hun duurzame aard en waarde en waarvan de aanschaffingskosten normaliter dan ook niet als lopende uitgaven worden geboekt, maar over meerdere jaren worden afgeschreven.2 Omdat de Tweede Richtlijn niet alle gegevens bevat voor een uniforme en nauwkeurige omschrijving van de eisen waaraan op het punt van de duurzaamheid en waarde en van de toe te passen afschrijvingsregels moet zijn voldaan om als investeringsgoed te kwalificeren, laat het Hof de lidstaten op dit punt een zekere beoordelingsruimte. Lidstaten zijn echter gehouden het bestaan van het wezenlijke verschil tussen investeringsgoederen en andere goederen te erkennen.