Procestaal: Duits.
HvJ EU, 09-11-2023, nr. C-819/21
ECLI:EU:C:2023:841
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
09-11-2023
- Magistraten
C. Lycourgos, O. Spineanu-Matei, J.-C. Bonichot, S. Rodin, L. S. Rossi
- Zaaknummer
C-819/21
- Conclusie
N. Emiliou
- Roepnaam
Staatsanwaltschaft Aachen
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2023:841, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 09‑11‑2023
ECLI:EU:C:2023:386, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 04‑05‑2023
Uitspraak 09‑11‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in strafzaken — Erkenning van vonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in een andere lidstaat — Kaderbesluit 2008/909/JBZ — Artikel 3, lid 4, en artikel 8 — Weigering van tenuitvoerlegging — Artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld — Structurele of fundamentele gebreken in de uitvaardigende lidstaat — Tweestappentoets — Herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van een door een lidstaat opgelegde vrijheidsstraf — Tenuitvoerlegging van deze straf door een andere lidstaat
C. Lycourgos, O. Spineanu-Matei, J.-C. Bonichot, S. Rodin, L. S. Rossi
Partij(en)
In zaak C-819/21,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Aachen (rechter in eerste aanleg Aken, Duitsland) bij beslissing van 6 december 2021, ingekomen bij het Hof op 22 december 2021, in de procedure
Staatsanwaltschaft Aachen
in tegenwoordigheid van:
M. D.,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, O. Spineanu-Matei, J.-C. Bonichot (rapporteur), S. Rodin en L. S. Rossi, rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en C. S. Schillemans als gemachtigden,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Grünheid en K. Herrmann als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 mei 2023,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 4, en artikel 8 van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB 2008, L 327, blz. 27), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: ‘kaderbesluit 2008/909’), gelezen in samenhang met artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure betreffende het verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging in Duitsland van het vonnis van een Poolse rechter waarbij M. D. tot een vrijheidsstraf van zes maanden werd veroordeeld.
Toepasselijke bepalingen
3
De overwegingen 5 en 13 van kaderbesluit 2008/909 luiden als volgt:
- ‘(5)
Procesrechten in strafrechtelijke procedures vormen de sleutel tot het onderlinge vertrouwen tussen de lidstaten bij justitiële samenwerking. Relaties tussen de lidstaten, die worden gekenmerkt door een bijzonder onderling vertrouwen in elkaars rechtsstelsels, maken het voor de tenuitvoerleggingsstaat mogelijk om beslissingen van de autoriteiten van de beslissingsstaat te erkennen. Daarom dient verdere uitbreiding te worden overwogen van de samenwerking waarin is voorzien in de instrumenten van de Raad van Europa betreffende de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen, in het bijzonder in het geval van EU-onderdanen die in een andere lidstaat zijn veroordeeld tot een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel. De gevonniste persoon dient over adequate rechtswaarborgen te beschikken, maar zijn rol in de procedure mag niet langer zodanig bepalend zijn dat de toezending van een vonnis aan een andere lidstaat met het oog op de erkenning ervan en de tenuitvoerlegging van de sanctie in alle gevallen afhankelijk is van zijn toestemming.
[…]
- (13)
Dit kaderbesluit eerbiedigt de grondrechten en voldoet aan de beginselen die worden erkend in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en zijn weergegeven in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name in hoofdstuk VI. Niets in dit kaderbesluit staat eraan in de weg dat de tenuitvoerlegging van een vonnis kan worden geweigerd, indien er objectieve redenen bestaan om aan te nemen dat de sanctie aan de betrokkene is opgelegd op grond van zijn geslacht, ras, godsdienst, etnische afstamming, nationaliteit, taal, politieke overtuiging of seksuele geaardheid, of dat de positie van die persoon op een van deze gronden kan worden aangetast.’
4
Artikel 3 van deze richtlijn heeft als opschrift ‘Doel en werking’ en bepaalt:
- ‘1.
Met dit kaderbesluit wordt beoogd de regels vast te stellen volgens welke een lidstaat, ter bevordering van de reclassering van de gevonniste persoon, een vonnis erkent en de sanctie ten uitvoer legt.
- 2.
Dit kaderbesluit is van toepassing indien de gevonniste persoon zich in de beslissingsstaat of in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt.
[…]
- 4.
Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die is neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast.’
5
Artikel 4 van dit kaderbesluit heeft als opschrift ‘Criteria voor toezending van het vonnis en een certificaat aan een andere lidstaat’ en bepaalt:
- ‘1.
Mits de gevonniste persoon zich in de beslissingsstaat of in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt en hij zijn toestemming heeft verleend voor zover deze krachtens artikel 6 is vereist, kan het vonnis, vergezeld van het certificaat waarvan het model in bijlage I is opgenomen, aan een van de volgende lidstaten worden toegezonden:
- a)
de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is en waar hij zijn woonplaats heeft, of
- b)
de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is, maar waar hij niet zijn woonplaats heeft, en waarheen hij, na zijn invrijheidstelling, zal worden uitgewezen als gevolg van een bevel tot uitzetting of verwijdering dat deel uitmaakt van het vonnis of van een gerechtelijke of bestuurlijke beschikking of een andere ingevolge het vonnis getroffen maatregel, of
- c)
een andere dan de onder a) of b) bedoelde lidstaten, waarvan de bevoegde autoriteit erin toestemt dat hem het vonnis en het certificaat worden toegezonden.
[…]’
6
Artikel 8 van dat kaderbesluit heeft als opschrift ‘Erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de sanctie’ en luidt als volgt:
- ‘1.
De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat erkent een overeenkomstig artikel 4 en volgens de procedure van artikel 5 toegezonden vonnis en neemt onverwijld de maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de sanctie, tenzij zij zich beroept op een van de in artikel 9 genoemde gronden tot weigering van de erkenning en de tenuitvoerlegging.
[…]’
7
Artikel 9 van kaderbesluit 2008/909 heeft als opschrift ‘Gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging’ en bepaalt:
- ‘1.
De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie weigeren in de volgende gevallen:
[…]
- i)
volgens het in artikel 4 bedoelde certificaat de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het certificaat is vermeld dat de betrokkene, overeenkomstig nadere in het nationale recht van de beslissingsstaat bepaalde procedurevoorschriften:
- i)
tijdig
- —
persoonlijk is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces;
en
- —
ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt;
of
- ii)
op de hoogte was van het voorgenomen proces, een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en op het proces ook werkelijk door die raadsman is verdedigd;
of
- iii)
nadat de beslissing aan hem was betekend en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing:
- —
uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet betwist;
of
- —
niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend;
[…]’
8
Artikel 17 van dit kaderbesluit heeft als opschrift ‘Het op de tenuitvoerlegging toepasselijk recht’ en luidt als volgt:
- ‘1.
De tenuitvoerlegging van de sanctie wordt beheerst door het recht van de tenuitvoerleggingsstaat. De autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat zijn, behoudens de leden 2 en 3, bij uitsluiting bevoegd te besluiten omtrent de procedures betreffende de tenuitvoerlegging en zij bepalen alle daarop betrekking hebbende maatregelen, met inbegrip van de gronden tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling.
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
9
M. D. is een Pools staatsburger die zijn gewone verblijfplaats in Duitsland heeft en bij vonnis van 7 augustus 2018 van de Sąd Rejonowy Szczecin-PrawobrzeŻe (rechter in eerste aanleg Szczecin-PrawobrzeŻe, Polen) in Polen is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van zes maanden waarvan de tenuitvoerlegging werd opgeschort. De betrokkene was niet aanwezig bij zijn proces, hoewel de oproeping voor de terechtzitting hem volgens de door de Poolse rechters verstrekte informatie was toegezonden op het door hem in het kader van de onderzoeksprocedure opgegeven adres in Polen.
10
Bij beschikking van 16 juli 2019 heeft dezelfde rechter die aanvankelijk toegekende opschorting herroepen en de tenuitvoerlegging van de aan M. D. opgelegde vrijheidsstraf gelast. De redenen voor deze herroeping en in het bijzonder de vraag of die herroeping volgde op een nieuwe strafrechtelijke veroordeling, blijken niet duidelijk uit het aan het Hof overgelegde dossier.
11
Op 13 augustus 2020 heeft de Sąd Okregowy w Szczecinie (rechter in tweede aanleg Szczecin, Polen) een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd, op grond waarvan M. D. in Duitsland is aangehouden. Bij beslissing van 17 december 2020 heeft de Staatsanwaltschaft Köln (openbaar ministerie Keulen, Duitsland) de tenuitvoerlegging van dit aanhoudingsbevel geweigerd op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: ‘kaderbesluit 2002/584’), op grond dat de betrokkene sinds meerdere jaren zijn gewone verblijfplaats in Duitsland had en zich tegen zijn overlevering aan de Poolse autoriteiten had verzet.
12
Op 26 januari 2021 heeft de Sąd Okregowy Szczecin de Generalstaatsanwaltschaft Berlin (bureau van de procureur-generaal Berlijn, Duitsland) een gewaarmerkt afschrift van het vonnis van 7 augustus 2018 doen toekomen, vergezeld van het in artikel 4 van kaderbesluit 2008/909 bedoelde certificaat, met het oog op de tenuitvoerlegging in Duitsland van de aan M. D. opgelegde vrijheidsstraf. Het dossier werd doorgezonden aan de territoriaal bevoegde Staatsanwaltschaft Aachen (openbaar ministerie Aken, Duitsland).
13
Na M. D. te hebben gehoord — waarbij deze heeft verklaard geen oproeping te hebben ontvangen voor de in Polen gehouden terechtzitting en te kennen heeft gegeven dat de tegen hem aangevoerde grieven ongegrond waren — heeft de Staatsanwaltschaft Aachen de strafuitvoeringskamer van het Landgericht Aachen (rechter in eerste aanleg Aken, Duitsland), de verwijzende rechter, verzocht om in te stemmen met het verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van het vonnis van 7 augustus 2018 en de beschikking 16 juli 2019 van de Sąd Rejonowy Szczecin-PrawobrzeŻe en tegen M. D. een vrijheidsstraf van zes maanden uit te spreken. Volgens de Staatsanwaltschaft Aachen was aan alle voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van het in Polen gewezen vonnis voldaan. In het bijzonder waren de feiten die aan de veroordeling ten grondslag lagen, gepleegd tussen maart en juni 2019, volgens dit openbaar ministerie naar Duits strafrecht strafbaar als verduistering en valsheid in geschrifte.
14
De verwijzende rechter vraagt zich af of hij kan weigeren de in Polen aan M. D. opgelegde gevangenisstraf in Duitsland uitvoerbaar te verklaren op grond dat deze lidstaat artikel 47, tweede alinea, van het Handvest en artikel 2 VEU heeft geschonden. Hij merkt op dat de gegevens waarover hij beschikt, gewag maken van structurele of fundamentele gebreken in het Poolse justitiële apparaat op de datum van het vonnis en de beschikking van de Sąd Rejonowy Szczecin-PrawobrzeŻe waarvan om tenuitvoerlegging wordt verzocht, namelijk op 7 augustus 2018 en 16 juli 2019. In dit verband verwijst hij met name naar het met redenen omklede voorstel op grond van artikel 7, lid 1, VEU van de Europese Commissie inzake de rechtsstaat in Polen van 20 december 2017 [COM(2017) 835 final] en naar de recente rechtspraak van het Hof over dit onderwerp.
15
In deze context vraagt het Landgericht Aachen zich af of het, met het oog op de erkenning en de tenuitvoerlegging in Duitsland van de aan M. D. in Polen opgelegde vrijheidsstraf, zelf moet bepalen of het justitiële apparaat van deze lidstaat op 7 augustus 2018 en 16 juli 2019 gebrekkig was en of het grondrecht van de betrokkene op een eerlijk proces is geschonden, dan wel of het aan het Hof staat om dit te doen teneinde verschillen tussen de lidstaten van de Unie te voorkomen. Ten gronde is deze rechter van oordeel dat het niet duidelijk is dat de oplossing van het Hof in zijn arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C-216/18 PPU, EU:C:2018:586), met betrekking tot kaderbesluit 2002/584, kan worden toegepast op kaderbesluit 2008/909 bij gebreke aan een equivalent in dit laatste kaderbesluit van overweging 10 van kaderbesluit 2002/584 en gelet op de oplossing die door het Hof is gekozen in zijn arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456).
16
Het Landgericht Aachen vraagt zich ook af wat moet worden gedaan wanneer op de datum van de beslissing of de beslissingen waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, de situatie op het gebied van de rechtsstaat in de uitvaardigende lidstaat bevredigend was, maar vervolgens ongunstig is veranderd, zodat dit niet meer het geval is op het tijdstip waarop de rechter van de tenuitvoerleggingsstaat zich moet uitspreken over de erkenning en tenuitvoerlegging van het veroordelend vonnis.
17
In deze omstandigheden heeft het Landgericht Aachen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Kan de rechter van de tenuitvoerleggingslidstaat die is aangezocht om uitspraak te doen over de verklaring van uitvoerbaarheid, op grond van artikel 3, lid 4, van [kaderbesluit 2008/909] juncto artikel 47, tweede alinea, van het [Handvest] weigeren om het vonnis van een andere lidstaat te erkennen en om de bij dat vonnis opgelegde sanctie ten uitvoer te leggen overeenkomstig artikel 8 van dit kaderbesluit, wanneer er aanwijzingen bestaan dat de omstandigheden in die lidstaat ten tijde van de vaststelling van de ten uitvoer te leggen beslissing of de daarmee samenhangende latere beslissingen onverenigbaar zijn met het grondrecht op een eerlijk proces, omdat het justitiële apparaat zelf in die lidstaat niet langer volgens het in artikel 2 VEU verankerde beginsel van de rechtsstaat functioneert?
- 2)
Kan de rechter van de tenuitvoerleggingslidstaat die is aangezocht om uitspraak te doen over de verklaring van uitvoerbaarheid, op grond van artikel 3, lid 4, van kaderbesluit 2008/909 juncto het in artikel 2 VEU verankerde beginsel van de rechtsstaat weigeren om het vonnis van een andere lidstaat te erkennen en de bij dat vonnis opgelegde sanctie ten uitvoer te leggen overeenkomstig artikel 8 van dit kaderbesluit, wanneer er aanwijzingen bestaan dat het justitiële apparaat in die lidstaat ten tijde van de uitspraak over de verklaring van uitvoerbaarheid niet langer volgens het in artikel 2 VEU verankerde beginsel van de rechtsstaat functioneert?
- 3)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
Moet — vooraleer de erkenning van een vonnis van een rechter van een andere lidstaat en de tenuitvoerlegging van de bij dat vonnis opgelegde sanctie onder verwijzing naar artikel 3, lid 4, van kaderbesluit 2008/909 juncto artikel 47, tweede alinea, van het [Handvest] wordt geweigerd op grond dat er aanwijzingen bestaan dat de omstandigheden in deze lidstaat onverenigbaar zijn met het grondrecht op een eerlijk proces, omdat het justitiële apparaat zelf in die lidstaat niet langer volgens het beginsel van de rechtsstaat functioneert — in een tweede fase worden nagegaan of met name de veroordeelde(n) in de betrokken procedure nadelige gevolgen heeft (hebben) ondervonden van de met het grondrecht op een eerlijk proces onverenigbare omstandigheden?
- 4)
Indien de eerste en/of de tweede vraag ontkennend worden/wordt beantwoord in die zin dat het niet aan de rechterlijke instanties van de lidstaten, maar aan het Hof […] staat om te beslissen of de omstandigheden in een lidstaat onverenigbaar zijn met het grondrecht op een eerlijk proces omdat het justitiële apparaat zelf in deze lidstaat niet langer volgens het beginsel van de rechtsstaat functioneert:
Was het justitiële apparaat in de Republiek Polen op 7 augustus 2018 en/of op 16 juli 2019 gebaseerd op het beginsel van de rechtsstaat als bedoeld in artikel 2 VEU, en is het thans gebaseerd op dit beginsel?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste tot en met derde vraag
18
Met zijn eerste tot en met derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 4, en artikel 8 van kaderbesluit 2008/909 aldus moeten worden uitgelegd dat de rechter van de uitvoerende lidstaat op eigen initiatief kan weigeren de door een rechter van een andere lidstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling te erkennen en ten uitvoer te leggen wanneer hij beschikt over gegevens die wijzen op structurele of fundamentele gebreken in verband met het recht op een eerlijk proces in die lidstaat en, meer in het algemeen, het functioneren van het justitiële apparaat en de eerbiediging van de rechtsstaat. Indien dat het geval is, wenst de verwijzende rechter te vernemen op welk tijdstip hij moet beoordelen of er sprake is van dergelijke structurele of fundamentele gebreken en of hij zich er ook van moet vergewissen dat deze gebreken concrete gevolgen hebben gehad voor de situatie van de gevonniste persoon.
19
Net als kaderbesluit 2002/584 geeft kaderbesluit 2008/909 op strafrechtelijk gebied invulling aan de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning, die met name wat de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht betreft, vereisen dat elke lidstaat, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat de andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen [zie in die zin arresten van 10 november 2016, Poltorak, C-452/16 PPU, EU:C:2016:858, punt 26, en 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 40]. Zoals in overweging 5 van kaderbesluit 2008/909 wordt benadrukt, breidt dit besluit de justitiële samenwerking uit op het gebied van de erkenning en tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen wanneer EU-onderdanen in een andere lidstaat zijn veroordeeld tot vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen, ter bevordering van hun reclassering.
20
Daartoe bepaalt artikel 8 van kaderbesluit 2008/909 dat de uitvoerende autoriteit in beginsel moet instemmen met het verzoek tot erkenning van een vonnis en tot tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat opgelegde vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, dat haar overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van dat kaderbesluit is toegezonden. Zij kan in beginsel slechts weigeren gevolg te geven aan een dergelijk verzoek op grond van de in artikel 9 van dit kaderbesluit limitatief opgesomde gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging.
21
Het Hof heeft evenwel erkend dat de beginselen van wederzijdse erkenning en wederzijds vertrouwen in uitzonderlijke omstandigheden kunnen worden beperkt (arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C-404/15 en C-659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22
Dit is onder bepaalde voorwaarden het geval op het door kaderbesluit 2002/584 geregelde gebied wanneer er voor een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd in geval van overlevering aan de uitvaardigende lidstaat een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. Om tot deze oplossing te komen heeft het Hof zich ten eerste gebaseerd op artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584, dat bepaalt dat dit besluit niet tot gevolg kan hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals deze zijn neergelegd in artikel 6 VEU, wordt aangetast, en op het absolute karakter van het door artikel 4 van het Handvest gewaarborgde grondrecht (zie in die zin arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C-404/15 en C-659/15 PPU, EU:C:2016:198, punten 83 en 84).
23
Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de uitvoerende autoriteit er bij wijze van uitzondering ook van kan afzien gevolg te geven aan een Europees aanhoudingsbevel wanneer de gezochte persoon bij de overlevering aan een reëel gevaar van schending van zijn in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest neergelegde grondrecht op een eerlijk proces kan worden blootgesteld, aangezien dit grondrecht voor de bescherming van alle door de justitiabelen aan het Unierecht ontleende rechten en voor het behoud van de in artikel 2 VEU genoemde waarden die de lidstaten gemeen hebben, met name de waarde van de rechtsstaat, van het grootste belang is [zie in die zin arresten van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C-216/18 PPU, EU:C:2018:586, punten 48 en 59, en 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, EU:C:2022:100, punten 45 en 46].
24
De verwijzende rechter vraagt zich af of een dergelijke oplossing kan worden toegepast in het geval van een verzoek, niet tot overlevering aan de uitvaardigende autoriteiten van een persoon tegen wie op grond van kaderbesluit 2002/584 een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, maar tot erkenning van een vonnis en tenuitvoerlegging in de tenuitvoerleggingsstaat van een in een andere lidstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling, wanneer er aanwijzingen bestaan dat de omstandigheden in die lidstaat ten tijde van de vaststelling van de ten uitvoer te leggen beslissing of de daarmee samenhangende latere beslissingen onverenigbaar zijn met het in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest neergelegde grondrecht op een eerlijk proces.
25
In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 3, lid 4, van kaderbesluit 2008/909 bepaalt dat dit kaderbesluit niet tot gevolg kan hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die is neergelegd in artikel 6 VEU, wordt aangetast.
26
Bovendien staat in overweging 13 van dit kaderbesluit te lezen dat dit kaderbesluit ‘de grondrechten [eerbiedigt] en voldoet aan de beginselen die worden erkend in artikel 6 [VEU] en zijn weergegeven in het Handvest […], met name in hoofdstuk VI’, waaronder het in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest neergelegde recht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Deze overweging preciseert in het bijzonder dat ‘niets in [kaderbesluit 2008/909] eraan in de weg [staat] dat de tenuitvoerlegging van een vonnis kan worden geweigerd, indien er objectieve redenen bestaan om aan te nemen dat de sanctie aan de betrokkene is opgelegd op grond van zijn geslacht, ras, godsdienst, etnische afstamming, nationaliteit, taal, politieke overtuiging of seksuele geaardheid, of dat de positie van die persoon op een van deze gronden kan worden aangetast’.
27
Hieruit volgt dat kaderbesluit 2008/909, net als kaderbesluit 2002/584, aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat in uitzonderlijke omstandigheden de erkenning en tenuitvoerlegging van een in de uitvaardigende lidstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling kan weigeren wanneer zij beschikt over gegevens die melding maken van structurele of fundamentele gebreken die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in die lidstaat kunnen aantasten en dus het grondrecht van de betrokkene op een eerlijk proces in de kern kunnen aantasten.
28
Specifiek in antwoord op de vragen van de verwijzende rechter over de voorwaarden waaronder de tenuitvoerlegging van een op grond van kaderbesluit 2008/909 ingediend verzoek kan worden geweigerd in geval van structurele en fundamentele schendingen van het recht op een eerlijk proces in de uitvaardigende lidstaat, moet worden gesteld dat de mogelijkheid om de erkenning van een vonnis en de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke veroordeling op grond van artikel 3, lid 4, van kaderbesluit 2008/909 te weigeren wegens het gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces, vereist dat de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat een tweestappentoets uitvoert.
29
In een eerste fase staat het aan die autoriteit om te bepalen of er objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens bestaan om aan te tonen dat er een reëel gevaar bestaat dat het door deze bepaling gewaarborgde grondrecht in de uitvaardigende lidstaat zal worden geschonden wegens structurele of fundamentele gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in die lidstaat [zie naar analogie arrest van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
30
Indien dat het geval is, moet de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat in een tweede fase concreet en nauwkeurig nagaan in hoeverre de tekortkomingen die in de eerste fase zijn vastgesteld gevolgen kunnen hebben gehad op de werking van de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat die bevoegd zijn om kennis te nemen van de procedures waaraan de betrokkene werd onderworpen, en of er sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat een dergelijk risico zich in casu daadwerkelijk heeft voorgedaan, gelet op de persoonlijke situatie van de betrokkene, de aard van het strafbare feit waarvoor hij is berecht en de feitelijke context van de veroordeling waarvan om erkenning en tenuitvoerlegging wordt verzocht, alsmede, in voorkomend geval, de door deze lidstaat krachtens dit kaderbesluit verstrekte aanvullende gegevens [zie naar analogie arrest van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
31
Dat kaderbesluit 2008/909 geen equivalent bevat van overweging 10 van kaderbesluit 2002/584 — volgens welke de toepassing van het Europees aanhoudingsbevel slechts kan worden opgeschort in geval van een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van de in artikel 6, lid 1, VEU neergelegde beginselen, welke schending door de Raad van de Europese Unie is geconstateerd overeenkomstig artikel 7, lid 1, VEU, dat betrekking heeft op de mogelijkheid de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel ten aanzien van een lidstaat op algemene wijze op te schorten — doet in dit verband niet af aan de noodzaak voor de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat om de in het vorige punt beschreven verificaties per geval te verrichten.
32
Het door de verwijzende rechter aangevoerde arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456), had dan weer betrekking op de vraag of de autoriteiten van een openbaar ministerie onder het begrip ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van kaderbesluit 2002/584 vielen. Deze vraag houdt geen rechtstreeks verband met de in de onderhavige zaak gestelde vraag. Uit dat arrest kan hoe dan ook niet worden afgeleid dat structurele of fundamentele gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in de uitvaardigende lidstaat volstaan om de tenuitvoerleggingsstaat ervan te ontheffen om op grond van kaderbesluit 2008/909 vonnissen te erkennen en strafrechtelijke sancties ten uitvoer te leggen die door de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat zijn uitgesproken [zie naar analogie arrest van 17 december 2020, Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit), C-354/20 PPU en C-412/20 PPU, EU:C:2020:1033, punt 50].
33
Er zij immers aan herinnerd dat het bestaan van dergelijke structurele of fundamentele gebreken niet noodzakelijkerwijs van invloed is op alle beslissingen die de rechterlijke instanties van die lidstaat in elk afzonderlijk geval nemen [zie in die zin arrest van 17 december 2020, Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit), C-354/20 PPU en C-412/20 PPU, EU:C:2020:1033, punten 41 en 42].
34
De bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat toelaten om op eigen initiatief de regeling van kaderbesluit 2008/909 op te schorten door in beginsel te weigeren gevolg te geven aan alle verzoeken tot erkenning van vonnissen en tot tenuitvoerlegging van strafrechtelijke veroordelingen die uitgaan van de lidstaat waarop die gebreken betrekking hebben, zou afbreuk doen aan de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning die aan dit kaderbesluit ten grondslag liggen [zie naar analogie arrest van 17 december 2020, Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit), C-354/20 PPU en C-412/20 PPU, EU:C:2020:1033, punt 43].
35
Bovendien staat het, anders dan de verwijzende rechter suggereert, niet aan het Hof maar aan deze rechter om te beoordelen of het door de betrokkene aangevoerde bewijs een grond bevat om de erkenning en tenuitvoerlegging van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde strafrechtelijke veroordeling te weigeren, met dien verstande evenwel dat volgens de rechtspraak van het Hof de mogelijkheid van een dergelijke weigering een uitzondering vormt die strikt moet worden uitgelegd [zie naar analogie beschikking van 12 juli 2022, Minister for Justice and Equality (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat — II), C-480/21, EU:C:2022:592, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
36
Wat het tijdstip betreft waarop de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat dit dient te beoordelen, moet voorts worden gepreciseerd dat bij een onder kaderbesluit 2008/909 vallend verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging in een lidstaat van een in een andere lidstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling, voor het onderzoek of er sprake is van structurele of fundamentele gebreken in het gerechtelijk apparaat van de uitvaardigende lidstaat, met name met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties, noodzakelijkerwijs moet worden uitgegaan van de situatie in die lidstaat ten tijde van die veroordeling. Bij deze beoordeling kan rekening worden gehouden met de ontwikkelingen van deze situatie tot dat tijdstip. Daarentegen moet in beginsel geen rekening worden gehouden met de ontwikkelingen van die situatie na dat tijdstip.
37
Die toets heeft namelijk tot doel de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat in staat te stellen om op basis van het door de betrokkene overgelegde bewijs te beoordelen of dergelijke structurele of fundamentele gebreken concrete gevolgen kunnen hebben gehad voor de strafprocedure die tegen die persoon is ingesteld en die tot zijn veroordeling heeft geleid [zie naar analogie beschikking van 12 juli 2022, Minister for Justice and Equality (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat — II), C-480/21, EU:C:2022:592, punt 41].
38
Hieruit volgt dat het aan de verwijzende rechter staat om zich op het tijdstip van de veroordeling te plaatsen om zowel het bestaan van structurele of fundamentele gebreken in de uitvaardigende lidstaat als de concrete gevolgen ervan voor de situatie van de veroordeelde persoon te beoordelen.
39
Daarentegen hoeft niet te worden onderzocht of de rechtsstaat in de uitvaardigende lidstaat al dan niet wordt geëerbiedigd op het tijdstip waarop de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat moet beslissen over het verzoek tot erkenning van een vonnis en tot tenuitvoerlegging van een in de uitvaardigende lidstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling, aangezien het doel van deze procedure juist is dat de betrokkene niet aan de autoriteiten van laatstgenoemde lidstaat moet worden overgeleverd, maar in de uitvoerende lidstaat blijft om daar zijn straf te ondergaan.
40
Hetzelfde geldt voor de situatie in de uitvaardigende lidstaat op de datum waarop de opschorting van de tenuitvoerlegging is herroepen, wanneer die herroeping is uitgesproken wegens schending van een objectieve voorwaarde die in voorkomend geval aan de oorspronkelijke straf was verbonden, aangezien een dergelijke herroeping een eenvoudige uitvoeringsmaatregel vormt die noch de aard noch de maat van de straf wijzigt [zie in die zin arrest van 23 maart 2023, Minister for Justice and Equality (Opheffing van opschorting), C-514/21 en C-515/21, EU:C:2023:235, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
41
Indien de herroeping van de opschorting het gevolg is van een nieuwe strafrechtelijke veroordeling, hetgeen de verwijzende rechter in het hoofdgeding dient na te gaan, staat het evenwel aan de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat om de situatie te beoordelen die zich voordeed in de uitvaardigende lidstaat tot op het tijdstip van de nieuwe veroordeling waarvan de uitspraak tot die herroeping heeft geleid, en dus het verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van de oorspronkelijke straf mogelijk heeft gemaakt [zie naar analogie arrest van 23 maart 2023, Minister for Justice and Equality (Opheffing van opschorting), C-514/21 en C-515/21, EU:C:2023:235, punt 67].
42
Gelet op een en ander dient op de eerste tot en met de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 4, en artikel 8 van kaderbesluit 2008/909 aldus moeten worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat kan weigeren de door een rechter van een andere lidstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling te erkennen en ten uitvoer te leggen wanneer zij beschikt over gegevens waaruit blijkt dat het recht op een eerlijk proces in die lidstaat ernstige of structurele tekortkomingen vertoont, met name wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties betreft, en er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat deze gebreken concrete gevolgen kunnen hebben gehad voor de tegen de betrokkene ingestelde strafprocedure. Het staat aan de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat om de situatie te beoordelen die zich in de uitvaardigende lidstaat voordeed tot op het tijdstip van de strafrechtelijke veroordeling waarvoor om erkenning en tenuitvoerlegging wordt verzocht, alsmede, in voorkomend geval, het tijdstip van de nieuwe veroordeling die heeft geleid tot de herroeping van de opschorting die oorspronkelijk was verbonden aan de straf waarvan om tenuitvoerlegging wordt verzocht.
Vierde vraag
43
Gelet op het antwoord op de eerste tot en met de derde vraag, hoeft de vierde vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
44
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3, lid 4, en artikel 8 van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009,
moeten aldus worden uitgelegd dat
de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat kan weigeren de door een rechter van een andere lidstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling te erkennen en ten uitvoer te leggen wanneer zij beschikt over gegevens waaruit blijkt dat het recht op een eerlijk proces in die lidstaat ernstige of structurele tekortkomingen vertoont, met name wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties betreft, en er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat deze gebreken concrete gevolgen kunnen hebben gehad voor de tegen de betrokkene ingestelde strafprocedure. Het staat aan de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat om de situatie te beoordelen die zich in de uitvaardigende lidstaat voordeed tot op het tijdstip van de strafrechtelijke veroordeling waarvoor om erkenning en tenuitvoerlegging wordt verzocht, alsmede, in voorkomend geval, het tijdstip van de nieuwe veroordeling die heeft geleid tot de herroeping van de opschorting die oorspronkelijk was verbonden aan de straf waarvan om tenuitvoerlegging wordt verzocht.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑11‑2023
Conclusie 04‑05‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Kaderbesluit 2008/909/JBZ — Justitiële samenwerking in strafzaken — Vrijheidsstraf die is opgelegd in een lidstaat waar het justitiële apparaat naar het oordeel van de rechter van de uitvoerende lidstaat niet langer het recht op een eerlijk proces garandeert — Mogelijkheid om de tenuitvoerlegging van een buitenlands vonnis te weigeren
N. Emiliou
Partij(en)
Zaak C-819/211.
Staatsanwaltschaft Aachen
in tegenwoordigheid van:
MD
[verzoek van het Landgericht Aachen (rechter in eerste aanleg Aken, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
MD, Pools staatsburger, is door de Sąd Rejonowy Szczecin-PrawobrzeŻe (rechter in eerste aanleg Szczecin-PrawobrzeŻe, Polen) veroordeeld tot een vrijheidsstraf van zes maanden. De aanvankelijke opschorting van die straf is vervolgens door die rechter herroepen en de Sąd Okregowy Szczecin (rechter in tweede aanleg Szczecin, Polen) heeft met het oog op de tenuitvoerlegging ervan een Europees aanhoudingsbevel (hierna: ‘EAB’) uitgevaardigd, op basis waarvan MD in Duitsland is aangehouden. De tenuitvoerlegging van dit EAB is echter door de Duitse autoriteiten geweigerd op grond dat MD zijn gewone verblijfplaats in Duitsland had. Daarom heeft de bevoegde Poolse rechter de Duitse autoriteiten verzocht de aan MD opgelegde straf overeenkomstig de regeling van kaderbesluit 2008/909/JBZ2. ten uitvoer te leggen.
2.
Het Landgericht Aachen (rechter in eerste aanleg Aken, Duitsland), de verwijzende rechter in de onderhavige zaak, wenst te vernemen of het een dergelijk verzoek mag afwijzen, gelet op de situatie die is ontstaan als gevolg van de omstreden hervormingen van de rechterlijke macht in Polen, die aanleiding hebben gegeven tot verschillende arresten van het Hof. Door deze situatie betwijfelt de verwijzende rechter of MD's recht op een eerlijk proces kan worden geacht te zijn gewaarborgd in een context waarin volgens de verwijzende rechter de rechtsstaat en het vereiste van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van deze lidstaat door fundamentele gebreken worden aangetast.
3.
De verwijzende rechter vraagt meer bepaald of de rechtspraak van het Hof in verband met het EAB-kaderbesluit3., volgens welke de tenuitvoerlegging van een dergelijk bevel bij wijze van uitzondering kan worden geweigerd buiten de uitdrukkelijk in dat kaderbesluit genoemde gronden, van toepassing is op de bij kaderbesluit 2008/909 ingevoerde regeling inzake wederzijdse erkenning, wanneer na een tweestappentoets (waarvan de aard in deze conclusie zal worden toegelicht en besproken) blijkt dat een dergelijke tenuitvoerlegging een reëel gevaar van schending van het in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) gewaarborgde grondrecht op een eerlijk proces meebrengt.4. In dit opzicht wenst de verwijzende rechter duidelijkheid over de voorwaarden waaronder een dergelijke toets moet worden verricht en over het juiste tijdstip ten aanzien waarvan deze moet worden verricht.
II. Toepasselijke bepalingen
4.
In artikel 47, tweede alinea, eerste volzin, van het Handvest is bepaald dat ‘[e]enieder […] recht [heeft] op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld’.
5.
Artikel 3, lid 4, van kaderbesluit 2008/909 bepaalt dat dit kaderbesluit ‘niet tot gevolg [kan] hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die is neergelegd in artikel 6 [VEU], wordt aangetast’.
6.
Artikel 4, lid 1, onder a) tot en met c), van dit kaderbesluit noemt drie verschillende categorieën van tenuitvoerleggingslidstaten waaraan een verzoek tot erkenning van een vonnis en tenuitvoerlegging van een sanctie kan worden toegezonden. Deze zijn a) de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is en waar hij zijn woonplaats heeft, b) de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is, maar waar hij niet zijn woonplaats heeft, en waarheen hij, na zijn invrijheidstelling, zal worden uitgewezen als gevolg van een bevel tot uitzetting of verwijdering dat deel uitmaakt van het vonnis of van een gerechtelijke of bestuurlijke beschikking of een andere ingevolge het vonnis getroffen maatregel, of c) een andere dan de onder a) of b) bedoelde lidstaten, waarvan de bevoegde autoriteit erin toestemt dat hem het vonnis en het certificaat worden toegezonden.
7.
Artikel 8, lid 1, bepaalt dat ‘[d]e bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat […] een overeenkomstig artikel 4 en volgens de procedure van artikel 5 toegezonden vonnis [erkent] en […] onverwijld de maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de sanctie [neemt], tenzij zij zich beroept op een van de in artikel 9 genoemde gronden tot weigering van de erkenning en de tenuitvoerlegging’.
8.
In artikel 9, lid 1, onder a) tot en met l), van kaderbesluit 2008/909 zijn de gronden opgesomd die ‘de bevoegde autoriteit van de [tenuitvoerleggingslidstaat] [toestaan om] de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie [te] weigeren’.
III. Feiten, nationale procedure en prejudiciële vragen
9.
MD, Pools staatsburger, heeft zijn gewone verblijfplaats in Duitsland. Op 7 augustus 2018 heeft de Sąd Rejonowy Szczecin-PrawobrzeŻe hem veroordeeld tot een vrijheidsstraf van zes maanden en de tenuitvoerlegging van die straf met oplegging van een proeftijd opgeschort (hierna: ‘oorspronkelijk vonnis’). MD was niet bij de terechtzitting aanwezig.
10.
Bij beschikking van 16 juli 2019 heeft die rechter de opschorting herroepen en de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf gelast.
11.
Op 17 december 2020 heeft de Generalstaatsanwaltschaft Köln (bureau van de procureur-generaal Keulen, Duitsland) besloten om het EAB van de Sąd Okregowy Szczecin niet ten uitvoer te leggen, op grond dat MD zijn gewone verblijfplaats in Duitsland had en dat hij zich tegen overlevering aan de Poolse autoriteiten had verzet.5.
12.
Op 26 januari 2021 heeft de Sąd Okregowy Szczecin aan de Generalstaatsanwaltschaft Berlin (bureau van de procureur-generaal Berlijn, Duitsland) een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het oorspronkelijke vonnis toegezonden, vergezeld van het in artikel 4 van kaderbesluit 2008/909 bedoelde certificaat, met het oog op de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf. Deze documenten werden doorgezonden aan de territoriaal bevoegde Staatsanwaltschaft Aachen (openbaar ministerie Aken, Duitsland; hierna: ‘OM Aken’).
13.
Na MD te hebben gehoord en te hebben geoordeeld dat de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van de betrokken vrijheidsstraf waren vervuld, heeft het OM Aken het Landgericht Aachen verzocht om het oorspronkelijke vonnis, in samenhang met het bevel tot herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van de straf, ten uitvoer te leggen en een vrijheidsstraf van zes maanden op te leggen.
14.
De verwijzende rechter vraagt zich evenwel af of hij de erkenning van de betrokken rechterlijke beslissingen en de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf mag weigeren, gelet op het feit dat objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de situatie van de rechterlijke macht in Polen er zijns inziens op wijzen dat de omstandigheden op het tijdstip waarop het oorspronkelijke vonnis werd gewezen en op het tijdstip waarop de intrekking van de proeftijd werd gelast, onverenigbaar waren (en nog steeds zijn) met het in artikel 2 VEU vastgelegde beginsel van de rechtsstaat en het vereiste van rechterlijke onafhankelijkheid, dat de kern vormt van MD's grondrecht op een eerlijk proces krachtens artikel 47, tweede alinea, van het Handvest.
15.
In dit verband beroept de verwijzende rechter zich op het voorstel van de Commissie betreffende de constatering van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending, door de Republiek Polen, van de rechtsstaat6. en op de rechtspraak van het Hof7., van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van de nationale rechterlijke instanties over de onafhankelijkheid van de Poolse rechterlijke macht. Ook wijst hij op verschillende situaties waarin de Poolse autoriteiten zich niet gebonden hebben geacht door de voorrang van het Unierecht.
16.
In deze omstandigheden heeft het Landgericht Aachen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Kan de rechter van de tenuitvoerleggingslidstaat die is aangezocht om uitspraak te doen over de verklaring van uitvoerbaarheid, op grond van artikel 3, lid 4, van [kaderbesluit 2008/909] juncto artikel 47, tweede alinea, van het [Handvest] weigeren om het vonnis van een andere lidstaat te erkennen en om de bij dat vonnis opgelegde sanctie ten uitvoer te leggen overeenkomstig artikel 8 van [kaderbesluit 2008/909], wanneer er aanwijzingen bestaan dat de omstandigheden in die lidstaat ten tijde van de vaststelling van de ten uitvoer te leggen beslissing of de daarmee samenhangende latere beslissingen onverenigbaar zijn met het grondrecht op een eerlijk proces, omdat het justitiële apparaat zelf in die lidstaat niet langer volgens het in artikel 2 VEU verankerde beginsel van de rechtsstaat functioneert?
- 2)
Kan de rechter van de tenuitvoerleggingslidstaat die is aangezocht om uitspraak te doen over de verklaring van uitvoerbaarheid, op grond van artikel 3, lid 4, van [kaderbesluit 2008/909] juncto het in artikel 2 VEU verankerde beginsel van de rechtsstaat weigeren om het vonnis van een andere lidstaat te erkennen en de bij dat vonnis opgelegde sanctie ten uitvoer te leggen overeenkomstig artikel 8 van [kaderbesluit 2008/909], wanneer er aanwijzingen bestaan dat het justitiële apparaat in die lidstaat ten tijde van de uitspraak over de verklaring van uitvoerbaarheid niet langer volgens het in artikel 2 VEU verankerde beginsel van de rechtsstaat functioneert?
- 3)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
Moet — vooraleer de erkenning van een vonnis van een rechter van een andere lidstaat en de tenuitvoerlegging van de bij dat vonnis opgelegde sanctie onder verwijzing naar artikel 3, lid 4, van [kaderbesluit 2008/909] juncto artikel 47, tweede alinea, van het [Handvest] wordt geweigerd op grond dat er aanwijzingen bestaan dat de omstandigheden in deze lidstaat onverenigbaar zijn met het grondrecht op een eerlijk proces, omdat het justitiële apparaat zelf in die lidstaat niet langer volgens het beginsel van de rechtsstaat functioneert — in een tweede fase worden nagegaan of met name de veroordeelde(n) in de betrokken procedure nadelige gevolgen heeft (hebben) ondervonden van de met het grondrecht op een eerlijk proces onverenigbare omstandigheden?
- 4)
Indien de eerste en/of de tweede vraag ontkennend worden/wordt beantwoord in die zin dat het niet aan de rechterlijke instanties van de lidstaten, maar aan het Hof van Justitie van de Europese Unie staat om te beslissen of de omstandigheden in een lidstaat onverenigbaar zijn met het grondrecht op een eerlijk proces omdat het justitiële apparaat zelf in deze lidstaat niet langer volgens het beginsel van de rechtsstaat functioneert:
Was het justitiële apparaat in de Republiek Polen op 7 augustus 2018 en/of op 16 juli 2019 gebaseerd op het beginsel van de rechtsstaat als bedoeld in artikel 2 VEU, en is het thans gebaseerd op dit beginsel?’
17.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door de Nederlandse en de Poolse regering, alsook door de Europese Commissie. De interveniërende partijen hebben ook geantwoord op de door het Hof aan hen gestelde vraag.
IV. Analyse
18.
Met zijn vier vragen wenst de verwijzende rechter te vernemen of en onder welke omstandigheden hij bij wijze van uitzondering mag weigeren om een vonnis te erkennen dat hem op grond van het bij kaderbesluit 2008/909 ingevoerde stelsel is toegezonden met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, buiten de uitdrukkelijke gronden die daartoe in dit instrument zijn opgenomen, wanneer de toepassing van dit stelsel in wezen zou leiden tot vergoelijking van een eerdere schending van het recht op een eerlijk proces. Deze schending vloeit volgens de verwijzende rechter voort uit de fundamentele gebreken die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat aantasten, waardoor dit recht niet naar behoren kan worden gewaarborgd.
19.
Ik zal mijn analyse beginnen met inleidende opmerkingen over de context en de inhoud van de verwijzingsbeslissing (A). Vervolgens zal ik de gestelde vragen onderzoeken door eerst in te gaan op de door het Hof in de context van het EAB-kaderbesluit ontwikkelde ongeschreven grond op basis waarvan bij wijze van uitzondering kan worden geweigerd een EAB ten uitvoer te leggen, welke grond als inspiratiebron heeft gediend voor de onderhavige verwijzing, die specifiek betrekking heeft op kaderbesluit 2008/909 (B). Daarna zal ik beoordelen of en in hoeverre deze ongeschreven grond ook kan worden toegepast op dit instrument, dat een ander middel van justitiële samenwerking in strafzaken binnen de Europese Unie vormt. Met betrekking tot dit instrument komt deze kwestie voor het eerst voor het Hof (C). Ten slotte zal ik ingaan op de vraag wat het juiste tijdstip is ten aanzien waarvan deze ongeschreven grond voor uitzonderijke weigering moet worden toegepast (D).
A. Inleidende opmerkingen over de context en de inhoud van de verwijzingsbeslissing
20.
Zoals reeds is opgemerkt, betreft het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing de werking van kaderbesluit 2008/909. Dit instrument behoort tot de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, waarop het beginsel van wederzijdse erkenning van toepassing is, en het berust op het wederzijdse vertrouwen dat de lidstaten moeten hebben in de strafrechtsstelsels van de andere lidstaten.8. Dit wederzijdse vertrouwen vereist kort gezegd dat elke lidstaat aanneemt dat het Unierecht, met inbegrip van de door dat recht gewaarborgde grondrechten, in alle andere lidstaten wordt geëerbiedigd.9.
21.
Uit deze korte opmerkingen volgt dat voor kaderbesluit 2008/909 dezelfde algemene beginselen gelden als, voor zover relevant in de onderhavige zaak, voor het EAB-kaderbesluit.10.
22.
Zoals nader zal worden toegelicht, berust laatstgenoemd kaderbesluit op de verplichting om een EAB ten uitvoer te leggen, onder voorbehoud van enkel de limitatief opgesomde weigeringsgronden. Tegelijkertijd heeft het Hof duidelijk gemaakt dat de tenuitvoerlegging van een EAB de betrokkene niet mag blootstellen aan een reëel gevaar dat bepaalde door het Handvest gewaarborgde grondrechten van de betrokkene worden geschonden, en evenmin, zoals het later heeft geoordeeld, mogen door de toepassing ervan bepaalde inbreuken die reeds hebben plaatsgevonden, worden vergoelijkt. Om te voorkomen dat die situaties werkelijkheid worden, heeft het Hof een aanvullende en ongeschreven grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van een EAB ontwikkeld, die niettemin enkel in uitzonderlijke omstandigheden kan worden toegepast.
23.
Om te bepalen of er van dergelijke omstandigheden sprake is, heeft het Hof een tweestappentoets ontwikkeld, die door de respectieve nationale bevoegde autoriteiten moet worden toegepast. Deze toets vereist kort gezegd dat in een eerste fase wordt nagegaan of er in de uitvaardigende lidstaat sprake is van structurele of fundamentele gebreken die het betrokken grondrecht kunnen aantasten. Is dat het geval, dan moet in een tweede fase van de toets worden nagegaan of deze structurele of fundamentele gebreken een reëel gevaar van schending van het betrokken grondrecht opleveren dan wel dit recht reeds merkbaar hebben aangetast.
24.
Ik begrijp dat de verwijzende rechter als gevolg van de gelijkenis van de beginselen die ten grondslag liggen aan de justitiële samenwerking op grond van het EAB-kaderbesluit enerzijds en kaderbesluit 2008/909 anderzijds heeft willen vragen of de bovengenoemde ongeschreven grond ook in de context van laatstgenoemd kaderbesluit van toepassing is. Tegelijkertijd begrijp ik dat bepaalde verschillen tussen deze instrumenten voor de verwijzende rechter aanleiding zijn om zich af te vragen of deze grond in dat geval onder dezelfde voorwaarden van toepassing is.
25.
Naast de belangrijkste en impliciete vraag over de toepasselijkheid van de ongeschreven grond voor uitzonderlijke weigering om een EAB ten uitvoer te leggen, die in de rechtspraak van het Hof over het EAB-kaderbesluit is ontwikkeld, stelt de verwijzende rechter expliciet of impliciet vier specifieke vragen die als volgt kunnen worden weergegeven.
26.
In de eerste plaats vraagt hij zich af of de tweestappentoets die vereist is voor de betrokken ongeschreven grond voor uitzonderlijke weigering, kan worden beperkt tot de eerste stap, dan wel of ook de tweede stap moet worden uitgevoerd en — alvorens te weigeren het vonnis van de rechter van die andere lidstaat ten uitvoer te leggen — moet worden nagegaan of de vastgestelde gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat MD's grondrecht op een eerlijk proces hebben aangetast (de derde vraag, gelezen in samenhang met de eerste en de tweede vraag).
27.
In de tweede plaats twijfelt de verwijzende rechter in de specifieke omstandigheden van de onderhavige zaak over het tijdstip ten aanzien waarvan deze toets moet worden verricht: gaat het om de datum waarop het oorspronkelijke vonnis tot oplegging van de straf is gewezen of om de datum waarop de opschorting van de tenuitvoerlegging van de straf is herroepen (eerste vraag), dan wel om de datum waarop de uitvoerende autoriteit moet beslissen over de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de straf (tweede vraag)?
28.
Ten slotte twijfelt de verwijzende rechter of de beoordeling van de situatie met betrekking tot de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat een zaak van de nationale rechter is, dan wel een vraag over de ‘uitlegging van de Verdragen’ vormt, waartoe enkel het Hof bevoegd is. In dat laatste geval vraagt de verwijzende rechter zich af of dat justitiële apparaat op de relevante datums was gebaseerd op het beginsel van de rechtsstaat (vierde vraag).
29.
In de volgende delen van deze conclusie zal ik deze vragen gezamenlijk behandelen door om te beginnen in te gaan op ontstaansgeschiedenis van de ongeschreven grond voor uitzonderlijke weigering om een EAB ten uitvoer te leggen en vervolgens op de toepasselijkheid en de voorwaarden voor de toepassing van deze grond op kaderbesluit 2008/909, waaronder, ten slotte, het tijdstip ten aanzien waarvan deze grond moet worden toegepast.
B. Ongeschreven grond voor uitzonderlijke weigering om een EAB ten uitvoer te leggen
30.
Het Hof heeft de ongeschreven grond voor uitzonderlijke weigering om een EAB ten uitvoer te leggen, geïntroduceerd in zijn arrest in de zaak Aranyosi en Căldăraru11., waarin werd aangenomen dat de overlevering van de betrokken personen het gevaar opleverde dat zij zouden worden blootgesteld aan schending van het absolute verbod van onmenselijke of vernederende behandelingen12., gelet op de structurele gebreken in de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat.
31.
In dit verband heeft het Hof eraan herinnerd dat de lidstaten in beginsel verplicht zijn een EAB ten uitvoer te leggen13., behoudens de in de artikelen 3, 4 en 4 bis van het EAB-kaderbesluit limitatief opgesomde gronden tot verplichte en facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging. Geen van de in die bepalingen genoemde gronden was van toepassing op de daar aan de orde zijnde situatie. Het Hof heeft echter geoordeeld dat de tenuitvoerlegging van een EAB in uitzonderlijke omstandigheden ook kan worden geweigerd wanneer er ten eerste sprake is van structurele of fundamentele gebreken die de bescherming van een betrokken grondrecht kunnen aantasten, en er ten tweede zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat de door het EAB betrokken persoon een reëel gevaar loopt dat zijn betrokken grondrecht in geval van overlevering zal worden geschonden.14.
32.
Het Hof heeft de toepassing van deze ongeschreven grond voor uitzonderlijke weigering om een EAB ten uitvoer te leggen, en van de tweestappentoets, die eraan ten grondslag ligt, bevestigd in het arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), in het kader van het in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest verankerde grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk gerecht. Uit dat arrest volgt dat de uitvoerende gerechtelijke autoriteit ervan mag afzien om aan een EAB gevolg te geven wanneer zij ten eerste op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over het functioneren van het gerechtelijk apparaat in de uitvaardigende lidstaat vaststelt dat er, in verband met het feit dat de rechterlijke instanties van die lidstaat niet onafhankelijk zijn wegens structurele of fundamentele gebreken, een reëel gevaar bestaat dat het grondrecht op een eerlijk proces wordt geschonden en wanneer er ten tweede in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat de gezochte persoon dit gevaar na zijn overlevering zal lopen.15.
33.
In de arresten Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit)16. en Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat)17. heeft het Hof bevestigd dat, wanneer de nationale rechter ervan overtuigd is dat aan de eerste voorwaarde van de tweestappentoets is voldaan, hij toch nog tot de tweede stap moet overgaan en de specifieke omstandigheden van de situatie moet beoordelen.
34.
Hoewel de toepassing van de ongeschreven grond voor uitzonderlijke weigering om een EAB ten uitvoer te leggen aanvankelijk werd overwogen in het licht van feitelijke omstandigheden die het relevant maakten om alleen een toekomstige schending van het betrokken grondrecht te onderzoeken (‘reëel gevaar’), heeft het Hof verduidelijkt dat deze grond ook van toepassing is op situaties die het bewijs van schending in het verleden inhouden (wanneer het betrokken EAB is uitgevaardigd met het oog op de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf die is opgelegd in een strafrechtelijke procedure die concreet is beïnvloed door de vastgestelde structurele of fundamentele gebreken in verband met de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat).18.
C. Ongeschreven grond voor uitzonderlijke weigering om een EAB ten uitvoer te leggen en kaderbesluit 2008/909
35.
Alvorens in te gaan op de hoofdvraag of de ongeschreven grond voor uitzonderlijke weigering om een EAB ten uitvoer te leggen ook mutatis mutandis van toepassing is op kaderbesluit 2008/909 (2), ga ik in op de vraag of een dergelijke overweging überhaupt relevant is voor de situatie in het hoofdgeding. Van een dergelijke relevantie zou namelijk uitsluitend sprake zijn indien de verwijzende rechter zich in een situatie bevindt waarin de wettelijke regeling van dat instrument de verplichting oplegt om het vonnis te erkennen en de betrokken sanctie ten uitvoer te leggen (1).
1. Het bestaan van een verplichting tot erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de sanctie
36.
Ik breng in herinnering dat de ongeschreven grond op basis waarvan bij wijze van uitzondering kan worden geweigerd een EAB ten uitvoer te leggen, is ontwikkeld om een reëel gevaar van schending van bepaalde door het Handvest beschermde grondrechten te voorkomen (of om te voorkomen dat een schending achteraf wordt vergoelijkt), hetgeen, indien dat nodig blijkt te zijn, resulteert in een uitzondering op de verplichting om een EAB ten uitvoer te leggen.
37.
Deze grond kan in de context van kaderbesluit 2008/909 dus enkel relevant worden indien wordt vastgesteld dat de uitvoerende autoriteit zich in een situatie bevindt waarin zij verplicht is het haar toegezonden vonnis te erkennen en de bij dit vonnis opgelegde straf ten uitvoer te leggen. Niet alle gevallen die onder dit instrument vallen, leiden evenwel tot een dergelijke verplichting.
38.
Dit instrument maakt namelijk onderscheid tussen verschillende situaties, afhankelijk van de relatie tussen de betrokken gevonniste persoon en de lidstaat waaraan het verzoek tot erkenning is toegezonden.
39.
Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van kaderbesluit 2008/909 kan de uitvaardigende lidstaat een dergelijk verzoek richten tot: a) de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is en waar hij zijn woonplaats heeft; b) de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is, maar waar hij niet zijn woonplaats heeft, en waarheen hij, nadat hij zijn straf heeft uitgezeten, zal worden uitgewezen, of c) elke andere lidstaat ‘waarvan de bevoegde autoriteit erin toestemt dat hem het vonnis en het certificaat worden toegezonden’.
40.
Met andere woorden, terwijl de eerste twee scenario's een verplichting tot erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de betrokken straf scheppen, is het derde scenario ervan afhankelijk of al dan niet toestemming is verleend.19. Bijgevolg brengt dit derde scenario op zich niet de verplichting met zich mee dat een daartoe ingediend verzoek wordt ingewilligd.
41.
De verwijzingsbeslissing bevat informatie waaruit blijkt dat MD onderdaan is van de uitvaardigende lidstaat en woont in de uitvoerende lidstaat. Die informatie lijkt erop te duiden, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, dat hij niet tevens onderdaan van laatstbedoelde lidstaat is. Naar mijn mening is het bij artikel 4, lid 1, van kaderbesluit 2008/909 ingestelde onderscheid evenwel hoe dan ook niet meer relevant wanneer het verzoek tot erkenning is ingediend na een weigering om een EAB ten uitvoer te leggen in de zin van artikel 4, lid 6, van het EAB-kaderbesluit. Volgens deze bepaling kan de uitvoerende lidstaat immers, zoals reeds is opgemerkt, de tenuitvoerlegging van een EAB weigeren indien hij zich ertoe verbindt de betrokken straf zelf ten uitvoer te leggen.20.
42.
Uit het dossier maak ik op dat dit de situatie in het hoofdgeding blijkt te zijn21., die algemeen tot uiting komt in artikel 25 van kaderbesluit 2008/909, op grond waarvan ‘de bepalingen van [dit instrument], voor zover verenigbaar met [het EAB-kaderbesluit], van overeenkomstige toepassing [zijn] op de tenuitvoerlegging van vonnissen in het geval dat een lidstaat zich op grond van artikel 4, lid 6, van [het EAB-kaderbesluit] ertoe verbonden heeft een vonnis ten uitvoer te leggen’.
43.
Indien de uitvoerende lidstaat op grond van artikel 4, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2008/909 de erkenning van een vonnis nog steeds zou mogen weigeren nadat hij op grond van artikel 4, lid 6, van het EAB-kaderbesluit de tenuitvoerlegging van een EAB heeft geweigerd, zou dat naar mijn mening leiden tot een situatie die onverenigbaar is met laatstgenoemd instrument.22. Derhalve ben ik van mening dat, wanneer het verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging in die specifieke context wordt gedaan, er geen discretionaire ruimte is, ook al zou de betrokken situatie anders wel onder het scenario van discretionaire bevoegdheid van artikel 4, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2008/909 vallen.23.
44.
In deze omstandigheden moet nader worden onderzocht of en onder welke voorwaarden de bovenbedoelde ongeschreven grond voor uitzonderlijke weigering op dit instrument van toepassing is.
2. Toepasselijkheid op kaderbesluit 2008/909 van de ongeschreven grond voor uitzonderlijke weigering om een EAB ten uitvoer te leggen
45.
Om te beoordelen of de ongeschreven grond tot weigering van toepassing is op kaderbesluit 2008/909, herinner ik ten eerste aan mijn eerdere opmerking dat dit kaderbesluit, net zoals het EAB-kaderbesluit, een instrument is binnen de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.
46.
Ten tweede, zoals reeds is opgemerkt, berust dit besluit, net zoals het EAB-kaderbesluit, op het beginsel van wederzijdse erkenning, dat op zijn beurt voortvloeit uit het wederzijdse vertrouwen dat de lidstaten in elkaars rechtsstelsels moeten hebben. Dat wederzijdse vertrouwen vereist dat de lidstaten, behoudens in uitzonderlijke omstandigheden, aannemen dat alle andere lidstaten het Unierecht en de door het Unierecht erkende grondrechten eerbiedigen.24.
47.
Ten derde moet om die reden, wanneer dat instrument de uitvoerende autoriteit een verplichting oplegt om een vonnis te erkennen en een sanctie ten uitvoer te leggen, een verzoek daartoe op grond van artikel 8, lid 1, van kaderbesluit 2008/909 in de regel worden ingewilligd, tenzij er sprake is van een van de in artikel 9, lid 1, van dit instrument limitatief opgesomde weigeringsgronden.25. Ik begrijp dat geen van die gronden in het hoofdgeding van toepassing is.26.
48.
Zoals eerder in herinnering is gebracht, komt wederzijds vertrouwen echter niet neer op blind vertrouwen.27. Het Unierecht moet steeds in overeenstemming met het Handvest worden uitgelegd, teneinde situaties te vermijden waarin de toepassing van het Unierecht zou leiden tot een reëel gevaar van schending van de in het Handvest gewaarborgde grondrechten of, zoals in casu relevant is, waarin de toepassing van het Unierecht bepaalde situaties waarin een dergelijke schending reeds heeft plaatsgevonden, zou vergoelijken. Dit idee is vervat in de bepaling inzake de ‘grondrechten’ in artikel 3, lid 4, van kaderbesluit 2008/909, waarin, net zoals in artikel 1, lid 3, van het EAB-kaderbesluit, wordt bepaald dat dit kaderbesluit niet tot gevolg kan hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die is vastgelegd in artikel 6 VEU, wordt aangetast.28.
49.
Uit de in het vorige deel van deze conclusie genoemde rechtspraak van het Hof vloeit voort dat, indien de tenuitvoerlegging van een EAB zou leiden tot de uitvoering van een straf die is uitgesproken in een strafprocedure die is aangetast door structurele of fundamentele gebreken in verband met de onafhankelijkheid van het gerechtelijk apparaat van de uitvaardigende lidstaat, die om die reden een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van die strafzaak, dit tot gevolg zou hebben dat een schending van het recht op een eerlijk proces van de betrokkene wordt vergoelijkt.29.
50.
Aangezien kaderbesluit 2008/909 en het EAB-kaderbesluit zijn gebaseerd op dezelfde onderliggende grondslag van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning die tot een daadwerkelijke tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf kunnen leiden, ben ik van mening dat de ongeschreven grond op basis waarvan bij wijze van uitzondering kan worden geweigerd te voldoen aan een verzoek van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat, voor deze beide instrumenten moet gelden. De praktische werking van beide instrumenten kan immers leiden tot een situatie waarin de in het voorgaande punt in algemene bewoordingen beschreven negatieve gevolgen moeten worden voorkomen.
51.
Voorts ben ik door de gelijkenis van de onderliggende kenmerken van deze instrumenten van mening dat de betrokken ongeschreven grond toepassing moet vinden onder dezelfde voorwaarden, ongeacht welk van die twee instrumenten wordt ingeroepen. Dit betekent, zoals ook de Nederlandse en de Poolse regering alsmede de Commissie hebben gesuggereerd, dat de toepassing van deze grond moet berusten op dezelfde tweestappentoets die het Hof in de context van het EAB-kaderbesluit heeft ontwikkeld. Net zoals het Hof in dat verband heeft opgemerkt, ben ik namelijk van mening dat, hoe ernstig de structurele of fundamentele gebreken ook mogen zijn, het enkele feit dat zij bestaan niet noodzakelijkerwijs van invloed is op elke beslissing die de rechterlijke instanties van de betrokken lidstaat in elk specifiek geval kunnen nemen.30.
52.
Dit maakt de tweede en geïndividualiseerde stap van de toets noodzakelijk, zowel in de context van het EAB-kaderbesluit als in de context van kaderbesluit 2008/909.
53.
Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het arrest van het Hof in de zaak OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau)31., en evenmin door het feit dat kaderbesluit 2008/909 geen bepaling bevat die equivalent is aan overweging 10 van het EAB-kaderbesluit. Ter onderbouwing van zijn oordeel dat het volstaat om enkel de eerste stap van de toets toe te passen, baseert de verwijzende rechter zich op deze beide elementen.
54.
Wat in de eerste plaats de zaak OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) betreft, heeft het Hof in dat arrest, kort gezegd, uiteengezet aan welke vereisten een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van het EAB-kaderbesluit moet voldoen om te kunnen worden aangemerkt als ‘onafhankelijk’ en dus om EAB's te kunnen uitvaardigen met de rechtsgevolgen die het Unierecht eraan verbindt. De in die zaken aan de orde zijnde openbare ministeries voldeden niet aan die vereisten, waardoor zij niet de status van ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van het EAB-kaderbesluit hadden.
55.
In reactie op dat arrest werd het Hof geconfronteerd met de vraag of de slotsom waartoe in die zaak werd gekomen betekent dat, wanneer structurele of fundamentele gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van een rechterlijke macht worden vastgesteld, die gebreken meebrengen dat alle rechterlijke instanties van de betrokken lidstaat hun status van ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ verliezen, hetgeen de uitvoerende autoriteit dan zou ontslaan van de verplichting tot uitvoering van de tweede stap van de toets, die ten grondslag ligt aan de toepassing van de ongeschreven grond voor uitzonderlijke weigering om een EAB ten uitvoer te leggen.32.
56.
Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Het heeft toegelicht dat de slotsom in het arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) niet berustte op structurele of fundamentele gebreken van het betrokken nationale systeem, maar op het feit dat de betrokken openbare ministeries in die zaak ondergeschikt waren aan de uitvoerende macht, die instructies aan hen kon geven over het al dan niet uitvaardigen van een EAB in een bepaalde zaak.33.
57.
In de situaties die hebben geleid tot de ontwikkeling van de ongeschreven grond om bij wijze van uitzondering te weigeren om een EAB ten uitvoer te leggen, is daarentegen sprake van een scenario waarin een EAB werd uitgevaardigd door een rechter, wiens structurele onafhankelijkheid ten opzichte van de uitvoerende macht op het eerste gezicht niet in twijfel kan worden getrokken, juist omdat het een rechter is en geen officier van justitie. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat dit uitgangspunt slechts kan worden getoetst in de uitzonderlijke situatie van structurele of fundamentele gebreken van het justitiële apparaat als zodanig, die twijfels doen rijzen over de feitelijke werking van de gerechten die deel uitmaken van dat apparaat. Aangezien de gevolgen van dergelijke structurele of fundamentele gebreken binnen het betrokken rechtsgebied kunnen uiteenlopen, moet echter niet alleen worden vastgesteld dat zij bestaan (stap één), maar ook dat zij van invloed kunnen zijn of reeds zijn geweest op het betrokken specifieke geval (stap twee).
58.
Deze redenering moet naar mijn mening ook worden gevolgd in de context van kaderbesluit 2008/909. De werking van dit instrument berust op de wederzijdse erkenning van beslissingen van de rechterlijke instanties van de lidstaten, waarvan de onafhankelijkheid niet in twijfel mag worden getrokken, behalve in uitzonderlijke omstandigheden. Aangezien de gevolgen van deze uitzonderlijke omstandigheden, zoals reeds is opgemerkt, bij de verschillende gerechten van de betrokken uitvaardigende lidstaat kunnen uiteenlopen, moeten deze per individueel geval worden onderzocht.
59.
In de tweede plaats, en anders dan de verwijzende rechter suggereert, doet het feit dat kaderbesluit 2008/909 geen bepaling bevat die equivalent is aan overweging 10 van het EAB-kaderbesluit, niet af aan het oordeel over de toepasselijkheid van beide toetsstappen. In die overweging staat te lezen dat de toepassing van de regeling inzake het EAB ‘slechts [kan] worden opgeschort in geval van een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van de in [artikel 2 VEU genoemde] beginselen’ die is geconstateerd volgens de procedure van artikel 7 VEU.
60.
Het is juist dat het Hof in zijn arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) op grond van deze overweging heeft verklaard dat de tweede stap niet behoeft te worden uitgevoerd indien de Raad het EAB-kaderbesluit ten aanzien van de betrokken lidstaat heeft opgeschort als gevolg van de procedure van artikel 7, lid 2, VEU.34.
61.
Het ontbreken van een bepaling in kaderbesluit 2008/909 die naar die procedure verwijst, betekent evenwel niet dat die procedure kan worden vervangen door een beslissing van een nationale rechter.
62.
In de context van het EAB-kaderbesluit was het Hof zeer duidelijk in zijn verklaring dat de niet-toepassing van de tweede stap van de toets zou leiden tot een (onaanvaardbare) algemene uitsluiting van de toepassing van de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning op de beslissingen van de rechterlijke instanties van de betrokken lidstaat.35.
63.
Ik ben van mening dat dit ook geldt voor kaderbesluit 2008/909. Zoals ook de Nederlandse en de Poolse regering alsmede de Commissie in principe hebben opgemerkt, doet het ontbreken van een uitdrukkelijke verwijzing in een dergelijke handeling van afgeleid recht naar het opschortingsmechanisme van artikel 7, lid 2, VEU niets af aan het feit dat de algemene opschorting van de werking ervan ten aanzien van een bepaalde lidstaat alleen kan voortvloeien uit dat mechanisme.
64.
Wat ten slotte de twijfel van de verwijzende rechter betreft of de eerste stap van de toets door de nationale rechter moet worden uitgevoerd dan wel een aan het Hof van Justitie voorbehouden aangelegenheid van uitlegging van het Unierecht is, erken ik ten volle de bezorgdheid van de verwijzende rechter met betrekking tot het belang dat dit wordt vastgesteld. Met betrekking tot de suggestie van de verwijzende rechter (zoals verder naar voren komt in de formulering van de vierde vraag)36. dat dit op uniforme wijze moet worden vastgesteld om rechtsonzekerheid binnen de Unie te voorkomen, merk ik evenwel op dat een dergelijke uniforme vaststelling uitsluitend kan voortvloeien uit de hierboven bedoelde procedure op basis van artikel 7, lid 2, VEU, die er op haar beurt toe leidt dat de werking van het betrokken instrument ten aanzien van de desbetreffende lidstaat wordt opgeschort. Bij gebreke van een dergelijke vaststelling blijft kaderbesluit 2008/909 van toepassing. Niettemin ben ik om de hierboven uiteengezette redenen van mening dat de grondrechtenclausule van artikel 3, lid 4, van dit kaderbesluit de uitvoerende autoriteit de mogelijkheid biedt en zelfs de verplichting oplegt om te voorkomen dat een eerdere schending van het grondrecht op een eerlijk proces worden vergoelijkt, door bij uitzondering te weigeren om een vonnis te erkennen en een sanctie ten uitvoer te leggen, onder de hierboven in deze conclusie beschreven voorwaarden.
65.
In dit verband merk ik tevens op dat de vraag of de ongeschreven grond voor uitzonderlijke weigering om een EAB ten uitvoer te leggen kan worden toegepast op kaderbesluit 2008/909, alsmede de voorwaarden waaronder die grond van toepassing is, weliswaar een kwestie is van uitlegging van het Unierecht, die het Hof kan geven in zijn antwoord op een krachtens artikel 267 VWEU gestelde vraag, maar dat de vaststelling of er in een bepaald geval aanleiding is voor de toepassing van die grond afhangt van de feitelijke omstandigheden van het betrokken geval en een kwestie van toepassing van het Unierecht vormt, die uitsluitend onder de bevoegdheid van de nationale rechter valt.37. Dit geldt niet alleen voor de tweede stap van de toets die betrekking heeft op de specifieke omstandigheden van het concrete geval, maar ook voor de eerste stap die betrekking heeft op de vaststelling of er sprake is van structurele of fundamentele gebreken in verband met, in casu, de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat. In overeenstemming met dit uitgangspunt biedt de in deze conclusie genoemde rechtspraak over het EAB-kaderbesluit de nationale rechter handvatten voor de factoren die daarbij in aanmerking moeten worden genomen.38.
66.
Gelet op deze analyse kom ik derhalve tot de slotsom dat artikel 3, lid 4, van kaderbesluit 2008/909 in die zin moet worden uitgelegd dat, in situaties waarin dit instrument de uitvoerende autoriteit verplicht om een vonnis te erkennen en een sanctie ten uitvoer te leggen, en waarin die autoriteit ten eerste bewijs heeft van structurele of fundamentele gebreken in verband met de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat, zij die erkenning en tenuitvoerlegging uitsluitend mag weigeren indien zij, ten tweede, vaststelt dat er in de specifieke omstandigheden van de zaak zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, onder meer gelet op de door de betrokken gevonniste persoon verstrekte gegevens over de wijze waarop zijn strafzaak was behandeld, het grondrecht van die persoon op een eerlijk proces, zoals verankerd in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, is geschonden.
D. Relevant tijdstip
67.
Thans moet nog worden vastgesteld ten aanzien van welk tijdstip de bovengenoemde ongeschreven grond moet worden toegepast en de in de onderhavige zaak besproken tweestappentoets moet worden verricht.
68.
In de omstandigheden van het hoofdgeding rijst specifiek de vraag of dit, ten eerste, het tijdstip is waarop het oorspronkelijke vonnis werd gewezen waarbij aan MD een vrijheidsstraf werd opgelegd, dan wel of het ook, ten tweede, het tijdstip kan zijn waarop de opschorting van de uitvoering van die straf werd herroepen, dan wel of dat, ten derde, het tijdstip omvat waarop de verwijzende rechter moet beslissen over het verzoek tot tenuitvoerlegging van de betrokken straf.
69.
Ik stel vast dat de relevantie van het eerste door de verwijzende rechter genoemde tijdstip geen bijzondere problemen oplevert. Ik begrijp dat de betrokken vrijheidsstraf op dat moment aan MD is opgelegd, na een proces waarin zijn schuld was beoordeeld. Een dergelijke procedure moet duidelijk de passende procedurele waarborgen bieden, waaronder het in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest verankerde recht op een eerlijk proces, dat in het hoofdgeding aan de orde is. Zoals ook de Commissie en de Poolse regering aanvoeren, moet de door de verwijzende rechter overwogen toepassing van de ongeschreven grond logischerwijs betrekking hebben op de situatie in de uitvaardigende lidstaat ten tijde van die procedure, teneinde vast te stellen of deze plaatsvond tegen een achtergrond van structurele of fundamentele gebreken die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat aantastten, en of die gebreken bovendien MD's grondrecht op een eerlijk proces merkbaar hebben aangetast.
70.
Mocht de nationale rechter vaststellen dat de tweestappentoets dit bevestigt, dan ben ik van mening dat, zoals ook de Commissie suggereert, beslissingen die na het oorspronkelijke vonnis zijn genomen, niet meer hoeven te worden onderzocht, omdat de mogelijkheid van erkenning en tenuitvoerlegging ervan afhankelijk is van de mogelijkheid van erkenning en tenuitvoerlegging van het oorspronkelijke vonnis.
71.
Indien de beoordeling met betrekking tot het oorspronkelijke vonnis evenwel de mogelijkheid van erkenning en tenuitvoerlegging openlaat, rijst de vraag of bij de toepassing van de betrokken ongeschreven grond ook kan worden uitgegaan van de situatie in de uitvaardigende lidstaat op het tijdstip waarop de herroepingsbeschikking werd gegeven (het tweede in punt 68 hierboven genoemde tijdstip).
72.
Op dit punt verschillen de Poolse regering en de Commissie van mening. Terwijl de Commissie meent dat dit tijdstip relevant is (zij het subsidiair, zoals ik hierboven in de punten 70 en 71 heb uitgelegd), voert de Poolse regering het tegendeel aan.
73.
Ik ben het in beginsel eens met de Commissie, maar zal deze constatering hieronder verder nuanceren.
74.
Ter ondersteuning van haar argument van de irrelevantie van het tweede hierboven genoemde tijdstip stelt de Poolse regering dat de herroepingsbeschikking niet voldoet aan de definitie van ‘vonnis’ in de zin van artikel 1, onder a), van kaderbesluit 2008/909 en derhalve niet binnen de werkingssfeer van dit instrument valt.
75.
In dit verband is het juist dat kaderbesluit 2008/909 krachtens artikel 3, lid 3, ervan ‘uitsluitend van toepassing [is] op de erkenning van vonnissen […] in de zin van dit kaderbesluit’. In artikel 1, onder a), van dit kaderbesluit wordt ‘vonnis’ gedefinieerd als ‘een door een rechter van de [uitvaardigende lidstaat] gegeven onherroepelijke uitspraak of beschikking waarbij een sanctie aan een natuurlijke persoon wordt opgelegd’. Het is eveneens juist dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde straf aan MD was opgelegd bij het oorspronkelijke vonnis, terwijl de latere beschikking ‘slechts’ de aanvankelijke opschorting van de tenuitvoerlegging ervan herriep.
76.
Deze vaststelling betekent naar mijn mening evenwel niet dat die beschikking niet relevant is voor de werking van kaderbesluit 2008/909.
77.
Ik ben het met de Commissie eens dat in de onderhavige zaak het oorspronkelijke vonnis pas aanleiding kon geven tot de specifieke toepassing van de erkenningsregeling van kaderbesluit 2008/909 toen de aanvankelijke opschorting van de tenuitvoerlegging van de straf door de bestreden beschikking was herroepen, omdat MD vóór de vaststelling daarvan nog niet verplicht was de hem opgelegde straf te gaan uitzitten. Deze beschikking leidt dus (samen met het oorspronkelijke vonnis), wanneer aan de toepasselijke voorwaarden is voldaan, in beginsel tot de verplichting van de uitvoerende autoriteit om de opgelegde straf ten uitvoer te leggen. Dit volstaat volgens mij om, althans in dit stadium van de analyse, niet uit te sluiten dat het in punt 68 hierboven aangeduide tweede tijdstip relevant is voor het onderzoek van de ongeschreven grond op basis waarvan bij wijze van uitzonding kan worden geweigerd te voldoen aan een verzoek krachtens kaderbesluit 2008/909.
78.
De Poolse regering betoogt echter ook dat de situatie in de uitvaardigende lidstaat op dat tijdstip niet in overweging hoeft te worden genomen, omdat de herroepingsbeschikking noch de aard noch de maat van de opgelegde straf heeft gewijzigd. Daardoor is het kort gezegd overbodig om de situatie te beoordelen. De Poolse regering heeft voorts uiteengezet dat de toepasselijke nationale voorschriften verplichten om de opschorting te herroepen wanneer de betrokkene tijdens de proeftijd een opzettelijk strafbaar feit heeft begaan39. en dat de nationale rechter in een dergelijke situatie over geen enkele beoordelingsmarge beschikt en de opschorting van de straf moet herroepen.
79.
Ik merk op dat het Hof met een enigszins vergelijkbare situatie werd geconfronteerd in de zaak Ardic.40. In die zaak werd de opschorting van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf herroepen omdat de betrokkene de voorwaarden van de proeftijd niet had nageleefd. Deze persoon nam wel deel aan het proces dat leidde tot het vonnis waarbij een vrijheidsstraf werd opgelegd, maar niet aan de daaropvolgende procedure, waarin de opschorting van de tenuitvoerlegging van die straf werd herroepen. In die omstandigheden werd het Hof verzocht te bepalen of de afwezigheid van de betrokkene in de procedure die tot die latere herroepingsbeslissing leidde, onder bepaalde voorwaarden een grond tot weigering van de uitvoering van een EAB kon vormen, overeenkomstig artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit.
80.
Het Hof heeft ontkennend geantwoord en uitgelegd dat het onderzoek van die weigeringsgrond slechts betrekking kan hebben op een (verstek)procedure waarin definitief uitspraak wordt gedaan over de schuld en, in voorkomend geval, de vrijheidsstraf. Deze grond heeft daarentegen geen betrekking op beslissingen over de tenuitvoerlegging of toepassing van een vrijheidsstraf, behalve wanneer zij de aard of maat van die straf wijzigen en de autoriteit die deze beslissingen heeft gegeven op dat punt over een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid beschikte.41.
81.
Uit het dossier volgt dat de in casu aan de orde zijnde herroepingsbeschikking noch de aard, noch de maat van de opgelegde straf heeft gewijzigd. Bovendien, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, heeft de Poolse regering uiteengezet dat de nationale rechter niet over beoordelingsbevoegdheid beschikte wat betreft het al dan niet vaststellen van die beschikking.
82.
Dit betekent volgens mij evenwel niet dat de omstandigheden in de uitvaardigende lidstaat die tot deze herroeping hebben geleid, noodzakelijkerwijs irrelevant worden voor de vraag of de ongeschreven grond op basis waarvan bij wijze van uitzondering kan worden geweigerd om een vonnis te erkennen en een straf ten uitvoer te leggen, van toepassing is. De reden hiervoor is dat de betrokkene specifieke gegevens kan verschaffen die erop duiden dat de doorslaggevende omstandigheid die tot de herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van de straf heeft geleid, een concreet gevolg was van bovenbedoelde structurele of fundamentele gebreken.
83.
Niettemin bevat de verwijzingsbeslissing niet dergelijke specifieke gegevens en evenmin is daarin nader omschreven wat precies de doorslaggevende omstandigheid was die tot de vaststelling van de herroepingsbeslissing heeft geleid.
84.
In dat verband kunnen de redenen die hebben geleid tot de beslissing om de opschorting van de vrijheidsstraf te herroepen verscheiden zijn en zijn zij afhankelijk van het toepasselijke recht. Uit de in punt 78 hierboven weergegeven toelichting van de Poolse regering begrijp ik dat de vaststelling van een herroepingsbeschikking, zoals die welke in casu aan de orde is, de automatische consequentie is van een nieuw (opzettelijk) gepleegd strafbaar feit.
85.
Indien in die omstandigheden komt vast te staan dat de betrokken herroeping van de opschorting automatisch voortvloeide uit de nieuwe strafrechtelijke veroordeling van MD, dan ben ik van mening, zoals ook de Commissie in beginsel betoogt, dat de omstandigheden waaronder die veroordeling heeft plaatsgevonden (en bijgevolg het tijdstip van die nieuwe strafrechtelijke veroordeling) relevant worden voor de subsidiaire toepassing van de betrokken ongeschreven grond voor uitzonderlijke weigering, wanneer het bewijs dat aan de uitvoerende autoriteit wordt overgelegd een dergelijke aanpak verlangt.
86.
Zou immers komen vast te staan dat de structurele en fundamentele gebreken in het gerechtelijke apparaat van de uitvaardigende lidstaat concrete gevolgen hebben gehad voor het recht van de betrokkene op een eerlijk proces binnen de procedure waarin hij schuldig was bevonden aan een nieuw strafbaar feit, dan zal die bevinding noodzakelijkerwijs relevant zijn voor de beoordeling van de daaropvolgende herroeping met het oog op het stelsel van de erkenning en tenuitvoerlegging van kaderbesluit 2008/909. Dit is zo omdat zonder die nieuwe strafrechtelijke veroordeling de herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van de straf niet zou hebben plaatsgevonden.42.
87.
Wat daarentegen het in punt 68 hierboven genoemde derde tijdstip betreft, namelijk het tijdstip waarop de uitvoerende autoriteit moet beslissen over de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de straf, zie ik, net zoals de Poolse regering en de Commissie, de relevantie daarvan voor de toepassing van de betrokken ongeschreven grond niet in, aangezien de situatie in de uitvaardigende lidstaat op dat tijdstip niet met terugwerkende kracht van invloed kan zijn op de strafprocedures die daar reeds zijn afgesloten.43.
88.
Gelet op deze analyse kom ik tot de slotsom dat, wanneer een verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging krachtens kaderbesluit 2008/909 betrekking heeft op een vonnis waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd en waarvan naderhand de — aanvankelijk opgeschorte — tenuitvoerlegging wordt gelast, zonder dat de aard of de maat van de straf is gewijzigd, de toepassing moet worden overwogen van de ongeschreven grond op basis waarvan bij wijze van uitzondering kan worden geweigerd om een vonnis te erkennen en een sanctie ten uitvoer te leggen, zoals omschreven in punt 66 van deze conclusie, en dat de tweestappentoets waarop die grond berust, moet worden verricht met betrekking tot het tijdstip waarop het oorspronkelijke vonnis waarbij de vrijheidsstraf is opgelegd, werd gewezen. Indien deze toets niet leidt tot de gevolgtrekking dat de erkenning en tenuitvoerlegging moeten worden geweigerd, moet deze zelfde toets, indien bewijs dat is voorgelegd aan de autoriteit van de uitvoerende lidstaat een dergelijke aanpak verlangt, worden toegepast met betrekking tot het tijdstip waarop de doorslaggevende omstandigheid plaatsvond die heeft geleid tot de herroeping van de opschorting van de uitvoering van de straf.
V. Conclusie
89.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de door het Landgericht Aachen gestelde prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 3, lid 4, van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie,
moet aldus worden uitgelegd dat, in situaties waarin dit kaderbesluit de uitvoerende autoriteit verplicht om een vonnis te erkennen en een sanctie ten uitvoer te leggen, en waarin die autoriteit ten eerste bewijs heeft van structurele of fundamentele gebreken in verband met de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat, zij die erkenning en tenuitvoerlegging uitsluitend mag weigeren indien zij, ten tweede, vaststelt dat er in de specifieke omstandigheden van de zaak zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, onder meer gelet op de door de betrokken gevonniste persoon verstrekte gegevens over de wijze waarop zijn strafzaak was behandeld, het grondrecht van die persoon op een eerlijk proces, zoals verankerd in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, is geschonden.
Wanneer het verzoek tot erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de straf krachtens kaderbesluit 2008/909 betrekking heeft op een vonnis waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd en waarvan naderhand de — aanvankelijk opgeschorte — tenuitvoerlegging wordt gelast, zonder dat de aard of de maat van de straf is gewijzigd, moet bovengenoemde tweestappentoets worden verricht met betrekking tot het tijdstip waarop het oorspronkelijke vonnis waarbij de vrijheidsstraf is opgelegd, is gewezen. Indien deze toets niet leidt tot de gevolgtrekking dat de erkenning en tenuitvoerlegging moeten worden geweigerd, moet deze zelfde toets, indien bewijs dat is voorgelegd aan de autoriteit van de uitvoerende lidstaat een dergelijke aanpak verlangt, worden toegepast met betrekking tot het tijdstip waarop de doorslaggevende omstandigheid plaatsvond die heeft geleid tot de herroeping van de opschorting van de uitvoering van de straf.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑05‑2023
Oorspronkelijke taal: Engels.
Kaderbesluit van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB 2008, L 327, blz. 27), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: ‘kaderbesluit 2008/909’).
Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: ‘EAB-kaderbesluit’).
Zie met name arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) [C-216/18 PPU, EU:C:2018:586; hierna: ‘arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat)’].
De verwijzingsbeslissing vermeldt dat die beslissing was gebaseerd op artikel 83b, lid 2, punt 2, van het Gesetz über die internationale Rechtshilfe in Strafsachen (wet inzake internationale bijstand in strafzaken). Aldus blijkt, zoals ook de Commissie opmerkt, dat de betrokken situatie onder artikel 4, lid 6, van het EAB-kaderbesluit valt. Krachtens die bepaling is het mogelijk de tenuitvoerlegging van een EAB dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf te weigeren, terwijl de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat en deze staat zich ertoe verbindt die straf overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen.
Voorstel van de Europese Commissie voor een besluit van de Raad betreffende de constatering van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending, door de Republiek Polen, van de rechtsstaat [(COM)2017 835 final].
Arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat); arresten van 5 november 2019, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid van de gewone rechterlijke instanties) (C-192/18, EU:C:2019:924); 19 november 2019, A.K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd NajwyŻszy) (C-585/18, C-624/18 en C-625/18, EU:C:2019:982); 2 maart 2021, A. B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd NajwyŻszy — Beroep) (C-824/18, EU:C:2021:153); 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters) (C-791/19, EU:C:2021:596), en 16 november 2021, Prokuratura Rejonowa w Mińsku Mazowieckim e.a. (C-748/19–C-754/19, EU:C:2021:931), alsook de aanhangige zaak C-204/21, Commissie/Polen.
Zie in die zin advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014 (EU:C:2014:2454, punt 191 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie bijvoorbeeld arrest van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat) [C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, EU:C:2022:100, punten 40 en 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘arrest Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat)’].
Zie in die zin, in de context van kaderbesluit 2008/909, overweging 5 van dat kaderbesluit alsmede mededeling van de Commissie — Handboek inzake de overbrenging van gevonniste personen en vrijheidsstraffen in de Europese Unie (PB 2019, C 403, blz. 2), punt 1.2.
Arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru (C-404/15 en C-659/15 PPU, EU:C:2016:198; hierna: ‘arrest Aranyosi en Căldăraru’).
Genoemd in artikel 4 van het Handvest.
Zoals bepaald in artikel 1, lid 2, van het EAB-kaderbesluit.
Arrest Aranyosi en Căldăraru, punten 94 en 104. Zia ook arresten van 25 juli 2018, Generalstaatsanwaltschaft (Detentieomstandigheden in Hongarije) (C-220/18 PPU, EU:C:2018:589), en 15 oktober 2019, Dorobantu (C-128/18, EU:C:2019:857).
Arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), punten 61 en 68.
Arrest van 17 december 2020, Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit) [C-354/20 PPU en C-412/20 PPU, EU:C:2020:1033, onder meer de punten 60 en 61; hierna: ‘arrest Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit)’].
Arrest Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), punt 66.
Ibid., punten 83, 86 en 102. Zoals de Nederlandse regering opmerkt, is dat arrest gewezen nadat de verwijzingsbeslissing in de onderhavige zaak op 30 december 2021 was gegeven. Zie evenwel ook arrest Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit), punt 68.
Zoals ook is toegelicht in de mededeling van de Commissie — Handboek inzake de overbrenging van gevonniste personen en vrijheidsstraffen in de Europese Unie (PB 2019, C 403, blz. 2), punten 2.3.4 en 2.5. Krachtens artikel 4, lid 7, van kaderbesluit 2008/909 kunnen lidstaten in de in die bepaling beschreven situaties evenwel afzien van het vereiste van hun toestemming.
Zie voetnoot 5 hierboven. De doelstelling van deze bepaling in het EAB-kaderbesluit is dezelfde als die van kaderbesluit 2008/909, zoals beschreven in artikel 3, lid 1, ervan, namelijk de sociale re-integratie van de gevonniste persoon bevorderen. Zie arrest van 13 december 2018, Sut (C-514/17, EU:C:2018:1016, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie punt 11 en voetnoot 5 hierboven.
Deze lezing wordt bevestigd door de indeling van het in bijlage I bij kaderbesluit 2008/909 opgenomen standaardformulier dat samen met het te erkennen vonnis aan de uitvoerende lidstaat moet worden toegezonden. In vak g) van dat formulier moet de uitvaardigende autoriteit aangeven welk van de in artikel 4, lid 1, van kaderbesluit 2008/909 bedoelde scenario's, zoals beschreven in punt 39 van deze conclusie, van toepassing is. Tegelijkertijd wordt gesteld dat dit niet meer hoeft te worden ingevuld indien de uitvaardigende autoriteit door het aanvinken van vak f) bevestigt dat het verzoek een vervolg is op de situatie die onder artikel 4, lid 6, van het EAB-kaderbesluit valt.
Zie punt 39 hierboven.
Zie de voetnoten 8 en 9 hierboven.
Met andere woorden, de verplichting tot tenuitvoerlegging is de regel en de beslissing om dat niet te doen is de uitzondering. Zie, met betrekking tot het EAB-kaderbesluit, laatstelijk arrest van 23 maart 2023, Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting), (C-514/21 en C-515/21, EU:C:2023:235, punten 47 en 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘arrest LU en PH’).
Ik heb begrepen dat het feit dat het proces van MD bij verstek heeft plaatsgevonden niet relevant was toen de Duitse autoriteiten besloten het EAB niet ten uitvoer te leggen, en voor de onderhavige zaak evenmin relevant is, met het oog op de voorwaarden waaronder de erkenning van een vonnis en de tenuitvoerlegging van een sanctie in een dergelijke situatie kunnen worden geweigerd overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder i), van kaderbesluit 2008/909.
Zie Lenaerts, K., ‘La vie après l'avis: exploring the principle of mutual (yet not blind) trust’, Common Market Law Review, deel 54, nr. 3, 2017, blz. 805–840, en Mitsilegas, V., ‘Mutual Recognition and Fundamental Rights in EU Criminal Law’, in Iglesias Sánchez, S., en González Pascual, M., Fundamental Rights in the EU Area of Freedom, Security and Justice, Cambridge University Press, 2021, blz. 235–271, met name blz. 270 en 271.
Zie ook overweging 13 van kaderbesluit 2008/909.
Zie in die zin arrest Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), punten 83, 86 en 102, alsmede arrest Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit), punt 68.
Zie bijvoorbeeld arrest Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit), punt 42.
Arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456).
Arrest Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit), punt 33.
Arrest Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit), punten 48 en 50.
Arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), punten 70–72.
Zie in die zin arrest Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit), punt 43.
Ik merk op dat de vierde vraag slechts subsidiair wordt gesteld, voor het geval het Hof op de eerste en de tweede vraag zou antwoorden dat de uitvoerende autoriteit niet kan weigeren gevolg te geven aan een verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging (enkel) op grond dat er sprake is van structurele of fundamentele gebreken (omdat, zoals ik de redenering van de verwijzende rechter begrijp, die beoordeling niet de taak van de nationale rechter zou zijn, maar door het Hof van Justitie moet worden verricht).
Zie arrest van 16 november 2021, Prokuratura Rejonowa w Mińsku Mazowieckim e.a. (C-748/19–C-754/19, EU:C:2021:931, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en, in die zin, arrest van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi (C-561/19, EU:C:2021:799, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie bijvoorbeeld arrest Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), punten 78–80 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Volgens de Poolse regering vloeit dit voort uit artikel 75 van de ustawa z dnia 6 czerwca 1997 r. — Kodeks karny (wet van 6 juni 1997 houdende het strafwetboek).
Arrest van 22 december 2017, Ardic (C-571/17 PPU, EU:C:2017:1026).
Zie ook arrest LU en PH, punt 53.
Zie tevens, naar analogie, arrest LU en PH, punten 65–68 en 70, waarin is geoordeeld dat de bij verstek gewezen strafrechtelijke veroordeling, zonder welke de opschorting van de vrijheidsstraf ter uitvoering waarvan het EAB in die zaak was uitgevaardigd, niet zou zijn herroepen, onderdeel vormt van het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit.
Ik voeg daaraan toe dat kaderbesluit 2008/909, anders dan de regeling van het EAB-kaderbesluit, niet tot overbrenging van de gevonniste persoon van de uitvoerende lidstaat naar de uitvaardigende lidstaat leidt, maar omgekeerd, of in het geheel niet tot overbrenging leidt wanneer de betrokkene, zoals MD, zich reeds in de uitvoerende lidstaat bevindt.