Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/2.3.2
2.3.2 De relatie tussen de materiële rechtsplicht en het verbod
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955580:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Veldman, WPNR 2001/6455, p. 727. Van Nispen 2018, nr. 8.
Van der Helm 2023, nr. 42.
Zie ook Asser/Sieburgh 6-I 2020, nr. 380: “De schuldeiser heeft een recht op nakoming, zoals de schuldenaar verplicht is aan de verbintenis te voldoen”.
Zie aldus reeds Molengraaff, RMThemis 1887, p. 417.
Art. 1374 (oud) BW: “Alle wettiglijk gemaakte overeenkomsten strekken dengenen die dezelve hebben aangegaan tot wet”. De bepaling vormde een codificatie van het pacta sunt servanda-beginsel; zie Haas 2009, p. 16; Asser/Rutten 2-II 1961, p. 26. Zie voor een vergelijkbare bepaling in het Franse recht art. 1134 C. civ.: “Les conventions légalement formées tiennent lieu de loi à ceux qui les ont faites”.
Zie o.m. §97 UrhG (auteursrecht); art. §139 PatG (octrooirecht); §14 MarkenG (merkenrecht) en §1004 BGB (algemene regeling).
Zie §241 Abs. 1 BGB: “Kraft des Schuldverhältnisses ist der Gläubiger berechtigt, von dem Schuldner eine Leistung zu fordern. Die Leistung kam auch in einem Unterlassen bestehen”.
Hofmann 2017, p. 83-84; Gisclard & Py 2022, p. 128-133; Contreras & Husovec 2022, p. 315-316. Zie t.a.v. verbintenissen Haas 2009, p. 21-25; Veldman, WPNR 2001/6455, p. 727.
Par. 2.2.3. Zie ook Van Nispen 1978, nr. 22: “De verbiedbaarheid is een sequeel van het exclusiviteitskarakter der absolute rechten”.
Ook naar Frans recht wordt aangenomen dat het verbod een natuurlijk gevolg is van de vaststelling van inbreuk op een intellectueel-eigendomsrecht; zie o.m. Róda 2012, p. 26; Foyer & Vivant 1991, p. 349.
Concl. G.E. Langemeijer, HR 16 maart 1951, ECLI:NL:PHR:1951:202, NJ 1951/318 (Van Berkel/Harmsen). Zie ook E.M. Meijers, annotatie bij HR 12 januari 1939, ECLI:NL:HR:1939:131, NJ 1939/535 (Nedigepha/Van Soest; ‘Bayer’): “Echter absolute rechten als de eigendom, het merkenrecht, het auteursrecht en het octrooirecht, staan het verrichten van bepaalde handelingen bij uitsluiting aan den rechthebbende toe. Deze kan zich tegen iederen inbreuk met een rechtsvordering verdedigen. Hij behoeft daarbij niet te rechtvaardigen, waarom hij optreedt; de inbreuk zelf is rechtvaardiging genoeg. Slechts wanneer een vordering tot handhaving van een recht een beslist onredelijk of een niet oorbaar belang zou dienen, zou anders geoordeeld moeten worden”.
Monisme en dualisme. Het Nederlandse recht neemt als uitgangspunt dat aan iedere rechtsplicht een (inherent) recht op nakoming van die verplichting is verbonden.1 Met deze ‘monistische benadering’ onderscheidt het recht op nakoming zich van het recht op schadevergoeding, dat een zelfstandige grondslag kent en bovendien pas ontstaat nadat is voldaan aan nadere, in de wet gespecifieerde vereisten. De monistische benadering sluit aan bij de gedachte dat een rechterlijk verbod geen nieuwe verplichtingen in het leven roept, maar slechts bekrachtigt waartoe de gedaagde al verplicht was (en waartoe de eiser gerechtigd was).2 Uit de verplichting van de schuldenaar om aan een verbintenis te voldoen vloeit bijvoorbeeld al voort dat de schuldeiser aanspraak maakt op die prestatie.3 Op vergelijkbare wijze impliceert de verplichting van de een om niet onrechtmatig te handelen tegenover de ander dat de laatste er recht op heeft niet met zulk handelen te worden geconfronteerd.4 Dat de figuur van een ‘ingebakken’ recht op nakoming echter geen vanzelfsprekendheid is, blijkt onder meer uit het feit dat onder het oude recht een zelfstandig recht op nakoming van verbintenissen bestond.5 Deze ‘dualistische benadering’ vindt men ook in het huidige Duitse recht, dat een afzonderlijk recht kent op nakoming van een onthoudingsverplichting (Unterlassungsanspruch)6 en van een verbintenis (Leistungsanspruch).7
Het recht op een verbod. Het onderscheid tussen monisme en dualisme is uiteindelijk vooral een juridisch-technische kwestie: in vrijwel alle continentale rechtsstelsels wordt immers aangenomen dat aan een rechtsplicht in beginsel ook het recht op nakoming is verbonden.8 Dit is in het bijzonder verdedigbaar waar het gaat om exclusieve rechten zoals intellectuele-eigendomsrechten. De kern van zulke rechten is immers dat de gerechtigde met uitsluiting van anderen handelingen mag verrichten die onder zijn exclusieve bevoegdheden vallen.9 Een stelsel dat aan een exclusief recht niet een principiële aanspraak op een verbod verbindt, miskent de essentie van het recht.10 Illustratief zijn wat dat betreft de bewoordingen van advocaat-generaal Langemeijer in Van Berkel/Harmsen:
“Mij dunkt: wanneer het tot de inhoud van een subjectief privaatrecht behoort, dat de gerechtigde bij uitsluiting bepaalde dingen zal mogen doen of gevrijwaard zal zijn tegen bepaalde gedragingen van anderen, dan ligt het in de aard der zaak, dat hij een rechterlijk verbod kan uitlokken tegen degene die datgene doet of dreigt te doen, wat alleen aan de gerechtigde vrijstaat of waartegen diens recht hem vrijwaart.”11