Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/8.7
8.7 Onschuldpresumptie en rechtsvermoedens
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukkenll 1993/94, 23 574, nr. 3, p. 22.
HR 20 februari 2004, RSV 2004/127; CRvB 29 januari 2002, RSV 2002/118 en 22 april 2003, RSV 2003/151.
EHRM 7 oktober 1988, NJ 1991/351 (Salabiaku).
In HR 3 november 1998. iJNAV1127 oordeelde de Hoge Raad dat als uitgangspunt geldt dat degene die zijn eigen bagage inpakt en op reis meeneemt weet wat hij bij zich heeft. In EHRM 18 januari 2000, NJCM-Bulletin 2000, p. 891 (De Arriz Porras) werd de klacht niet-ontvankelijk verklaard.
Zie De Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht (2009), p. 222-224 en — kritisch op — p. 235-236. Zie voorts De Jong, Van Roomen en Sikkema, 'Objectiverende tendensen binnen het voorwaardelijk opzet', DD 2007/76, p. 929-958.
1-112 2 oktober 2007, NJ 2007/645. Zie in gelijke zin eerder met betrekking tot Aruba 1-11( 22 oktober 1985, NJ 1986/346.
1-112 15 juni 2010, LJN 2010/361. Zie ook 1-11( 23 juni 2009, NJ 2009/493.
HR 13 oktober 2009, LJN BJ3677.
BR 12 oktober 1999, NJ 2000/24 en 13 oktober 2009, LJN BJ3677.
BR 12 april 2005, LJN AT3568
BR 31 januari 2006, IJN AV17 01.
EI-1RM 19 oktober 2004, NJ 2005/429 (Falk).
HvJ EG 4 juni 2009, AB 2009/273 (T-Mobile).
CBb 12 augustus 2010, ZIN BN3895 (T-Mobile), par. 7.5.2.
HvJ EG 23 december 2009, AB 2010/83 (Spector Photo Group).
Zie voor een toepassing Rb Amsterdam 31 maart 2010, JOR 2010/232 (Quirius). Zie daarover Van Omme, 'Vermoedens van gebruik maken, gebruik maken van vermoedens', in, Fraude op de financiële markten (2011), p. 63-66.
Het bestuursrecht kent bewijsvermoedens. Een voorbeeld vormt art. 23 Wav, waarin is bepaald dat indien een werkgever een vreemdeling arbeid doet verrichten in strijd met art. 2 Wav, de vreemdeling wordt vermoed gedurende ten minste zes maanden werkzaam te zijn voor die werkgever tegen een beloning en een arbeidsduur die in de betreffende bedrijfstak gebruikelijk is. Voor de boeteoplegging wegens illegale tewerkstelling is deze bepaling overigens niet relevant, maar wel voor een eventuele loonvordering van illegale werknemer.1 Een tweede bijvoorbeeld vormt de omkeringsregel in fiscalibus, die niet voor de boete geldt (art. 27e AWR). Bij bestraffende sancties kan overigens wel met bewijsvermoedens worden gewerkt, mits tegenbewijs mogelijk is. Hoe zit het met onweerlegbare rechtsvermoedens? In de sociale zekerheidswetgeving is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen (die niet in eerste graad familie van elkaar zijn) een hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en wederzijds voor elkaar zorgen. Indien de betrokkenen eerder gehuwd zijn geweest, samen kinderen hebben, een samenlevingscontract hebben of eerder als partner zijn geregistreerd dan is reeds met het hoofdverblijf in dezelfde woning sprake van een gezamenlijke huishouding. Meer dan eens is geprocedeerd over de vraag of dit onweerlegbaar rechtsvermoeden in strijd komt met het in art. 6 lid 1 EVRM gewaarborgde beginsel van equality of arms. De Hoge Raad en de Centrale Raad oordeelden dat geen sprake is van strijd met art. 6 lid 1 EVRM, omdat geen sprake is van onweerlegbaar bewijs, maar een regel van materieel recht.2 Bovendien kan de betrokkene betwisten dat men op hetzelfde adres het hoofdverblijf heeft en betrokkene kan de juistheid van de veronderstelling bestrijden dat is voldaan aan één van de voorwaarden om aan te kunnen nemen dat het wederzijdse zorg-criterium niet langer relevant is, door bijvoorbeeld aan te voeren dat de eerdere partnerregistratie ten onrechte heeft plaatsgehad.3 In feite gaat het hier om de norm zelf en niet om bewijs, zodat het onschuldvermoeden hier eigenlijk geen probleem vormt. Indien een dergelijke gezamenlijke huishouding niet wordt opgegeven zal een bestraffende sanctie derhalve ook mogelijk moeten zijn.
In de zaak Salabiaku4 oordeelde het EHRM dat het verdragsstaten in beginsel vrij staat om louter op basis van een objectief feit, te weten het bezit van drugs, een delict (drugssmokkel) aan te nemen, ongeacht of dit feit voortvloeit uit strafbare opzet of nalatigheid, mits rekening wordt gehouden met de belangen van de verdediging. Met betrekking tot Opiumwetdelicten wordt de bezitter van een tas geacht kennis te hebben van hetgeen hij vervoert.5 In drugsmokkelzaken wordt dan ook (voorwaardelijk) opzet verondersteld. Of beter gezegd: het gaat om een objectivering van de opzet. Er wordt uitgegaan van wat een gemiddeld mens in een dergelijk geval behoorde te weten.6 Verweren dat de tas voor een ander zijn vervoerd of dat de tas is geleend en de verdachte daarom niet wist dat er cocaïne of heroïne in de tas was verborgen worden dan ook snel verworpen. Ook als men een tas voor een ander vervoert of een tas van een ander leent dient men grondig te controleren wat men vervoert. Doet men dit niet dan is willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de bagage drugs zou bevatten. Zeker indien de bagage is meegenomen uit Curaçao, waarvan bekend is dat het als uitvalsbasis dient voor drugstransporten.7 Toch zijn er uitzonderingen. Als de verdachte een plausibele verklaring geeft dat hij niet wist en ook niet hoefde te vermoeden dat er drugs in een voorwerp waren verstopt, dan kan niet zonder meer opzet worden aangenomen:
`Blijkens hetgeen het Hof heeft overwogen, heeft het Hof opzet van de verdachte op de invoer van de cocaïne in de vorm van voorwaardelijk opzet bewezen geacht. Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen en in het licht van hetgeen namens de verdachte is aangevoerd behoeft dat oordeel evenwel nadere motivering. Blijkens zijn nadere bewijsoverweging heeft het Hof zijn oordeel dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er verdovende middelen (cocaïne) in de ketel naar Nederland zouden worden vervoerd, gegrond op zijn vaststelling dat de verdachte direct betrokken is geweest bij het verzwaren van de ketel en er weet van heeft gehad dat de ketel vanaf Curaçao weer naar Nederland zou worden getransporteerd. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat het een feit van algemene bekendheid is dat er vanaf Curaçao veel cocaïne wordt gesmokkeld. Een en ander vormt evenwel, mede in het licht van het gevoerde verweer, onvoldoende grond voor het oordeel dat bij de verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Hetgeen het Hof dienaangaande voorts nog heeft overwogen maakt dat niet anders. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de gebezigde bewijsmiddelen elementen bevatten die de lezing van de verdachte ondersteunen, zoals met betrekking tot de reden voor het verzwaren van de ontmantelde ketel en voor het na terugkeer daarvan keuringsgereed maken van de ketel. Voorts biedt de overweging van het Hof dat de verdachte "minst genomen [moet] hebben kunnen vermoeden" dat de ketel op de terugreis substantiële hoeveelheden cocaïne zou bevatten, onvoldoende grondslag voor het oordeel dat hij dat op de koop toe heeft genomen.'8
Verder kan worden gewezen op de hiermee verwante (kenteken)houderaansprakelijkheid in art. 181 lid 1 WVW 1994. Daarin is bepaald dat indien een bij of krachtens deze wet als overtreding strafbaar gesteld feit wordt begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig, kunnen de op het feit gestelde straffen worden opgelegd aan de eigenaar of houder van dat motorrijtuig voor zover deze niet reeds naast de bestuurder voor dat feit aansprakelijk is. Ingevolge het tweede lid geldt het eerste lid bij een strafbeschikking niet, indien de eigenaar of houder: (a) voor het uitvaardigen van de strafbeschikking de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend heeft gemaakt, (b) niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. Ingevolge het derde lid geldt het eerste lid bij berechting niet, indien de eigenaar of houder: (a) binnen twee weken na daartoe door een der in art. 159 WVW 1994 bedoelde personen in de gelegenheid te zijn gesteld dan wel bij het instellen van verzet tegen een strafbeschikking, de naam en het volledige adres van de bestuurder heeft bekend gemaakt; (b) uiterlijk op de dag vóór die der terechtzitting, schriftelijk en onder vermelding van de zaak en de dag der terechtzitting, de naam en het volledige adres van de bestuurder aan het openbaar ministerie bekend maakt; (c) tijdens de terechtzitting, dadelijk na de ondervraging, bedoeld in art. 273 lid 1 Sv, de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend maakt; (d) niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. Art. 182 WVW 1994 bevat een vergelijkbare aansprakelijkstelling ter zake van de houder van een motorrijtuig waarmee een aanhangwagen wordt voortbewogen. Houderschap is gedefinieerd in art. 1 lid 1, onderdeel o, WVW 1994, namelijk degene die het voertuig: op grond van een overeenkomst van huurkoop onder zich heeft; in vruchtgebruik heeft; of anderszins, anders dan als eigenaar of bezitter, tot duurzaam gebruik onder zich heeft. Onder houder moet dan ook degene die namens de lessee de auto in gebruik heeft genomen en als berijder van die auto te boek is gesteld worden gerekend.9 Onderdeel c van het derde lid van art. 181 WVW 1994 ziet, gelet op de tekst en strekking, enkel op de zitting in eerste aanleg. De houder heeft dus geen herkansing in hoger beroep.10Logischerwijs kan het bekendmaken van de bestuurder bij een herzieningsverzoek dan ook niet gelden als novum.11Indien een persoon echter zelf als bestuurder is vervolgd en achteraf de werkelijke bestuurder bekend wordt ligt dit anders.12 Het vorengaande zal geen strijd opleveren met verdragsrechten. In hoofdstuk 2 zagen we al dat de kentekenaansprakelijkheid waarin de WAHV voorziet niet in strijd komt met art. 6 lid 2 EVRM. Volgens het EHRM is er voldoende mogelijkheid om verweer te voeren.13 De kentekenhouder kan namelijk onder meer nog aanvoeren dat de politie ten tijde van de snelheidsovertreding de bestuurder had kunnen laten stoppen, zodat die geïdentificeerd kon worden, of aannemelijk maken dat tegen de wil van kentekenhouder door een ander van het motorrijtuig gebruik is gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen (art. 8 WAHV).
Ten slotte het causaliteitsvermoeden in mededingings- en voorwetenschapzaken. Uit de tekst van art. 101 lid 1 VWEU lijken niet direct bewijsregels te volgen. Niettemin hanteert het Hof van Justitie de volgende bewijsregel: behoudens door de betrokken ondernemers te leveren tegenbewijs, wordt vermoed dat de ondernemingen die aan de afstemming deelnemen en op de markt actief blijven, bij de bepaling van hun gedrag op deze markt rekening houden met de informatie die zij met hun concurrenten hebben uitgewisseld. Dit vermoeden van causaliteit vloeit voort uit art. 101 lid 1 VWEU, zoals uitgelegd door het Hof en maakt dus deel uit van het toepasselijke Unierecht.14 Niet vergeten moet worden dat telkens het feitelijk handelen van de betrokken onderneming wel steeds moet worden aangetoond door het bestuursorgaan. Het causaliteitsvermoeden speelt eerst een rol bij de vaststelling van de gevolgen van het handelen. Na beantwoording door de prejudiciële vraag door het Hof van Justitie in de zaak T-Mobile oordeelde het College ter zake van het bewijsvermoeden van causaliteit:
`Gelet op artikel 6 EVRM en de uitleg van deze bepaling in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Salabiaku mag niet worden gevergd dat het bewijsvermoeden wordt weerlegd met onomstotelijk bewijs dat de afstemming geen invloed op hun marktgedrag heeft gehad. Naar het oordeel van het College moeten marktdeelnemers zoveel aandragen, dat het vermoeden van beïnvloeding van hun marktgedrag wordt ontkracht. Een verdergaande toepassing van het bewijsvermoeden is naar het oordeel van het College niet in overeenstemming met de voorwaarden van artikel 6, tweede lid, EVRM.' 15
Waar het gaat om handel met voorwetenschap werd in de zaak Spector Photo Group uitgegaan van het weerlegbare vermoeden dat er een verband bestaat tussen het handelen in effecten en de voorwetenschap, zodat als uitgangspunt heeft te gelden dat de betrokken persoon gebruik maakt van zijn voorwetenschap als hij transacties verricht.16 In voorwetenschapzaken zal van de verdachte evenmin mogen worden gevergd dat hij het rechtsvermoeden ter zake van het gebruik weerlegt met hard bewijs. Voldoende is dat hij een plausibele verklaring geeft voor zijn handelen.17