Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/7.4
7.4 Kwalitatieve aansprakelijkheid
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS590935:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover § 4.5.3.
Met dien verstande dat het voor een kind dat de leeftijd van veertien jaren nog niet heeft bereikt gaat om een gedraging die als een onrechtmatige daad zou kunnen worden toegerekend als zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan (art. 6:169 BW). Hier kan het gaan om een onrechtmatige daad van het kind die in de feitelijke situatie niet kan worden toegerekend, maar ook om een hypothetische onrechtmatige daad van het kind. Zie hierover: Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015, nr. 177.
In nr. 236 worden per kwalitatieve aansprakelijkheid voor deze personen argumenten gegeven waarom meer beperkte toerekening bij de kwalitatieve aansprakelijkheid zich niet laat rechtvaardigen.
Men kan er nog over twisten of sprake is van onrechtmatigheid als een zaak niet voldoet aan de daaraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen, zie hierover bijvoorbeeld Sieburgh 2000, p. 189 t/m 192. Hier wordt dat verder in het midden gelaten.
Zie nr. 358 e.v.
362. Geen reden bestaat om in het geval van kwalitatieve aansprakelijkheid in het algemeen hogere eisen te stellen aan het vereiste normatieve verband dan in het geval van aansprakelijkheid op grond van een gepleegde onrechtmatige daad. De hanteerbaarheid en consistentie in het recht zijn er – integendeel – mee gediend de reikwijdte van aansprakelijkheid voor beide situaties volgens eenzelfde methode vast te stellen.1 Hiervan uitgaande geldt het volgende ten aanzien van het doel van de kwalitatieve aansprakelijkheden voor personen, opstallen, roerende zaken en dieren.
Kwalitatieve aansprakelijkheid voor personen
363. In het geval van kwalitatieve aansprakelijkheid voor kinderen (art. 6:169 BW), ondergeschikten (art. 6:170 BW), niet-ondergeschikten (art. 6:171 BW) en vertegenwoordigers (art. 6:172 BW) is steeds sprake van een onrechtmatige daad van een ander: namelijk het kind,2 de (niet-)ondergeschikte of de vertegenwoordiger. Mijns inziens geldt hier dat het doel van deze kwalitatieve aansprakelijkheden is het beschermen tegen dezelfde schade als waartegen met de norm die wordt geschonden door het kind, de (niet-)ondergeschikte respectievelijk de vertegenwoordiger beoogd is te beschermen. De schade die in een toereikend normatief verband staat tot de normschendende gedraging op grond van het beschermingsdoel van de door degene waarvoor kwalitatieve aansprakelijkheid bestaat geschonden norm, staat om deze reden mijns inziens ook in een toereikend normatief verband ten opzichte van de gebeurtenis die kwalitatief aansprakelijk maakte.3
Kwalitatieve aansprakelijkheid voor roerende zaken en opstallen
364. Op grond van art. 6:173 BW is de bezitter van een roerende zaak in beginsel aansprakelijk als bekend is dat de zaak, zo zij niet voldoet aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden aan de zaak mag stellen, een bijzonder gevaar voor personen of zaken oplevert en dat gevaar zich verwezenlijkt. Op grond van art. 6:174 BW is de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, in beginsel aansprakelijk indien dit gevaar zich verwezenlijkt.
Blijkens de formulering van deze wetsbepalingen is het doel van deze kwalitatieve aansprakelijkheden het beschermen tegen het (bijzondere) gevaar voor personen of zaken dat bestaat vanwege de gebrekkigheid van de roerende zaak of de opstal.4 Welk (bijzonder) gevaar is dat? Het gaat naar ik meen om het (bijzondere) gevaar voor personen of zaken dat de eisen die in de gegeven omstandigheden aan de roerende zaak of de opstal mogen worden gesteld, beogen te elimineren of beperken. Het gaat, net als bij ongeschreven normen van maatschappelijke zorgvuldigheid die gelden in gevaarzettingscasus,5 om het gevaar waarop een dermate grote kans bestaat dat het als onaanvaardbaar wordt bestempeld en eisen aan de roerende zaak of de opstal worden gesteld om te voorkomen dat het gevaar aanwezig is.
De Hoge Raad heeft ook geoordeeld dat het bij de beoordeling van de gebrekkigheid van een opstal aankomt op “de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn”6 (rov. 4.4.4). In Vennemans/Nijmegen heeft de Hoge Raad geoordeeld dat deze maatstaven “overeen[komen] met de ‘kelderluikcriteria”.7
Het (bijzondere) gevaar waartegen de kwalitatieve aansprakelijkheden voor roerende zaken en opstallen beogen te beschermen, laat zich in het concrete geval op dezelfde manier specificeren als bij gevaarzetting: welke personen worden aan het gevaar blootgesteld, wat is het soort schade dat voor deze personen zou kunnen ontstaan en door middel van welk mechanisme zou deze schade kunnen intreden?
In de zaak Amercentrale8 lag de vraag voor of de eigenaar van een opslagtank van stookolie, op grond van art. 1405 (oud) BW, aansprakelijk was voor de olieverontreiniging van water en land ten gevolge van het plotseling openscheuren van de tank. Het hof beantwoordde deze vraag bevestigend. De Hoge Raad sanctioneerde dat toerekeningsoordeel met de motivering dat “olieverontreiniging van water en land behoort tot de typische gevolgen welke van de instorting van een olietank zijn te verwachten”. Bij de beoordeling van de toerekenbaarheid van de schade in het geval waarin art. 6:174 BW de grondslag voor de aansprakelijkheid zou geven, ligt mijns inziens voor de hand dat aan de met olie gevulde opstal de eis wordt gesteld dat deze intact blijft mede vanwege het voorzienbare gevolg van de verontreiniging van de omgeving met olie. De toerekening van de schade die het gevolg is van de omstandigheid die kwalitatief aansprakelijk maakt, laat zich dan motiveren door erop te wijzen dat de schade geldt als de verwezenlijking van het gevaar waartegen de kwalitatieve aansprakelijkheid beoogde te beschermen.
Kwalitatieve aansprakelijkheid voor dieren
365. Op grond van art. 6:179 BW is de bezitter van een dier aansprakelijk voor de door het dier aangerichte schade, tenzij aansprakelijkheid op grond van afdeling 6.3.1 BW zou hebben ontbroken indien de bezitter de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht in zijn macht zou hebben gehad. De grondslag van deze aansprakelijkheid moet volgens de Hoge Raad worden gezocht in het gevaar dat schuilt in de eigen energie van het dier en het onberekenbare element dat in die energie ligt opgesloten.9
Bij de bepaling van het doel van deze kwalitatieve aansprakelijkheid kan worden aangeknoopt bij de gedragsnormen die gelden voor de bezitter van een dier waarnaar de tenzij-clausule verwijst. Het doel van de kwalitatieve aansprakelijkheid is te beschermen tegen die schade waartegen, indien de bezitter de gedraging van het dier in de hand zou hebben gehad, de dan geldende gedragsnormen beogen te beschermen. Waar het gaat om gedragsnormen van ongeschreven recht, is dat het voorzienbare gevaar met het oog waarop de gedragsnorm geldt. Op het uitgangspunt dat met de kwalitatieve aansprakelijkheid voor dieren beoogd is te beschermen tegen de schade waartegen de gedragsnormen die gelden ingeval de bezitter de gedraging van het dier in de hand zou hebben, geldt wel een beperking. Slechts voor zover met deze gedragsnormen beoogd is te beschermen tegen de verwezenlijking van het gevaar dat schuilt in de eigen energie van het dier en het onberekenbare element dat in die energie ligt opgesloten, kan het doel van die normen ook gelden als het doel van de kwalitatieve aansprakelijkheid.