Een verklaring voor deze met haar eerdere opstelling niet geheel strokende handelwijze wordt niet gegeven en behoeft trouwens ook niet te worden gegeven. Ik houd het er maar op dat verzoekster ondertussen een onverwacht fortuin ten deel is gevallen.
HR, 06-10-1998, nr. 3584
ECLI:NL:HR:1998:1
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-10-1998
- Zaaknummer
3584
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1998:1, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑10‑1998; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1997:4
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1998:2
ECLI:NL:PHR:1998:2, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑02‑1998
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1998:1
ECLI:NL:HR:1997:ZD9654, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑11‑1997; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1997:4
ECLI:NL:PHR:1997:4, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑02‑1997
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1997:ZD9654
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1998:1
Uitspraak 06‑10‑1998
Inhoudsindicatie
Eindbeschikking
Partij(en)
6 oktober 1998
Strafkamer
nr. 3584 D Besch.
Hoge Raad der Nederlanden
Eindbeschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof te Arnhem van 5 juni 1996 op een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 575, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering ingediend door:
[veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 1943 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats].
1. De bestreden beschikking
Het Hof heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de Officier van Justitie in het arrondissement Leeuwarden op 18 september 1995 uitgevaardigd dwangbevel ongegrond verklaard.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
2.1.
De Hoge Raad verwijst naar hetgeen omtrent het geding in cassatie is overwogen in zijn in deze zaak op 18 november 1997 gegeven tussenbeschikking. Die tussenbeschikking is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2.
De Hoge Raad heeft bij de hiervoor genoemde tussenbeschikking de veroordeelde in de gelegenheid gesteld om binnen veertien dagen nadat de Griffier van het Hof haar daartoe schriftelijk heeft aangemaand het nog verschuldigde bedrag en al de kosten, in totaal ƒ 1097,27 belopende, ter griffie van het Hof te consigneren.
2.3.
De veroordeelde heeft blijkens een brief van de Griffier van het Hof aan de Griffier van de Hoge Raad van 24 november 1997 thans aan de in art. 575, derde lid, Sv voor de ontvankelijkheid van het cassatieberoep gestelde eis van consignatie voldaan.
2.4.
De Advocaat-Generaal Van Dorst heeft bij tweede aanvullende conclusie van 24 februari 1998 geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking met bepaling dat het door de veroordeelde in consignatie gegeven bedrag zal worden gerestitueerd.
2.5.
De Hoge Raad heeft kennis genomen van een na de datum waarop de tweede aanvullende conclusie van het Openbaar Ministerie is genomen nog ingekomen schrijven van de raadsman, gedateerd 4 maart 1998.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden beschikking
3.1.
Het tweede lid van art. 575 Sv bepaalt dat het dwangbevel wordt uitgevaardigd "door het openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging van het vonnis of arrest is belast". Ingevolge het bepaalde in het eerste lid van art. 572 Sv geschiedt de tenuitvoerlegging van «en vonnis of arrest, houdende veroordeling tot geldboete, "door het openbaar ministerie dat de zaak aanhangig heeft gemaakt". Het verzet in de onderhavige zaak is gedaan tegen de tenuitvoerlegging van een arrest van het Gerechtshof te Arnhem en betreft dus een zaak die door de Procureur-Generaal bij het Gerechtshof te Arnhem (in hoger beroep) aanhangig is gemaakt. Dat brengt mee dat de Officier van Justitie te Leeuwarden niet bevoegd was die tenuitvoerlegging ter hand te nemen en een dwangbevel uit te vaardigen.
3.2.
Het voorgaande brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en het middel geen bespreking behoeft. Aangezien na vernietiging en terugwijzing van de zaak geen andere beslissing kan volgen dan gegrondverklaring van het verzet, zal de Hoge Raad de zaak als volgt zelf afdoen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden beschikking;
Verklaart het verzet tegen het door de Officier van Justitie te Leeuwarden op 18 september 1995 uitgevaardigde dwangbevel gegrond;
Bepaalt dat de Griffier van het Gerechtshof het door [veroordeelde] in consignatie gegeven bedrag aan haar zal restitueren.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Koster en Schipper, in bijzijn van de waarnemend-griffier Bijvoet in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 1998.
Conclusie 24‑02‑1998
Inhoudsindicatie
Tweede aanvullende conclusie
Tweede aanvullende conclusie
Nr. 3584 D Besch.
Mr Van Dorst
Parket, 24 februari 1998
Conclusie inzake:
[verzoekster=veroordeelde]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij tussenbeschikking van 4 november 1997 heeft Uw Raad beslist dat en waarom art. 6 EVRM weliswaar van toepassing is op de onderhavige verzetprocedure, doch dat verzoekster zich niet op deze verdragsbepaling kan beroepen ter staving van haar standpunt dat zij in verband met haar (gestelde) geringe draagkracht niet behoeft te voldoen aan de in art. 575 lid 3 Sv vermelde verplichting tot voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten.
2. Verzoekster heeft inmiddels de vereiste zekerheid gesteld.1.Het cassatieberoep kan derhalve in behandeling kan worden genomen.
3. Ambtshalve merk ik het volgende op.
4. In het dossier dat op de voet van art. 433 lid 3 Sv aan de Hoge Raad is gestuurd, bevindt zich niet het in casu uitgevaardigde dwangbevel (en kostenberekening); ook ontbreekt het bezwaarschrift waarmee verzet is gedaan. Bedoelde stukken konden niet meer achterhaald worden bij het gerechtshof te Arnhem. Niettemin kon het dossier gecompleteerd worden daar het CJIB te Leeuwarden in staat bleek om afschriften te verstrekken.
5. Het hof heeft in zijn bestreden beschikking vastgesteld dat het dwangbevel is uitgevaardigd door de officier van justitie. Naar uit de thans aanwezige stukken kan worden afgeleid, doelt het hof daarmee klaarblijkelijk op het door de officier van justitie te Leeuwarden gegeven dwangbevel tot tenuitvoerlegging van het door het gerechtshof te Arnhem op 24 december 1993 gewezen arrest.
6. Art. 553 Sv belast het OM bij het gerecht dat de beslissing heeft gegeven met de tenuitvoerlegging. Andere voorschriften bevestigen dit. Gewezen kan worden op art. 572 lid 1 Sv inhoudende dat de tenuitvoerlegging van een beslissing houdende de veroordeling tot o.m. geldboete geschiedt door het OM dat de zaak aanhangig heeft gemaakt, en art. 575 lid 2 Sv inhoudende dat met het oog op verhaal een dwangbevel kan worden uitgevaardigd door het OM dat met de tenuitvoerlegging van de beslissing is belast.
7. Hieruit volgt dat het in casu door het gerechtshof te Arnhem gewezen arrest d.d. 24 december 1993 geëxecuteerd had dienen te worden op last van de procureur-generaal bij het hof. Opmerking verdient nog dat de officier van justitie te Leeuwarden aan art. 26 lid 2 WMW niet de bevoegdheid kan ontlenen om dwangbevelen uit te vaardigen met het oog op verhaal van andere dan de in de WAHV bedoelde administratieve sancties. Ik moge daartoe verwijzen naar o.m. HR DD 97.009 en DD 97.066.
8. Dit leidt ertoe dat de bestreden beslissing niet in stand kan blijven, dat het verzet alsnog gegrond dient te worden verklaard en dat het in consignatie gegeven bedrag behoort te worden gerestitueerd (HR 10 juni 1997 nr. 34930).
9. Na het ambtshalve bijbrengen van voormelde cassatiegronden kunnen de door mr Hummels ontwikkelde bezwaren tegen ‘s hofs beschikking onbesproken blijven. Mocht Uw Raad ze toch behandeld willen zien, dan ben ik bereid dat bij aanvullende conclusie te doen.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking, met bepaling dat het door verzoekster in consignatie gegeven bedrag zal worden gerestitueerd.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑02‑1998
Uitspraak 04‑11‑1997
Inhoudsindicatie
Tussenbeschikking
Partij(en)
4 november 1997
Strafkamer nr. 3584 D Besch.
AB
Hoge Raad der Nederlanden
TUSSENBeschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof te Arnhem van 5 juni 1996 op een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 575, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering ingediend door:
[veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 1943 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats].
1. De bestreden beschikking
Het Hof heeft het verzet van betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de Officier van Justitie in het arrondissement Leeuwarden op 18 september 1995 uitgevaardigd dwangbevel ongegrond verklaard. De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
2.1.
De veroordeelde heeft tegen de beschikking van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Namens deze heeft mr E. Th. Hummels, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. Voorts heeft mr Hummels een aanvulling op de schriftuur ingediend. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2.
De Advocaat-Generaal Van Dorst heeft bij conclusie en aanvullende conclusie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde in haar cassatieberoep.
2.3.
De Hoge Raad heeft kennis genomen van een na de datum waarop de conclusie van het Openbaar Ministerie is genomen nog ingekomen schrijven van de raadsman.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
(i) Bij onherroepelijk arrest van 24 december 1993 is de veroordeelde ter zake van diefstal in vereniging door middel van braak of inklimming door het Hof veroordeeld tot betaling van een geldboete van ƒ 500,-, bij noch volledige betaling noch verhaal te vervangen door tien dagen hechtenis.
(ii) Door het Openbaar Ministerie is aan de veroordeelde een eerste aanmaning verzonden, waarin de veroordeelde is gewezen op het bepaalde in art. 24b, tweede lid, Sr. Toen betaling achterwege bleef is op 9 augustus 1994 een arrestatiebevel uitgevaardigd. Op 23 december 1994 is het arrest ter verdere tenuitvoerlegging overgedragen aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau, waarna het arrestatiebevel is ingetrokken. Op 19 juni 1995 is vervolgens aan de veroordeelde een tweede aanmaning verzonden met daaraan gehecht een acceptgirokaart. Het bedrag van de geldboete is overeenkomstig het bepaalde in art. 24b, tweede lid, Sr verder verhoogd met een vijfde. De hiervoren vermelde stukken zijn niet onbestelbaar retour ontvangen. Verificatie van het adres van de veroordeelde heeft plaatsgevonden.
(iii) Op 18 september 1995 is door het Openbaar Ministerie een dwangbevel uitgevaardigd, omdat de veroordeelde nalatig bleef de geldboete en de daarop gevallen verhogingen te voldoen. Tegen de tenuitvoerlegging van dit dwangbevel heeft de veroordeelde bij op 7 maart 1996 ingekomen bezwaarschrift op de voet van het bepaalde in art. 575 Sv verzet gedaan bij het Hof, dat het verzet op 8 mei 1996 heeft behandeld en vervolgens op 5 juni 1996 de onder 1 vermelde beschikking heeft gegeven. Tegen die beschikking heeft de veroordeelde het in 2 vermelde beroep in cassatie ingesteld.
3.2.
Ingevolge art. 575, eerste en tweede lid, Sv kan de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk vonnis of arrest, waarbij een geldboete is opgelegd, geschieden door verhaal op de goederen van de veroordeelde krachtens een dwangbevel, uitgevaardigd door het openbaar ministerie dat met die tenuitvoerlegging is belast. Tegen de tenuitvoerlegging van een dergelijk dwangbevel kan ingevolge het derde lid van die wetsbepaling verzet worden gedaan door indiening van een met redenen omkleed bezwaarschrift bij het gerecht waartoe de rechter behoort die de straf heeft opgelegd. Doordat het verzet nimmer gericht kan zijn tegen het vonnis of arrest waarbij de geldboete is opgelegd, heeft het slechts een beperkte strekking. De wetgever heeft de mogelijkheid geopend om tegen de op het verzet gegeven beschikking beroep in cassatie in te stellen, doch heeft de ontvankelijkheid van de veroordeelde in dat beroep afhankelijk gesteld van voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten ter griffie van het gerecht dat de beschikking heeft gegeven, of tot hetwelk de rechter van wie de beschikking afkomstig is behoort. De wet voorziet niet in een mogelijkheid om daarvan geheel of gedeeltelijk vrijstelling te verlenen, terwijl ook de wetsgeschiedenis daarvoor geen enkel aanknopingspunt biedt.
3.3.
Bij brief van 22 november 1996 heeft de Griffier van het Hof de veroordeelde mededeling gedaan omtrent voormelde wettelijke bepaling en haar in de gelegenheid gesteld om binnen dertig dagen na de dagtekening van deze brief het nog verschuldigde bedrag en al de kosten ter griffie van het Hof te consigneren. Uit een brief van de Griffier van het Hof van 10 januari 1997 aan de Griffier van de Hoge Raad blijkt evenwel dat binnen genoemde termijn van de veroordeelde geen betaling is ontvangen.
3.4.
In de cassatieschriftuur is namens de veroordeelde aangevoerd dat deze niet in staat is het ter consignatie verschuldigde bedrag te voldoen en dat de toegang tot de rechter ingevolge art. 6 EVRM dient te zijn gewaarborgd, zodat in de onderhavige zaak de bepaling van art. 575 Sv, voorzover inhoudende de verplichting om het nog verschuldigde bedrag en al de kosten te consigneren, buiten toepassing dient te worden gelaten.
3.5.
Vooropgesteld moet worden dat het in de procedure van art. 575 Sv gaat om het directe gevolg van een onherroepelijk geworden uitspraak in een strafzaak, waarbij de veroordeelde in gebreke is gebleven de als straf opgelegde geldboete te voldoen binnen de ingevolge art. 561 Sv bepaalde termijn. De vervolgprocedure van art. 575 Sv, welke als inzet heeft het verzet van de veroordeelde tegen het verhaal krachtens dwangbevel van de geldboete, kan als direct gevolg in zoverre niet los van de voorafgaande strafprocedure worden gezien, dat art. 6 EVRM ook op die vervolgprocedure van toepassing is, zij het dat niet alle door art. 6 EVRM gegarandeerde rechten op dezelfde wijze van toepassing zijn als in de strafzaak. Dit leidt evenwel - op grond van het hierna volgende - niet tot de conclusie dat voor de veroordeelde in de onderhavige cassatieprocedure de toegang tot de rechter op onaanvaardbare wijze wordt beperkt door het stellen van het vereiste van een voorafgaande consignatie.
3.6.
De tenuitvoerlegging van het dwangbevel wordt geschorst door het indienen van een bezwaarschrift, waarna het verzet tegen de tenuitvoerlegging in het openbaar wordt behandeld door de raadkamer van het desbetreffende gerecht - hier het Hof dat de merites van het bezwaarschrift, voorzover dit niet treedt in de uitspraak zelf, ten volle beoordeelt. Voor deze procedure voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht is geen griffierecht verschuldigd, noch kan de rechter in zijn beslissing op het verzet daaraan een kostenveroordeling verbinden ten laste van de partij wier bezwaarschrift niet-ontvankelijk dan wel ongegrond wordt verklaard. De wetgever heeft tegen de beschikking die vervolgens wordt gegeven door de raadkamer, nog één rechtsgang opengesteld, en wel beroep in cassatie, waar het verzet andermaal - binnen het kader van de ingevolge de Wet RO aan de Hoge Raad opgedragen taak - aan de Hoge Raad ter beoordeling kan worden voorgelegd, zij het onder de beperkende voorwaarde dat de veroordeelde slechts in het cassatieberoep ontvankelijk is na voorafgaande inbetalingstelling tot zekerheid van de geldboete met de daarop gevallen verhogingen en voorts van alle verdere kosten van de tenuitvoerlegging, zoals berekend volgens de wet.
3.7.
Gegeven de beperkte aard van de verzetprocedure van art. 575 Sv en de procedurele waarborgen waarmede het geding in verzet in eerste aanleg is voorzien, alsmede de waarborgen waarmede, voordien in de strafprocedure de oplegging van een geldboete, en nadien de tenuitvoerlegging daarvan voorafgaand aan het verhaal krachtens dwangbevel, zijn omringd, - een en ander zoals hierna in 3.8 is vermeld - kan niet worden gezegd dat door het stellen van de voorwaarde van de in art. 575 Sv omschreven consignatie het recht van de veroordeelde om toegang te verkrijgen tot de rechter in cassatie in de verzetprocedure op onaanvaardbare wijze wordt beperkt.
3.8.
Tot die in 3.7 bedoelde waarborgen moeten worden gerekend, dat:
(i) de rechter ingevolge art. 24 Sr bij de vaststelling van de geldboete rekening moet houden met de draagkracht van de verdachte in de mate waarin hij dat nodig acht met het oog op een passende bestraffing zonder dat de verdachte in zijn inkomen en vermogen onevenredig wordt getroffen;
(ii) de rechter ingevolge art. 24a Sr bij oplegging van een geldboete van ten minste vijfhonderd gulden kan bepalen dat de veroordeelde het bedrag in gedeelten mag voldoen, welke termijnen op ten minste één en ten hoogste drie maanden kunnen worden gesteld en tezamen een tijdvak van twee jaar niet mogen overschrijden;
(iii) de veroordeelde ingevolge art. 24b Sr door het openbaar ministerie schriftelijk tot betaling wordt aangemaand in geval een geldboete niet binnen de daarvoor gestelde termijn is voldaan;
(iv) het openbaar ministerie ingevolge art. 561 Sv uitstel van betaling kan verlenen of betaling in termijnen kan toestaan en, indien art. 24a Sr is toegepast, op verzoek van de veroordeelde schriftelijk een voor deze gunstiger regeling van de betaling kan toestaan, waarbij het totale bedrag in elk geval moet zijn voldaan binnen twee jaar en drie maanden na de dag waarop de uitspraak voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.
3.9.
Aan hetgeen in 3.7 en in 3.8 in het algemeen is overwogen kan worden toegevoegd, dat het Hof bij de oplegging van de geldboete aan de veroordeelde het bepaalde in art. 24 Sr in aanmerking heeft genomen, en dat niet is gebleken dat aan het met de tenuitvoerlegging belaste Openbaar Ministerie het verzoek is gedaan door de veroordeelde om uitstel van betaling van de geldboete te verlenen of om haar betaling in termijnen toe te staan. Dit in aanmerking genomen alsmede hetgeen in 3.1 is vermeld omtrent de tijdstippen waarop de veroordeelde is gemaand tot betaling of gewaarschuwd voor wettelijke verhogingen van het door haar verschuldigde, had de veroordeelde zich kunnen en moeten realiseren, dat het niet tijdig betalen van de aan haar draagkracht aangepaste geldboete, zonder dat zij van haar kant het initiatief heeft genomen om uitstel van betaling te verkrijgen of om - gegeven het tijdsverloop tot aan de verzetprocedure - tijdig zelf het nodige te reserveren, haar in een situatie zou brengen, dat het aan haarzelf is te wijten dat zij, naar zij aanvoert, niet kan voldoen aan de in art. 575 Sv vermelde verplichting tot voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten. Bezwaarlijk kan dan ook met vrucht worden betoogd dat deze verplichting van art. 575 Sv buiten toepassing moet worden gelaten.
3.10.
Uit het hiervorenoverwogene volgt dat de veroordeelde zich tevergeefs erop beroept dat zij niet in staat was het ter -consignatie verschuldigde bedrag te voldoen. De Hoge Raad zal, alvorens te beslissen over de ontvankelijkheid van de veroordeelde in haar beroep, haar in de gelegenheid stellen alsnog aan de ingevolge art. 575, derde lid, Sv daarvoor geldende voorwaarde te voldoen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
Stelt de veroordeelde in de gelegenheid om binnen veertien dagen nadat de Griffier van het Hof haar daartoe schriftelijk heeft aangemaand het nog verschuldigde bedrag en al de kosten, in totaal ƒ 1097,27 belopende, ter griffie van het Hof te consigneren;
Bepaalt dat daartoe een afschrift van deze beschikking aan de Griffier van het Hof zal worden verstuurd;
Verstaat dat de Griffier van het Hof de hiervoren vermelde schriftelijke aanmaning aan de veroordeelde zal versturen en aan de Griffier van de Hoge Raad na afloop van de hiervoren vermelde termijn mededeling zal doen of door de veroordeelde is voldaan aan de verlangde consignatie;
Houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident Haak als voorzitter, en de raadsheren Bleichrodt, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, Koster en Schipper, in bijzijn van de griffier Bogaert, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting 4 november 1997.
Conclusie 18‑02‑1997
Inhoudsindicatie
-
Nr. 3584 D Besch.
Mr Van Dorst
Parket, 18 februari 1997
Conclusie inzake
[verzoekster=veroordeelde]
Edelhoogachtbaar College
1. Het cassatieberoep richt zich tegen een beschikking van het gerechtshof te Arnhem waarbij het verzet van verzoekster tegen de tenuitvoerlegging van een uitgevaardigd dwangbevel ongegrond is verklaard.
2. Namens verzoekster heeft mr E.Th. Hummels, advocaat te Utrecht, een middel van cassatie voorgesteld. Nadien heeft mr Hummels nog aanvullende informatie toegezonden.
3. Art. 575 lid 3 Sv bepaalt dat de veroordeelde in zijn cassatieberoep slechts ontvankelijk is na voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van alle kosten. Uit de stukken blijkt dat verzoekster voor het aldus verschuldigde bedrag van f 1.097,27 geen zekerheid heeft gesteld.
4. Mr Hummels stelt dat verzoekster financieel niet in staat is deze zekerheid te stellen. Gelet op het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, dient dat naar zijn mening te leiden tot het buiten toepassing laten van bedoeld voorschrift danwel tot het verlenen van ontheffing van de verplichting tot zekerheidstelling.
5. Kennelijk bedoelt mr Hummels aansluiting te zoeken bij de rechtspraak van Uw Raad over de toegang tot de rechter in WAHV-zaken (HR NJ 1995, 598 nt C) . Die jurisprudentie geldt echter alleen voor de zekerheidstelling als bedoeld in art. 11 WAHV. Deze zekerheidstelling fungeert als drempel bij het instellen van beroep op de kantonrechter tegen de beslissing van de officier van justitie. Is die drempel, gelet op alle omstandigheden van het geval, te hoog dan kan zij een wezenlijke blokkade vormen voor de toegang tot de (kanton)rechter. Het gevolg daarvan kan zijn dat een sanctie wordt tenuitvoergelegd die niet aan de rechter ter beoordeling voorgelegd kon worden. Dat nu is in strijd met art. 6 lid 1 EVRM.
6. Die situatie doet zich niet voor wanneer het gaat om het verzet tegen een dwangbevel inzake een bij rechterlijk vonnis opgelegde geldboete. Ten eerste is in de initiële procedure de vrije toegang tot de rechter verzekerd. Ten tweede staat tegen het dwangbevel dat uiteindelijk wordt uitgevaardigd tot verhaal van o.m. de boete, verzet open bij de rechter, met als enige eis dat het bij bezwaarschrift moet worden gedaan; die toegang wordt niet door een financiële drempel bemoeilijkt.
7. In WAHV-zaken heeft de Hoge Raad reeds uitgemaakt dat er in de inningsfase geen ruimte is voor het verlenen van gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de zekerheidstelling die art. 26 lid 3 WAHV eist (HR DD 94.272, 94.343).
8. De tekst van de wet noch de wetsgeschiedenis nopen tot een ander oordeel in zaken waarop art. 575 lid 3 Sv het oog heeft. 9. Voor afwijking is te minder plaats nu er in strafzaken van moet worden uitgegaan dat de opgelegde geldboete (i.c. f 500, --) in overeenstemming is met de draagkracht van de veroordeelde (art. 24 Sr). Aangenomen moet worden dat de veroordeelde deze boete destijds kon betalen. De veroordeelde had zich kunnen en behoren te realiseren dat het niet tijdig betalen van die aan de persoonlijke omstandigheden aangepaste boete op den duur zou kunnen leiden tot zodanige verhogingen (art. 24b Sr) en kosten van verhaal (art. 575 lid 2 Sv) dat het totaalbedrag alsdan te hoog zou blijken zijn om -na gedaan verzet- in cassatie de vereiste zekerheid te kunnen stellen. Wel is dan de toegang tot cassatierechter versperd. Van een inbreuk op art. 6 lid 1 EVRM is echter geen sprake. Deze bepaling laat immers onverlet, dat -zo de wetgever al een hogere voorziening openstelt tegen het verzet tegen een dwangbevel- de wet nadere eisen stelt aan het instellen van het rechtsmiddel; zie in dit verband ook art. 14 lid 5 IVBPR en art. 2 bij het 7e Protocol bij het EVRM (waarbij Nederland zich overigens niet heeft aangesloten). Uitvoeriger over de beperkingen die aan het instellen van rechtsmiddelen verbonden mogen J. de Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken, blz. 137 ev.
10. Slotsom is dat verzoekster in haar beroep niet-ontvankelijk is, zodat het voorgestelde middel buiten behandeling moet blijven.
11. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,