Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/2.13
2.13 Toegang tot de rechter IV: hoger beroep, herziening, effectieve rechtsmiddelen en de redelijke termijn
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer Schlbsssels, 'Concentratie van bestuursrechtspraak', in: Concentratie en specialisatie van rechtspraak: noodzaak of overbodig? (2006).
Wiewel, 'Een verdragsconforme toepassing van het verlofstelsel. Wet stroomlijen hoger beroep', NJB 2008/170, p. 213-216.
Jebbink, 'Verlofstelsel in strafzaken: schijnrechtspraak in strijd met het IVBPR', DD 2008/59, p. 849864.
Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 754-755.
Vergelijk HRC 20 juli 2000, FED 2000/683 (Gomez Vasques) en 24 maart 1982, Selected Decisions of the HRC under the optional protocol, deel I, p. 127.
HRC 27 juli 2020, no. 1797/2008 (M. tegen Nederland). Zie daarover Buruma in: Sackers en Buruma (red.), Kroniek van het strafrecht 2010 (2011), p. 90 en De Roos, Intemationaalrechtelijke beslissingen over het Nederlandse verlofstelsel in strafzaken', Strafblad 2011, p. 7-10.
Art. 2 lid 2 van het Zevende protocol bij het EVRM bevat bovendien uitzonderingsmogelijkheden. Indien dit protocol wel van toepassing is, kan worden volstaan met twee feiteninstanties, dus zonder cassatie, aldus EHRM 11 december 2008, EHRC 2009/9 (Panovits), par. 55.
In EHRM 14 november 2000, EHRC 2000/94 (T.) werd benadrukt dat in het hoger beroep niet de mogelijkheid bestond de tekortkomingen in eerste aanleg te herstellen nu appellant niet werd gehoord en geen nieuwe informatie mocht inbrengen.
Widdershoven, `De invloed van het EG-recht en het EVRM op de Nederlandse bestuursrechtspraak', JBpius-Verklaard 2006, p. 37.
EHRM 17 januari 1970, no. 2689/65 (Delcourt).
EHRM 2 maart 1987, nos. 9562/81 en 9818/82 (Monnell and Morris).
EHRM 2 juni 2009, NJ 2010/338 (R.H.).
EHRM 22 februari 2011, no. 26036/08 (Lalmahomed).
Zie ook De Roos, Intemationaalrechtelijke beslissingen over het Nederlandse verlofstelsel in strafzaken', Strafblad 2011, p. 7-10.
EHRM 24 september 2009, no. 7025/04 (Pishchalkinov), par. 99.
EHRM 17 september 2009, AB 2010/102 (Scoppola), par. 154.
HR 1 februari 1991, NJ 1991/413.
EHRM 11 december 2008, EHRC 2009/9 (Panovits), par. 103.
EHRM 18 juli 2006, RvdW 2006/844 (Keegan).
EHRM 12 mei 2000, NJ 2002/180 (Khan), par. 38-39.
EHRM 22 mei 1998, JB 1998/160 (Hozee), par. 43. Zie eerder in gelijke zin EHRM 10 december 1982, NJ 1987/828 (Foti).
Ondermeer EHRM 10 december 1982, NJ 1987/828 (Foti) en 22 mei 1998, JB 1998/160 (Hozee).
EHRM 29 november 1988, NJ 1989/815 (Brogan).
EHRM 5 juli 2007, no. 43701/04 (Hendriks). Het betrof hier verdenking van verkrachting en poging tot doodslag. Zie ook EHRM 5 juli 2007, no. 28831/04 (Kanji), een drugszaak.
Bijvoorbeeld EHRM 25 november 1992, NJ 1993/24 (Abdoella).
EHRM 25 oktober 1991, NJ 1991/626 (Koendjbiharie).
EHRM 29 maart 1990, Series A vol. 170-B (Kostovski). Zie daarover de noot van Spronken bij EHRM 20 november 1989, 50 jaar EVRM, NJCM-Bulletin 2000/1, p. 118-121 (Kostovski).
EHRM 26 oktober 2000, AB 2001/275 (Kudla).
EHRM 10 november 2004, AB 2005/257 (Pizzati), par. 26.
EHRM 29 maart 2006, RSV 2007/133 (Pizatti).
Zie ook EHRM 29 maart 2006, AB 2006/294 (Scordino).
Zie ABRvS 24 december 2008, J73 2009/42; CRvB 26 januari 2009,LTNBH1009 en CBb 4 december 2007, AB 2007/403.
De Nederlandse vertaling van art. 14 lid 5 IVBPR luidt:
`Een ieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld heeft het recht de schuldigverklaring en veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet.’
Gelet op de duidelijk tekst volstaat één feiteninstantie met daarna cassatie niet. De in art. 14 lid 5 IVBPR neergelegde eis van een vol hoger beroep was één van de redenen om het belastingprocesrecht in 2005 op de schop te nemen door de rechtbanken als eerstelijnsrechter aan te wijzen.1 In dit licht is het opmerkelijk dat nadien op 1 juli 2007 nota bene voor het 'echte' strafrecht een verlofstelsel (Wet stroomlijnen hoger beroep) is ingevoerd. Is een verlofstelsel strijdig met het IVBPR? Wiewel2 meende net als Jebbink3 van wel. Corstens neemt een meer gematigd standpunt in.4 Hij wijst op twee rapporten van het Comité voor de Rechten van de Mens waaruit kan worden afgeleid dat bij ernstige strafzaken niet kan worden volstaan met één feiteninstantie en cassatie, terwijl bij lichte vergrijpen niet altijd een herbeoordeling nodig is.5 Indien op voorhand moet worden geoordeeld dat het verzet of hoger beroep kansloos is, is het zeker voorstelbaar dat het verzet ongegrond wordt verklaard of het verlof voor het instellen van hoger beroep niet wordt verleend. Het Comité heeft in juli 2010 geoordeeld dat het in een Nederlandse strafzaak onthouden van verlof een schending van art. 14 lid 5 IVBPR opleverde nu klager niet kon beschikken over een gemotiveerd schriftelijk vonnis bij het instellen van appel en het verlof werd onthouden op de enkele motivering dat het hoger beroep niet in het belang was van een goede rechtsbedeling en de stellingen van klager geen steun vonden in het recht.6 Ook in ons bestuursrecht staat zeker niet altijd hoger beroep open tegen een uitspraak in eerste aanleg betreffende een bestuurlijke boete. Ik doel hier op de vereenvoudigde afdoening als bedoeld in art. 8:54 Awb. Bij kennelijkheden wordt uitspraak gedaan zonder zitting en staat tegen die uitspraak enkel het rechtsmiddel van verzet open (art. 8:55 Awb). Deze vereenvoudigde afdoening hoeft niet in strijd te komen met art. 14 lid 5 IVBPR. Er staat immers telkens verzet open bij de rechtbank. Er zal dan worden nagegaan of wel sprake is van een kennelijkheid.
Behoudens het Zevende Protocol, dat niet door Nederland is geratificeerd, bevat het EVRM geen recht van een (vol) hoger beroep na een veroordeling voor een strafbaar feit.7 Het EVRM zelf kent dus niet een recht op rechtspraak in twee instanties, laat staan twee feiteninstanties. Evenmin leest het Europees Hof een dergelijk recht in het verdrag. Niettemin kan de appelrechtspraak een rol vervullen ter waarborging van de in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde rechten. Zo valt te denken aan de situatie dat de rechter in eerste instantie steken heeft laten vallen. Juist omdat het EHRM kijkt of de procedure als zodanig fair is geweest, zal er ruimte zijn om gebreken in een hoger beroep te herstellen 8 Indien in eerste aanleg een volle beoordeling heeft plaatsgehad zal daarentegen bij het EHRM niet snel geklaagd kunnen worden dat bij de appelinstantie geen nieuwe feiten kunnen worden ingebracht. Widdershoven9 wijst in dit verband terecht op de uitspraken Delcourt10 en Monnell and Morris.11 In die zaken werd respectievelijk overwogen dat wannneer een verdragsstaat hoger beroep openstelt dit weliswaar moet voldoen aan de eisen van art. 6 EVRM, maar dat daarbij wel rekening moet worden gehouden met de rol die de appelprocedure heeft in de nationale rechtsorde en dat een verlofstelsel voor hoger beroep in strafzaken niet strijdig is met art. 6 EVRM. In de Finse zaak R.H. nam het Hof echter wel een schending aan van art. 6 lid 1 EVRM, omdat klager, die was veroordeeld voor een zedendelict, in hoger beroep de mogelijkheid van een zitting werd onthouden (en het vonnis in eerste aanleg zonder verder onderzoek werd bekrachtigd), terwijl hij juist bewijsvragen had opgeworpen.12 Voorts nam het Hof in februari 2011 een schending door Nederland aan ter zake van het weigeren van appelverlof. Omdat Nederland, zoals gezegd, het Zevende Protocol niet heeft geratificeerd, kon het Hof niet oordelen dat het onthouden van verlof zonder meer in strijd was met het recht op hoger beroep, maar oordeelde het dat het eerste en derde lid van art. 6 EVRM waren geschonden, omdat gegeven het verlofstelsel dat hoger beroep mogelijk maakt, het onthouden van verlof in deze zaak in strijd kwam met het recht op toegang tot een rechter en de daarmee samenhangende verdedigingsrechten. Ook hier was net als in hiervoor genoemde zaak van het Comité voor de Rechten van de Mens geen sprake van een uitgewerkt vonnis in eerste aanleg. Erger was echter dat zowel de eerste lijnsrechter als de voorzitter van het gerechtshof niet beschikte over een uittreksel waaruit bleek dat klager diverse keren was vrijgesproken, hetgeen steun kon opleveren voor zijn stelling dat (ook nu) sprake was geweest van een persoonswisseling met zijn broer.13 Deze uitspraak tezamen met het hiervoor genoemde rapport van het Comité zagen de stoelpoten onder het verlofstelsel door. De voorzitters van de gerechtshoven doen er dan ook verstandig aan om steeds verlof te verlenen.14
Het zal niet verbazen dat het Hof er de voorkeur aan geeft dat verdragsschendingen zoveel mogelijk worden gerepareerd (art. 13 EVRM) door de schending alsnog teniet te doen. Indien bijvoorbeeld verklaringen onrechtmatig zijn verkregen door het onthouden van rechtsbijstand voorafgaande of tijdens politieverhoren, terwijl de veroordeling op die verklaringen berust, dan zal het Hof, indien de lidstaat de mogelijkheid van herziening kent, die lidstaat daar aan herinneren. Zo overwoog het Hof in de zaak Pischchalkinov:
'The Court firstly notes that in the present case it has found a violation of Article 6 § 3 (c) of the Convention in conjunction with Article 6 § 1. Inasmuch as the applicant' s claim relates to the finding of that violation, the Court reiterates that when an applicant has been convicted despite a potential infringement of his rights as guaranteed by Article 6 of the Convention he should, as far as possible, be put in the position in which he would have been had the requirements of that provision not been disregarded, and that the most appropriate form of redress would, in principle, be trial de novo or the reopening of the proceedings, if requested (...). The Court notes, in this connection, that Article 413 of the Russian Code of Criminal Procedure provides that criminal proceedings may be reopened if the Court fmds a violation of the Convention (…).’15
Waar de lengte van een vrijheidstraf in strijd is gekomen met art. 7 EVRM ligt op de nationale autoriteiten de plicht een en ander te redresseren. Zo overwoog het Hof in Scoppola:
`Having regard to the particular circumstances of the case and the urgent need to put an end to the breach of Articles 6 and 7 of the Convention, the Court therefore considers that the respondent State is responsible for ensuring that the applicant' s sentence of life imprisonment is replaced by a penalty consistent with the principles set out in the present judgment, which is a sentence not exceeding thirty years' imprisonment.'16
Art. 15 lid 6 IVBPR bevat een expliciete opdracht aan de verdragspartijen om een schadevergoedingsregeling in het leven te roepen voor de gevallen dat na een eerdere onherroepelijke veroordeling het veroordelende vonnis wordt vernietigd of gratie volgt op grond van de overweging dat een nieuw (gebleken) feit onomstotelijk aantoont dat sprake is van een gerechtelijke dwaling als gevolg waarvan straf is ondergaan, tenzij betrokkene (enig) verwijt treft dat het novum niet tijdig bekend is geworden.17 In Nederland kan men onder meer denken aan de Puttense moordzaak, de Schiedamse parkmoord en Lucia de B. Buiten de echte herzieningszaken zal dus niet snel aan het criterium van art. 15 lid 6 IVBPR zijn voldaan. Ik noem deze bepaling hier omdat daaruit lijkt te volgen dat de nationale wetgeving zal moeten voorzien in de mogelijkheid van herziening en gratie. Het EVRM kent — behoudens het Zevende Protocol geen vergelijkbare eis. Uit art. 13 EVRM volgt dat de verdragspartijen ervoor zorg dienen te dragen dat een effectief rechtsmiddel openstaat om de uit het EVRM voortvloeiende rechten te waarborgen. In een voorkomend geval zal dat betekenen dat, ook al zijn de nationale rechtsmiddelen uitgeput, hetgeen ingevolge art. 35 EVRM juist een voorwaarde is voor een ontvankelijke klacht, bij constatering van een verdragsschending, een nationale instantie zal moeten voorzien in effectieve reparatie. Zo kon de burgelijke rechter, toen uit een uitspraak van het EHRM volgde dat een schending van art. 6 EVRM had plaatsgevonden waarmee de strafrechter geen rekening had kunnen houden, in kort geding oordelen dat verdere strafexecutie onrechtmatig was.18Thans is voor dit soort gevallen voorzien in de mogelijkheid van herziening (art. 457 lid 1 sub 3 Sv). In het bestuursrecht kan het bestuursorgaan worden verzocht terug te komen van diens eerdere besluit. Het stellen van nova is daarbij een eis (art. 4:6 Awb). Ik zou menen dat een uitspraak van het EHRM in dezelfde zaak wel een gewijzigde omstandigheid oplevert. In dit verband kan nog worden gewezen op de volgende overweging van het Hof:
`(...) It reiterates that when an applicant has been convicted despite an infringement of his rights as guaranteed by Article 6 of the Convention, he should, as far as possible, be put in the position that he would have been in had the requirements of that provision not been disregarded, and that the most appropriate form of redress would, in principle, be trial de novo or the reopening of the proceedings, if requested (…).’19
Ook waar ten onrechte dwangmiddelen zijn ingezet volgt uit art. 13 EVRM dat de nationale autoriteiten zorg zullen moeten dragen voor enige vorm van genoegdoening. In de zaak Keegan had de politie de deur van klager ten onrechte opengebroken, omdat één van de vorige bewoners werd gezocht. Een schadevergoeding zat er naar Brits recht niet in, omdat de politie zich had vergist en niet met opzet fout had gehandeld. Het EHRM achtte de art. 8 en 13 EVRM geschonden, omdat onnodig het huisrecht van de klager was geschonden, terwijl hem voorts geen effective remedy was geboden.20 In de zaak Khan leverde het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs geen schending op van het recht op een fair trial, maar slaagde wel de klacht dat er naar nationaal recht geen effective remedy was om een klacht inzake de inbreuk op art. 8 EVRM (afluisteren) te redreseren, omdat er geen onafhankelijke beoordeling van de klacht was gewaarborgd.21
De vraag naar een effective remedy als bedoeld in art. 13 EVRM speelt tevens bij overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM. Van oudsher kan geklaagd worden over termijnoverschrijding in burgelijke en strafzaken. Vanaf welk tijdstip begint de redelijke termijn te lopen in vervolgingszaken? In de zaak Hozee geeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de volgende maatstaf:
'The Court notes that in criminal matters, the "reasonable time'; referred to in Article 6 1 begins to run as soon as a person is "charged"; this may occur on a date prior to the case coming before the trial court, such as the date of arrest, the date when the person concerned was officially notified that he would be prosecuted or the date when preliminary investigations were opened. Furthermore, "charge", for the purposes of Article 6 1, may be defined as "the official notification given to an individual by the competent authority of an allegation that he has committed a criminal offence", a definition that also corresponds to the test whether the situation of the suspect has been substantially affected (…).’22
In de voorliggende zaak was daarvan nog geen sprake toen tegen het bedrijf van Hozee een fiscaal onderzoek liep, maar pas toen de FIOD hem meedeelde dat hij ook zelf onder verdenking was. Wanneer is sprake van een redelijke termijnoverschrijding en wat zijn de gevolgen van een overschrijding? De redelijkheid van de duur van een rechterlijke procedure moet beoordeeld worden aan de hand van de bijzondere omstandigheden van het geval, in het bijzonder de ingewikkeldheid van de zaak, het gedrag van de klager en de gedragingen van de autoriteiten.23 In de zaak Hozee had de totale rechtsgang bijna acht en een half jaar geduurd. Het EHRM achtte deze duur niet onredelijk gelet op de bijzondere complexiteit van de zaak. Daardoor is verklaarbaar dat het voorafgaande onderzoek lang duurde. Bovendien achtte het Hof relevant dat drie instanties zich over de zaak hadden gebogen, die tezamen bijna vier jaar nodig hadden. Ook constateerde het Hof dat er niet sprake was geweest van any period of inertia in de onderzoeksfase. En verder was van belang dat bij de strafmaat rekening was gehouden met de termijn die verstreken was sinds het plegen van de delicten. Dit laat onverlet dat tussen de charge en de eerste aanleg bij elkaar meer dan vier jaar lag, hetgeen me eigenlijk per definitie te lang lijkt. Waar het gaat om de voorgeleiding voor een rechter in verband met voorarrest geldt overigens een veel kortere termijn, zo volgt reeds uit de term onverwijld in de Nederlandse vertaling van art. 5 lid 3 EVRM. In de zaak Brogan besliste het Hof dat die voorgeleiding binnen drie dagen en vijftien uur diende plaats te hebben.24 In de zaak Hendriks waarin werd geklaagd over de duur van de gevangenhouding oordeelde het Hof:
'The Court notes that the applicant's pre-trial detention lasted from 16 March 2004 when he was arrested until 14 September 2004 when he was convicted by the Maastricht Regional Court, thus amounting to a total of five months and thirty days (...). This is significantly shorter than the periods examined by the Court in the cases of Letellier v. France (.. ) and Smirnova v. Russia (...), as relied on by the applicant. The shortest period of pre-trial detention examined by the Court in those cases, where it found a violation of Article 5 § 3, exceeded eighteen months. In these circumstances, the Court is satisfied that the reasons stated by the domestic judicial authorities for ordering and prolonging the applicant's pre-trial detention were "relevant" and "sufficient" for the purposes of Article 5 of the Convention. It follows that the application must be rejected as being manifestly ill-founded, pursuant to Article 35 §§ 3 and 4 of the Convention.'25
In oudere jurisprudentie liet het EHRM het nog wel eens bij de enkele constatering dat de redelijke termijn was overschreden. Dit zou voldoende genoegdoening opleveren.26Maar niet altijd. In een bewaringszaak waarin met de behandeling van een verzoek om verlenging van een TBS-maatregel vier maanden was gemoeid werd strijd aangenomen met de vereiste spoed in de zin van art. 5 lid 4 EVRM en werd een schadevergoeding toegekend.27 Waar de nationale procedure wel uitmondt in een straf die nog niet (volledig) is geëxecuteerd kan vermindering van de straf een effective remedy zijn. De toekenning van schadevergoeding wegens immateriële schade kan in strafzaken met name relevant zijn, indien de straf reeds is uitgezeten of wanneer de strafzaak zelf uitmondt in vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging. Dat geldt niet alleen voor termijnoverschrijding, maar kan ook een reparatie vormen bij andere verdragsinbreuken. Zo werd de zaak Kostovski, waarin eerder door het EHRM was geoordeeld dat de veroordeling ten onrechte was gebaseerd op een anonieme getuige, uiteindelijk door de Nederlandse regering geschikt voor fl. 150.000 vanwege de ondergane detentie (zes jaar).28 Indien de strafzaak niet is uitgemond in een veroordeling kan wellicht aansluiting worden gezocht in de redelijke termijnjurisprudentie in burgerlijke zaken. In dit verband kan worden gewezen op enige uitsprake van het EHRM inzake een effective remedy en de hoogte van immateriële schadevergoeding ten gevolge van de te lange duur van de procedure. In de zaak Kudla stelde het EHRM dat klachten omtrent de lange duur van de nationale procedure niet meer uitsluitend binnen het kader van art. 6 EVRM beoordeeld dienden te worden, maar tevens dienden te worden bezien in het licht van art. 13 EVRM:
'There is, however, no overlap and hence no absorption where, as in the present case, the alleged Convention violation that the individual wishes to bring before a "national authority" is a violation of the right to trial within a reasonable time, contrary to Article 6 § 1. The question of whether the applicant in a given case did benefit from trial within a reasonable time in the determination of civil rights and obligations or a criminal charge is a separate legal issue from that of whether there was available to the applicant under domestic law an effective remedy to ventilate a complaint on that ground. In the present case the issue to be determined before the Article 6 § 1 "tribunals" was the criminal charges brought against the applicant, whereas the complaint that he wanted to have examined by a "national authority" for the purposes of Article 13 was the separate one of the unreasonable length of the proceedings.'29
De hoogte van de immateriële schadevergoeding die het bestuursorgaan moet betalen wordt grosso modo gesteld op € 1.000 tot € 1.500 per jaar. In de eerste Pizatti-uitspraak werden de volgende richtsnoeren aangereikt:
`As regards an equitable assessment of the non-pecuniary damage sustained as a result of the length of proceedings, the Court considers that a sum varying between EUR 1,000 and 1,500 per year's duration of the proceedings (and not per year's delay) is a base figure for the relevant calculation. The outcome of the domestic proceedings (whether the applicant loses, wins or ultimately reaches a friendly settlement) is immaterial to the non-pecuniary damage sustained on account of the length of the proceedings. The aggregate amount will be increased by EUR 2,000 if the stakes involved in the dispute are considerable, such as in cases concerning labour law, civil status and capacity, pensions, or particularly serious proceedings relating to a person' s health or life. The basic award will be reduced in accordance with the number of courts dealing with the case throughout the duration of the proceedings, the conduct of the applicant — particularly the number of months or years due to unjustified adjournments for which the applicant is responsible — to the stakes involved in the dispute — for example where the financial stakes are of linie importance for the applicant — and on the basis of the standard of living in the country concerned. A reduction may also be envisaged where the applicant has been only briefly involved in the proceedings in his or her capacity as heir. The amount may also be reduced where the applicant has already obtained a fmding of a violation in domestic proceedings and a sum of money by using a domestic remedy. Apart from the fact that the existence of a domestic remedy is in full keeping with the subsidiarity principle embodied in the Convention, such a remedy is closer and more accessible than an application to the Court, is faster, and is processed in the applicant' s own language; it thus offers advantages that need to be taken into consideration.'30
In het interne appel in de Grote Kamer31 bleef de beslissing van de Kamer om bovenop de door de Italiaanse autoriteiten toegekende € 5000 een bedrag van € 20.200 toe te kennen (de nationale procedure in eerste aanleg had 26 jaar geduurd!) niet geheel in stand, want de Grote Kamer kende voor immateriële schade € 12.800 toe. Daar kwam nog € 1.600 bij omdat Italië had getalmd met het betalen van de schadevergoeding. De Grote Kamer liet echter na de richtsnoeren te herhalen en bleef steken in casuïstiek. Wel is duidelijk dat de nationale instanties enige vrijheid hebben, maar indien zij teveel afwijken van de case-law van het EHRM zal de laatste de schadevergoeding verhogen over de band van art. 41 EVRM.32 Gelet op de geciteerde overwegingen in de eerste Pizatti-uitspraak lijkt het niet nodig te vermelden in welke mate de redelijke termijn is overschreden. Volstaan kan worden met het vermelden van de duur van de bestuurlijke besluitvorming. Ik zie echter niet in waarom er reden zou zijn om een schadevergoeding mede te relateren aan de periode dat de procedure wel binnen de redelijke termijn bleef. Gelet op de marge die de lidstaten wordt gelaten en gelet op de lagere vergoeding die de Grote Kamer heeft toegekend kan de schadevergoeding daarom beter worden gerelateerd aan uitsluitend de periode van overschrijding van de redelijke termijn.33