Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.5.3.1
8.5.3.1 Richtlijn(historie)
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291451:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het ‘inpikken’ van gemeentegrond door burgers komt in Nederland op grote schaal voor. Zie: B. Hoops, Landjepik in Nederland: Een verkennend empirisch onderzoek naar het gebruik zonder recht van gemeentegrond, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2018. Beschikbaar op: https://papers.ssrn.com/sol3/papers.cfm?abstract_id=3080849.
Een vergelijking met art. 20 lid 1, onderdeel c Voorstel voor een zesde richtlijn met art. 20 lid 1 Zesde Richtlijn laat zien dat door de Europese Commissie was voorgesteld dat een behoorlijk bewezen of aangetoonde vernietiging, verlies of diefstal nimmer tot herziening leidt. De vergaderstukken inzake de totstandkoming van de Zesde Richtlijn laten zien dat - hoewel de Europese Commissie daartegen gekant was - alle (!) lidstaten het erover eens waren dat lidstaten de mogelijkheid moesten krijgen om bij in geval van naar behoren bewezen en aangetoonde vernietiging of diefstal herziening te eisen (nota van de Groep financiële vraagstukken van 3 december 1976, nr. R/2992/76 (FIN 792)). Ik laat die uitzonderingsmogelijkheid verder onbesproken.
Zie ook de toelichting van de Europese Commissie op art. 20 lid 1 Voorstel voor een zesde richtlijn, V-N 1973/18A, p. 762: “De reeds toegepaste aftrek moet worden herzien, indien blijkt dat zij ten tijde van de aangifte niet op de juiste wijze werd uitgevoerd of indien de oorspronkelijke situatie een wijziging heeft ondergaan door een latere gebeurtenis.”
Toelichting op art. 20 lid 1 Voorstel voor een zesde richtlijn, V-N 1973/18A, p. 762.
Op grond van art. 184 Btw-richtlijn wordt de oorspronkelijke aftrek herzien indien deze hoger of lager is dan die welke de belastingplichtige gerechtigd was toe te passen. De herziening vindt met name plaats indien zich na de aangifte wijzigingen hebben voorgedaan in de elementen die voor het bepalen van de aftrek in aanmerking zijn genomen, bijvoorbeeld in geval van een geannuleerde aankoop van vastgoed (art 185 lid 1 Btw-richtlijn). In afwijking van art. 185 lid 1 Btw-richtlijn vindt op grond van art. 185 lid 2 Btw-richtlijn geen herziening plaats voor handelingen, zoals vastgoedtransacties, die geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven of in geval van naar behoren bewezen en aangetoonde vernietiging of diefstal. Van vernietiging van vastgoed kan bijvoorbeeld sprake zijn bij verwoesting van een gebouw door brand of sloop. Bij diefstal van vastgoed kan gedacht worden aan het zogenoemde ‘landjepik’.1 Het tweede lid van art. 185 Btw-richtlijn voorziet in de uitzondering dat lidstaten in geval van geheel of gedeeltelijk onbetaald gebleven handelingen en diefstal herziening mogen eisen (art. 185 lid 2 Btw-richtlijn).2 Het is aan de lidstaten om nadere regels vast te stellen voor de toepassing van de herzieningsregels in art. 184 en 185 Btw-richtlijn.
In art. 20 lid 1 Voorstel voor een zesde richtlijn was een limitatieve opsomming gegeven van vier situaties waarin de oorspronkelijke aftrek moest worden herzien. Hierbij werd de situatie als bedoeld in art. 185 lid 1 Btw-richtlijn niet genoemd als een voorbeeld van een situatie waarin de oorspronkelijke aftrek hoger of lager is dan die welke de belastingplichtige gerechtigd was toe te passen, maar werden de in art. 184 en art. 185 lid 1 genoemde situaties nevenschikkend genoemd. Naast deze twee situaties werd de situatie genoemd waarin het verschil tussen het voorlopige pro rata en het definitieve pro rata meer bedraagt dan 10 punten en de situatie waarin een belastingplichtige overgaat van de normale btw-regels naar de bijzondere regeling voor kleine ondernemers of landbouwers. In de vergaderstukken inzake de totstandkoming heb ik niets kunnen vinden dat erop wijst dat met het loslaten van deze limitatieve opsomming een materiële wijziging is beoogd. Dat sprake is van een redactionele wijziging komt mij ook logisch(er) voor, aangezien de in art. 20 lid 1, onderdelen b, c en d Voorstel voor een zesde richtlijn genoemde situaties in wezen voorbeelden betreft van situaties waarin de oorspronkelijke aftrek hoger of lager is dan die welke de belastingplichtige gerechtigd was om toe te passen.3 Uit de toelichting op art. 20 Voorstel voor een zesde richtlijn volgt dat de oorzaak van de herziening zowel gelegen kan zijn in een vergissing als een wijziging van de oorspronkelijke situatie door een latere gebeurtenis.4