Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.4.3.3
4.4.3.3 Doelgebonden rechtsbetrekking
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS366027:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 4.2.7.2.
Timmerman 1991, p. 7. Timmerman verwijst op zijn beurt naar Honée, De regeringswaarnemer en de vennootschappelijke organisatie, Inaugurele rede Nijmegen 1983, p. 18 en 19.
Timmerman 2005, par. 3c.
Zie Groenewald, Doeloverschrijding bij NV en BV (diss. Groningen)(IVO-reeks nr. 39), Deventer: Kluwer 2001, in het bijzonder par. 1.4 en 7.6.
Meinema (Diss.), p. 21 en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa, nr. 51.
Art. 2:66/176 BW.
Art. 2:20 lid 2 BW.
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II*, nr. 49.
Vgl. Van der Ploeg 2013, p. 12.
Compendium 2013, p. 177 en 178 en Asser/Van der Grinten en Maeijer 2-II, nr. 74. Verwezen zij voorts naar hetgeen over de vrijheid van vereniging wordt opgemerkt in dit onderzoek.
Het staat bestuurders en commissarissen niet vrij om hun bevoegdheden in hun eigen privé belang aan te wenden.1 Zij moeten handelen in het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming. Indien zij hun taak (in dit opzicht) onbehoorlijk vervullen, dan zijn zij daarvoor aansprakelijk. Dat voorschrift is van dwingend recht. In 1991 verklaarde Timmerman2 dat met het feit dat een vennootschap een doelgebonden rechtsbetrekking is. De vennootschap is opgericht met een bepaald doel, zo voegde Timmerman daar aan toe. Dat zou er onder meer aan in de weg staan dat orgaanleden zich wat betreft de uitoefening van hun bevoegdheden zouden binden aan derden die niet gebonden zijn aan het doel en het belang van de vennootschap.
Later heeft Timmerman dit standpunt genuanceerd. In zijn Leidse oratie3 in 2005 besprak hij welke bepalingen zijns inziens van dwingend recht zouden moeten blijven. Hij vond nog steeds dat de verplichting tot een behoorlijke taakvervulling van dwingend recht moest zijn, maar verklaarde dat toen nog louter aan de hand van de waarborgfunctie (par. 4.4.3.2).
De rechtsovertuiging, dat dwingendrechtelijk zou moeten worden gehandhaafd dat vennootschappen doelgebonden rechtsbetrekkingen zijn, leeft thans inderdaad niet meer in Nederland. Deze rechtsovertuiging was onderdeel van de zogeheten ultra vires-doctrine. Deze hield in dat de rechtspersoon niet buiten zijn doel mocht handelen, omdat rechtspersoonlijkheid door de overheid werd verleend en de vennootschap vanaf de oprichting altijd een doel had.4 Handelen buiten het doel zag men als misbruik van rechtspersoonlijkheid, omdat de overheid daarvoor geen rechtspersoonlijkheid had verleend. Pijlers onder deze doctrine waren het preventieve toezicht van het Ministerie van Justitie op de oprichting van rechtspersonen en op de inhoud van statuten (bij oprichting en statutenwijziging). Beide pijlers zijn echter afgeschaft.5
Ook overigens valt niet goed in te zien waarom het (oprichtings)doel van de vennootschap dwingendrechtelijke bescherming nodig zou hebben tegen bestuurders, commissarissen en/of anderen. Het is weliswaar dwingendrechtelijk voorgeschreven dat de vennootschap een doel moet hebben,6 maar wat betreft de inhoud daarvan bevat de wet enkel het voorschrift dat het doel niet in strijd met de openbare orde mag zijn.7 Daarmee verwordt het hebben van een doel in feite tot regelend recht, want niets staat er aan in de weg dat (de meerderheid van) de aandeelhoudersvergadering het statutaire doel van de vennootschap tot het betekenisloze oprekt (“het ontplooien van commerciële en niet commerciële activiteiten in de breedste zin des woords, waaronder mede te verstaan het zijn van een zogeheten plankvennootschap, en het verrichten van alle handelingen die daaraan dienstig kunnen zijn”).8 Voorts is het niet strijdig met enige (dwingendrechtelijke) wettelijke bepaling, indien het doel van de vennootschap nauw samenhangt met het belang van haar bestuurders en commissarissen, of met het belang van derden die niet zijn gebonden aan het doel en het belang van de vennootschap. Zo mag een vennootschap zich statutair ten doel stellen om zo hoog mogelijke bezoldiging uit te betalen aan haar bestuurders en/ of werknemers. Tegen deze achtergrond valt niet goed in te zien waarom het statutaire doel dwingendrechtelijke bescherming nodig zou hebben tegen het dienen van belangen die buiten dat doel zijn gelegen, zoals de privébelangen van bestuurders en commissarissen.
Aldus bezien ligt het statutaire doel en de bescherming daarvan primair in de sfeer van de partijautonomie c.q. inrichtingsvrijheid. Het staat (de meerderheid van) de aandeelhoudersvergadering vrij om een (zeer) specifiek doel in de statuten vast te leggen.9 In dat geval dienen alle leden van alle organen in hun
handelen met dat doel rekening te houden.10 In dat kader kan nog steeds behoefte bestaan aan dwingend recht, namelijk vanuit doelmatigheidsoverwegingen. Deze doelmatigheidsoverwegingen vormen echter een zelfstandig motief voor het bestaan van dwingend recht en komt in par. 4.4.3.4 aan de orde.