NJB 2025/306:Huurovereenkomst. Vaststellingsovereenkomst. Kwalificatie. In augustus 2019 overlijdt een huurster van een woning. Haar volwassen kinderen woonden bij haar in. De verhuurster komt met hen overeen dat zij hun verblijf in de woning tegen vergoeding gedoogt tot 31 maart 2020, en verlengt die overeenkomst tot 30 september 2020. Zijn hiermee huurovereenkomsten tot stand gekomen? Hoge Raad: In een situatie als de onderhavige verzet het dwingendrechtelijke beschermingsregime voor huurovereenkomsten zich niet ertegen dat een afspraak dat de bewoner nog enige tijd tegen vergoeding in de woning zal mogen blijven teneinde naar andere woonruimte om te zien, en de eigenaar dus zolang van ontruiming afziet, niet als huurovereenkomst wordt aangemerkt. Dit kan op zichzelf niet afdoen aan het recht van de bewoner om alsnog aanspraak te maken op voortzetting van de huur op grond van art. 7:268 lid 2 BW, zolang de daarvoor geldende termijn nog loopt. Dit is anders indien de bewoner een vaststellingsovereenkomst sluit waarin hij dit recht prijsgeeft.