Einde inhoudsopgave
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/12.7.1
12.7.1 Geen mogelijkheid tot indienen van een (neven)verzoek tot verstrekken van bescheiden vooruitlopend op of naast een bodemprocedure
mr. J. Ekelmans, datum 02-12-2010
- Datum
02-12-2010
- Auteur
mr. J. Ekelmans
- JCDI
JCDI:ADS375934:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 186 e.v. Rv.
Art. 202 e.v. Rv; deze mogelijkheden ontbraken vóór 1988, zie: Parl. Gesch. nieuw bewijsrecht, p. 360.
HR 22 februari 2008, LJN BB5626, r.o. 3.6.2 (Fortis ASR Schadeverzekering/X); HR 22 februari 2008, LJN BB3676, r.o. 3.5.3 (Fortis ASR Schadeverzekering/X).
HR 22 februari 2008, LJN BB5626, r.o. 3.6.5 (Fortis ASR Schadeverzekering/X).
Conclusie A-G Spier onder 7.6.1. bij HR 22 februari 2008, LJN BB 5626(Fortis ASR Schadever-zekering/X).
Sijmonsma 2007, p. 66; Sijmonsma 2010, p. 233.
HR21 februari 1986, NJ 1987, 149, r.o. 3.5(Arcalon enRamar/UnitedStates Bankruptcy Court).
De wet kent van oudsher het voorlopig getuigenverhoor1 en sinds 1988 de voorlopige plaatsopneming en het voorlopig deskundigenbericht.2 In dat rijtje ontbreekt de mogelijkheid om bescheiden op te vragen in een afzonderlijke verzoekschriftprocedure voorafgaand aan of tijdens een bodemprocedure. Die mogelijkheid is niet uitdrukkelijk in de wet voorzien en is evenmin in de parlementaire geschiedenis als mogelijkheid aangeduid.
Ik denk dan ook dat thans niet de mogelijkheid bestaat een zelfstandig verzoek tot verstrekking van bescheiden in te dienen. Dat deze gedachte juist is, wordt volgens mij bevestigd in de uitspraken waarin de Hoge Raad de staf heeft gebroken over de mogelijkheid om een nevenverzoek tot verstrekken van bescheiden in te dienen ter gelegenheid van een verzoek tot het houden van een voorlopig deskun-digenbericht, een voorlopige plaatsopneming of een voorlopig getuigenverhoor.
De aan de Hoge Raad voorgelegde zaken betroffen verzoeken tot verstrekking van patiëntgegevens die werden gedaan ter gelegenheid van een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht. De mogelijkheid om dergelijke nevenverzoeken te doen ontbreekt, aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad meent dat bij het bepalen welke gegevens verstrekt moeten worden geen rol voor partijen is weggelegd. Het is, aldus de Hoge Raad, immers aan de deskundige om te bepalen welke informatie nodig is, partijen zijn tot medewerking verplicht én laten zij die achterwege, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hij geraden acht. In dat systeem past niet, aldus de Hoge Raad, dat een verzoeker de deskundige voor de voeten loopt door ter gelegenheid van het verzoek een voorlopig deskun-digenbericht te bevelen, het nevenverzoek te doen de wederpartij te bevelen bepaalde gegevens aan de deskundige te verschaffen.3
De arresten hebben een verderstrekkende betekenis dan de constatering dat partijen de deskundige niet voor de voeten mogen lopen. Er is immers volgens de Hoge Raad nog een tweede reden, waarom zo'n nevenverzoek niet gedaan kan worden. Die tweede reden is, dat de wet niet voorziet in een grondslag om, voordat de deskundige heeft beslist welke gegevens vereist zijn, één van partijen een algemeen geformuleerd bevel tot verstrekking van bescheiden te geven. Daarom kan, aldus de Hoge Raad, een verzoek tot verstrekking van niet ter beschikking van de deskundige gestelde gegevens evenmin gedaan worden bij een verzoek tot houden van een voorlopige plaatsopneming of een voorlopig getuigenverhoor.4 Waarom een uitdrukkelijke grondslag nodig is voor het kunnen indienen van zo'n verzoek, geeft de Hoge Raad niet aan, zodat niet duidelijk is of dat oordeel (ook) is ingegeven door de opmerking van A-G Spier, dat een inbreuk op art. 8 EVRM een duidelijke wettelijke grondslag behoeft.5 De formulering van de Hoge Raad is echter niet merkbaar beperkt tot de situatie dat inbreuk op art. 8 EVRM aan de orde zou kunnen zijn, zodat de formulering in het arrest lijkt te bevestigen dat indiening van een nevenverzoek algeheel wordt uitgesloten.
Waar indiening van een nevenverzoek zonder uitdrukkelijke wettelijke grondslag wordt uitgesloten, zal die uitsluiting a fortiori moeten gelden voor indiening van een zelfstandig verzoek waarvoor een uitdrukkelijke wettelijke grondslag ontbreekt. Wat mij betreft is dan ook reeds daarom onjuist de opvatting van Sijmonsma dat reeds thans de mogelijkheid bestaat om een zelfstandig verzoek in te dienen.6 Ik denk dat de aldus vertolkte opvatting bovendien onjuist is, omdat de daarvoor gegeven motivering ondeugdelijk is. Sijmonsma leidt het bestaan van de mogelijkheid om een zelfstandig verzoek tot verstrekken van bescheiden in te dienen immers af uit het arrest ABN AMRO/News International. Dat arrest betrof de vraag, hoe een verzoek tot verstrekking van bescheiden beoordeeld moest worden dat door een Engelse rechter in een rogatoire commissie was gedaan. Het verzoek van de Engelse rechter was, zoals vereist,7 in een verzoekschriftprocedure behandeld en derhalve bij beschikking afgedaan. De Hoge Raad beoordeelde de vraag of aanspraak bestond op bescheiden aan de hand van artikel 843a Rv en moest er derhalve blijk van geven, dat art. 843a Rv ook van toepassing is op het in de vorm van een rogatoire commissie gedane verzoek. Aangezien het door de Hoge Raad behandelde verzoek een verzoek betrof dat in een verzoekschriftprocedure behandeld moest worden, denk ik dat dit arrest op zichzelf niet iets zegt over de vraag, of het mogelijk is een zelfstandig verzoekschrift tot verstrekken van bescheiden in te dienen.
Wie bescheiden wil opvragen is derhalve aangewezen op andere middelen dan het indienen van een zelfstandig verzoek of een nevenverzoek bij voorlopige bewijsverrichtingen. De Hoge Raad bevestigt dat ook voor de nevenverzoeken door in de arresten uit februari 2008 op te merken, dat de rechter in de procedure op de voet van art. 22 Rv de partij die het aangaat een bevel tot het overleggen daarvan kan geven en dat eventueel, waar dat mogelijk is, art. 843a Rv toepassing kan vinden.