Ik begrijp: 11 juni 2021.
HR, 17-12-2024, nr. 22/02654
ECLI:NL:HR:2024:1732
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-12-2024
- Zaaknummer
22/02654
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1732, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑12‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1046
ECLI:NL:PHR:2024:1046, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 15‑10‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1732
- Vindplaatsen
Uitspraak 17‑12‑2024
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02654
Datum 17 december 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 juni 2022, nummer 23-000722-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H. Oldenhof, advocaat in Den Haag, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van één dag en de taakstraf van veertig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2024.
Conclusie 15‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Veroordeling wegens ‘rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs’ (art. 9.2 WVW94). Klacht over de verwerping van het verweer dat onvoldoende is komen vast te staan dat de verdachte de auto heeft bestuurd. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02654
Zitting 15 oktober 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte
Inleiding
- 1.
De verdachte is bij arrest van 28 juni 2022 door het gerechtshof Den Haag, zitting houdend in Amsterdam, wegens 1. “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de WVW 1994” en 2. “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één dag en een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen vervangende hechtenis.
- 2.
Er bestaat samenhang met de zaak 22/02652. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
- 3.
Namens de verdachte heeft H. Oldenhof, advocaat in ’s-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.
Het cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
4. Het middel, gelezen in samenhang met de toelichting, betreft feit 1 en keert zich tegen ’s hofs verwerping van het verweer dat uit het proces-verbaal onvoldoende vast is komen te staan dat de verdachte de auto heeft bestuurd. Het hof zou ontoereikend hebben gemotiveerd waarom het de door de verdachte afgelegde verklaring niet aannemelijk acht.
De bewezenverklaring en bewijsvoering van het hof
5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 9 mei 2021 te Schipluiden, gemeente Midden-Delfland terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B. ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de autosnelweg A4, als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van die categorie heeft bestuurd.”
6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van bevindingen van 1111.juni 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] [doorgenummerde pagina 4-6]:
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven als verklaring van [verbalisant 1]:
Ik, [verbalisant 1], heb gesproken met [getuige]. [getuige] is de bestuurder van de berger. Ik hoorde [getuige] verklaren dat hij de bestuurder heeft horen zeggen dat hij tijdens het rijden een klap hoorde en daarom stopte.
2. Een proces-verbaal van bevindingen van 9 mei 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina’s 15-16]:
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisant voornoemd op voormelde datum afgelegde verklaring van [getuige]:
Ik ben een medewerker van [bedrijf] en kwam om de auto met pech op te halen. Ik hoorde de bestuurder van dit voertuig het volgende zeggen: "Ik kwam hier aanrijden en toen hoorde ik de auto klappen. Toen ben ik gestopt."
3. Een proces-verbaal artikel 9 Wegenverkeerswet 1994 van 11 juni 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [doorgenummerde pagina’s 5-6]:
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergégeven, als mededeling van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
Op 9 mei 2021 kregen wij de melding van een auto met pech langs de A4, Schipluiden, gemeente Midden-Delfland. Volgens de melder hoorde hij de bestuurder over de telefoon tegen iemand zeggen dat hij geen rijbewijs zou hebben. Ter plaatse zagen wij de auto met [kenteken] langs de weg staan op de vluchtstrook.
Verdachte:
[verdachte]
Geboren op [geboortedatum] 2001.
Motorrijtuig:
[kenteken].
Voor het besturen van bovenstaand motorrijtuig is een rijbewijs vereist van de categorie B.
Na onderzoek bleek dat deze bestuurder ingevolge artikel 164 Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal, rijbewijs is gevorderd dan wel van wie zodanig bewijs is ingevorderd en aan wie dat rijbewijs niet is teruggegeven.”
7. De bewijsoverweging van het hof houdt het volgende in:
“De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder feit I ten laste gelegde. Daartoe is samengevat aangevoerd dat de getuigen niet kunnen verklaren of de verdachte het voertuig daadwerkelijk heeft bestuurd, maar slechts over wat de verdachte daaromtrent heeft verklaard. Tevens is de verdachte ook niet op de camera's langs de weg achter het stuur van de auto waargenomen. Daarom dient het hof uit te gaan van de verklaring van de verdachte, dat hij niet de auto heeft bestuurd, aldus de raadsvrouw.2.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof grondt haar (sic) overtuiging dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan op de inhoud van het dossier. De [getuige] hoorde de verdachte zeggen dat hij de auto zelf heeft bestuurd. De verklaring van de verdachte dat hij is achtergebleven terwijl de bestuurder er vandoor is gegaan, acht het hof bij gebreke van enige (nadere) onderbouwing, ongeloofwaardig.”
Beoordeling van het middel
8. Voor zover het middel berust op de opvatting dat het hof zijn oordeel dat de verdachte de auto heeft bestuurd enkel heeft gegrond op de aanwezigheid van de verdachte in de auto, mist het feitelijke grondslag. Gelet op de hiervoor weergegeven bewijsoverweging en de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof zijn oordeel op die drie bewijsmiddelen gebaseerd. Ik wijs in dit verband met name op bewijsmiddel 3, waarin is gerelateerd dat de melder de bestuurder over de telefoon tegen iemand hoorde zeggen dat hij geen rijbewijs zou hebben. Daaruit kan worden afgeleid dat met de bestuurder niemand anders dan de verdachte wordt bedoeld. Ook de overige bewijsmiddelen laten zich in die zin lezen, voor zover daarin over de bestuurder wordt gesproken. Daarbij komt dat het hof met betrekking tot het bewijs heeft overwogen dat de [getuige] de verdachte heeft horen zeggen dat hij, de verdachte, de auto zelf had bestuurd.
9. Voor zover het middel klaagt dat het hof niet, althans onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het de verklaring van de verdachte niet aannemelijk acht, mist het middel eveneens feitelijke grondslag. Ik verwijs daarvoor naar hetgeen hiervoor ik in randnummer 8 heb opgemerkt en naar de bewijsoverweging van het hof dat de verklaring van de verdachte dat hij is achtergebleven terwijl de bestuurder er vandoor is gegaan op geen enkele wijze (nader) is onderbouwd.
10. Uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte bestuurder was van de auto. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.
Slotsom
11. Het cassatiemiddel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 ontleende motivering.
12. Ambtshalve merk ik op dat de behandeltermijn in cassatie is overschreden nu de Hoge Raad de zaak niet binnen de daarvoor gestelde termijn van twee jaren kan afdoen. Gelet op de aard en hoogte van de opgelegde straf zal de Hoge Raad kunnen volstaan met de constatering van de overschrijding.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑10‑2024
Deze samenvatting is conform hetgeen de raadsvrouw blijkens het ‘proces-verbaal terechtzitting’ d.d. 28 juni 2022 naar voren heeft gebracht.