Procestaal: Pools.
HvJ EU, 12-02-2026, nr. C-471/24
ECLI:EU:C:2026:85
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
12-02-2026
- Magistraten
C. Lycourgos, O. Spineanu-Matei, S. Rodin, N. Piçarra, N. Fenger
- Zaaknummer
C-471/24
- Conclusie
L. Medina
- Roepnaam
PKO BP (Indice de référence d’importance critique)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2026:85, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 12‑02‑2026
ECLI:EU:C:2025:705, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 11‑09‑2025
Uitspraak 12‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten — Richtlijn 93/13/EEG — Kredietovereenkomst — Hypothecaire kredietovereenkomst met variabele rentevoet — Contractueel beding dat voorziet in de vaststelling van de rentevoet op basis van een benchmark in de zin van verordening (EU) 2016/1011 — Artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 — Contractueel beding waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn overgenomen — Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 — Begrip ‘bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst’ — Transparantievereiste — Artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 — Oneerlijk karakter
C. Lycourgos, O. Spineanu-Matei, S. Rodin, N. Piçarra, N. Fenger
Partij(en)
In zaak C-471/24*,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Okrėgowy w Czėstochowie (rechter in eerste aanleg Czėstochowa, Polen) bij beslissing van 31 mei 2024, ingekomen bij het Hof op 3 juli 2024, in de procedure
J.J.
tegen
PKO BP S.A.
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, O. Spineanu-Matei (rapporteur), S. Rodin, N. Piçarra en N. Fenger, rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 juni 2025,
gelet op de opmerkingen van:
- —
J.J., vertegenwoordigd door S. Frejowski, radca prawny, D. Rosa en A. Twardygrosz, adwokaci,
- —
PKO BP S.A., vertegenwoordigd door A. Cudna-Wagner, radca prawny, P. Haiduk, B. Miąskiewicz en M. Romanowski, adwokaci,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, E. Buczkowska en M. Kozak als gemachtigden,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Portugese regering, vertegenwoordigd door P. Barros da Costa, A. Cunha, C. Freire, A. Morais en A. Rodrigues als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Brauhoff en P. Kienapfel als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 september 2025,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 2, artikel 2, artikel 3, leden 1 en 2, artikel 4, lid 2, en artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen J.J., een consument, en PKO BP S.A. (hierna: ‘PKO’), een in Polen gevestigde bank, over, ten eerste, de niet-tegenwerpbaarheid of ongeldigheid van een beding in een hypothecaire kredietovereenkomst betreffende de vaststelling van de variabele rentevoet en, ten tweede, over de terugbetaling van een deel van de bedragen die deze consument aan deze bank heeft betaald in het kader van de uitvoering van deze overeenkomst.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 93/13
3
De dertiende en de zestiende overweging van richtlijn 93/13 luiden als volgt:
‘Overwegende dat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten waarin bedingen van overeenkomsten met consumenten, direct of indirect, worden vastgesteld, worden geacht geen oneerlijke bedingen te bevatten; dat het bijgevolg niet nodig blijkt bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn overgenomen dan wel beginselen of bepalingen van internationale overeenkomsten waarbij de lidstaten of de [Europese] Gemeenschap partij zijn, aan de bepalingen van deze richtlijn te onderwerpen; dat in dat verband onder de [in artikel 1, lid 2, gebruikte] term ‘dwingende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen’ tevens de regels vallen die volgens de wet van toepassing zijn tussen de overeenkomstsluitende partijen wanneer er geen andere regeling is overeengekomen;
[…]
Overwegende […] dat de verkoper aan de eis van goede trouw kan voldoen door op eerlijke en billijke wijze te onderhandelen met de andere partij, waarvan hij de legitieme belangen in aanmerking dient te nemen’.
4
Artikel 1, lid 2, van die richtlijn luidt als volgt:
‘Contractuele bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of bepalingen of beginselen van internationale overeenkomsten waarbij de lidstaten of de Gemeenschap partij zijn, met name op het gebied van vervoer, zijn overgenomen, zijn niet aan deze richtlijn onderworpen.’
5
Artikel 3, lid 1, van die richtlijn bepaalt:
‘Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.’
6
In artikel 4, lid 2, van die richtlijn wordt bepaald:
‘De beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen heeft geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de toereikendheid van enerzijds de prijs en vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.’
7
Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt:
‘De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.’
Richtlijn 2008/48
8
Artikel 3, onder j), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66), luidt als volgt:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- j)
‘debetrentevoet’; de rentevoet, uitgedrukt op jaarbasis en toegepast in een vast of variabel percentage’.
Richtlijn 2014/17
9
In overweging 7 van richtlijn 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 60, blz. 34), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 (PB 2016, L 171, blz. 1) (hierna: ‘richtlijn 2014/17’) wordt verklaard:
‘Teneinde een echte interne markt te creëren met een hoog en gelijkwaardig niveau van consumentenbescherming bevat deze richtlijn bepalingen met een maximale harmonisatiegraad wat betreft de verstrekking van precontractuele informatie middels een gestandaardiseerd Europees informatieblad (European Standardised Information Sheet — ESIS) en de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage [(jkp)]. […]’
10
Artikel 2 van deze richtlijn draagt het opschrift ‘Mate van harmonisatie’ en luidt als volgt:
- ‘1.
Deze richtlijn belet de lidstaten niet strengere voorschriften ter bescherming van de consumenten te handhaven of in te voeren, mits die voorschriften stroken met hun verplichtingen op grond van het Unierecht.
- 2.
Onverminderd lid 1 zullen de lidstaten in hun nationale wetgeving geen bepalingen handhaven of invoeren die afwijken van die welke zijn opgenomen in artikel 14, lid 2, en bijlage II, deel A, met betrekking tot precontractuele standaardinformatie middels een [ESIS] en artikel 17, leden 1 tot en met 5, 7 en 8, en bijlage I met betrekking tot een gemeenschappelijke, consistente Uniestandaard voor de berekening van het [jkp].’
11
Artikel 13 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Algemene informatie’, bepaalt in lid 1:
‘De lidstaten zorgen ervoor dat kredietgevers of, in voorkomend geval, verbonden kredietbemiddelaars dan wel hun aangestelde vertegenwoordigers de algemene informatie over kredietovereenkomsten te allen tijde op papier of een andere duurzame drager, of in elektronische vorm duidelijk en begrijpelijk beschikbaar stellen. […]
Die algemene informatie omvat ten minste het volgende:
[…]
e bis) indien contracten die een benchmark als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt 3, van verordening [2016/1011] als referentie gebruiken, beschikbaar zijn, de namen van de benchmarks en de beheerders daarvan, alsmede de mogelijke gevolgen voor de consument;
[…]’
12
Artikel 14 van deze richtlijn heeft als opschrift ‘Precontractuele informatie’ en bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten zien erop toe dat de kredietgever en, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaar of de aangestelde vertegenwoordiger aan de consument de op diens persoon toegesneden informatie verstrekt die hij nodig heeft om de op de markt beschikbare kredietproducten te kunnen vergelijken, de respectieve implicaties ervan te kunnen beoordelen en zo een geïnformeerd besluit over het sluiten van een kredietovereenkomst te kunnen nemen:
[…]
- 2.
De gepersonaliseerde informatie als bedoeld in lid 1, wordt op papier of op een andere duurzame drager verstrekt door middel van het in bijlage II opgenomen ESIS.’
13
Artikel 17 van richtlijn 2014/17, met als opschrift ‘Berekening van het [jkp]’, bepaalt in lid 6:
‘Indien in de kredietovereenkomst is toegestaan dat de debetrentevoet kan worden gewijzigd, dragen de lidstaten er zorg voor dat de consument, ten minste door middel van het ESIS, wordt ingelicht over de mogelijke effecten van wijzigingen op de te betalen bedragen en op het [jkp]. Dit geschiedt door consumenten een bijkomend [jkp] te verstrekken waarin de mogelijke risico's worden toegelicht die aan een significante verhoging van de debetrentevoet verbonden zijn. Indien de debetrentevoet niet beperkt is, gaat deze informatie gepaard met een waarschuwing dat de totale kredietkosten voor de consument, zoals getoond in het [jkp], kunnen wijzigen. […]’
14
Bijlage II bij deze richtlijn heeft als opschrift ‘Europees gestandaardiseerd informatieblad (ESIS)’. Deel A ervan bevat de volgende bewoordingen:
‘De tekst in dit model wordt als dusdanig in het ESIS weergegeven. Tekst die tussen vierkante haken staat, wordt vervangen door de toepasselijke gegevens. […]
[…]
De onderstaande informatie wordt in één enkel document meegedeeld. […]
ESIS-model
[…]
- 4.
Rentevoet en andere kosten
Het jaarlijkse kostenpercentage vertegenwoordigt de totale kosten van het krediet, uitgedrukt als jaarlijks percentage. Aan de hand van het jaarlijkse kostenpercentage kunt u verschillende aanbiedingen beter met elkaar vergelijken.
[…]
(Indien van toepassing) Dit jaarlijkse kostenpercentage wordt berekend aan de hand van rentevoethypothesen.
(Indien van toepassing) Omdat [een deel van] uw krediet een variabele rentevoet heeft, kan het werkelijke jaarlijkse kostenpercentage van dit jaarlijkse kostenpercentage verschillen indien de rentevoet voor uw krediet verandert. Zo kan het jaarlijkse kostenpercentage, indien de rentevoet is gestegen tot [scenario beschreven in deel B], oplopen tot [illustratief jaarlijks kostenpercentage invullen dat overeenstemt met het scenario].
[…]
- 6.
Bedrag van iedere afbetalingstermijn
[…]
(Indien van toepassing) De rentevoet op [een deel van] dit krediet kan variëren. Dit betekent dat het bedrag van uw afbetalingstermijnen kan stijgen of dalen. Bijvoorbeeld kunnen, indien de rentevoet is gestegen tot [scenario beschreven in deel B], uw betalingen oplopen tot [termijnbedrag invullen dat overeenstemt met het scenario].
[…]’
15
Deel B van bijlage II bij deze richtlijn heeft als opschrift ‘Instructies voor het invullen van het ESIS’. Rubriek 3, punt 6, en rubriek 4, punt 2, van dit deel zijn als volgt verwoord:
‘Rubriek 3. Hoofdkenmerken van het krediet
[…]
- 6.
In deze rubriek wordt uitgelegd of de debetrentevoet vast of variabel is en in voorkomend geval tijdens welke perioden deze vast blijft, met welke frequentie herzieningen daarna kunnen plaatsvinden en of er voor de variatie van de debetrentevoet grenzen zoals maximum- of minimumwaarden gelden.
Toegelicht moet worden welke formule er wordt gebruikt voor de herziening van de debetrentevoet en van de diverse componenten daarvan (bijvoorbeeld de referentierentevoet, de debetrentetoeslag). De kredietgever moet aangeven, bijvoorbeeld op een internetadres, waar nadere informatie is te vinden over de in de formule gebruikte indexen of percentages, bijvoorbeeld Euribor of de referentierentevoet van de centrale bank.
[…]
Rubriek 4. Rentevoet en andere kosten
[…]
- 2.
De debetrentevoet wordt als percentage uitgedrukt. Indien de debetrentevoet variabel is en op een referentierentevoet is gebaseerd, kan de kredietgever de debetrentevoet vermelden door opgave van een referentierentevoet en percentage van de risicotoeslag van de kredietgever. De kredietgever vermeldt evenwel de waarde van het referentiepercentage dat geldt op de dag van uitgifte van het ESIS.
Indien de debetrentevoet variabel is, omvat de informatie: a) de hypothesen die worden gebruikt voor de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage; b) in voorkomend geval, de toepasselijke maximum- en minimumwaarden en c) een waarschuwing dat de variatie het feitelijke niveau van het jaarlijkse kostenpercentage kan beïnvloeden. Om de aandacht van de consument te trekken, moet de waarschuwing, in een groter lettertype, nadrukkelijk in het hoofdgedeelte van het ESIS worden opgenomen. De waarschuwing gaat gepaard met een illustratief voorbeeld betreffende het jaarlijkse kostenpercentage. […] Als er geen maximum is, illustreert het voorbeeld het jaarlijkse kostenpercentage tegen de hoogste debetrentevoet van ten minste de laatste 20 jaar, of als de onderliggende gegevens voor de berekening van de debetrente beschikbaar zijn voor een periode van minder dan 20 jaar, de langste periode waarvoor die gegevens beschikbaar zijn, gebaseerd op de hoogste waarde van een externe referentierentevoet die in voorkomend geval is gebruikt voor de berekening van de debetrente, […].’
Verordening 2016/1011
16
Verordening 2016/1011 bevat met name de volgende overwegingen:
- ‘(1)
De prijsstelling van veel financiële instrumenten en financiële overeenkomsten is afhankelijk van de nauwkeurigheid en integriteit van benchmarks. Ernstige gevallen van manipulatie van rentevoetbenchmarks, zoals Libor en Euribor, evenals beschuldigingen dat energie-, olie- en valutawisselingsbenchmarks zijn gemanipuleerd, tonen aan dat benchmarks kunnen blootstaan aan belangenconflicten. Het gebruik van discretionaire en zwakke governanceregelingen verhogen de vatbaarheid van benchmarks voor manipulatie. Tekortkomingen in of twijfels over de nauwkeurigheid en integriteit van als benchmarks gebruikte indices kunnen het vertrouwen in de markt ondermijnen, kunnen leiden tot verliezen bij consumenten en beleggers en kunnen de reële economie verstoren. Om die reden is het noodzakelijk om de nauwkeurigheid, degelijkheid en integriteit van benchmarks en het benchmarkvaststellingsproces te waarborgen.
[…]
- (5)
De Unieregels over consumentenbescherming bestrijken niet de specifieke kwestie van adequate informatie over benchmarks in financiële overeenkomsten. Als gevolg van klachten en geschillen van consumenten over het gebruik van benchmarks in verschillende lidstaten, is het waarschijnlijk dat op nationaal niveau uiteenlopende voorschriften worden vastgesteld, die ingegeven zijn door legitieme overwegingen van consumentenbescherming, hetgeen kan leiden tot versnippering van de interne markt als gevolg van uiteenlopende mededingingsvoorwaarden die verbonden zijn met verschillende niveaus van consumentenbescherming.
- (6)
Om de juiste werking van de interne markt te garanderen en de omstandigheden van die werking te verbeteren, in het bijzonder met betrekking tot financiële markten, en om een hoog niveau van consumenten- en beleggersbescherming te waarborgen, is het dan ook passend om op Unieniveau een regelgevend kader vast te stellen voor benchmarks.
[…]
- (8)
Het toepassingsgebied van deze verordening moet zo breed zijn als nodig is om een preventief regelgevend kader te vormen. Het aanbieden van benchmarks impliceert keuzevrijheid bij de vaststelling ervan en is inherent blootgesteld aan bepaalde soorten belangenconflicten, hetgeen betekent dat er mogelijkheden en stimulansen zijn om benchmarks te manipuleren. Alle benchmarks hebben die risicofactoren gemeen en moeten worden onderworpen aan adequate voorschriften inzake governance en controle. De omvang van de risico's varieert echter, waardoor steeds voor een op de specifieke situatie toegesneden benadering moet worden gekozen. Aangezien de vatbaarheid en het belang van een benchmark variëren in de tijd, zou een beperking van het toepassingsgebied tot indices die thans belangrijk of vatbaar zijn, geen oplossing bieden voor de risico's die benchmarks in de toekomst kunnen vormen. Meer bepaald kunnen benchmarks die momenteel niet op grote schaal worden gebruikt, in de toekomst meer worden gebruikt zodat zelfs een kleine manipulatie ervan grote gevolgen kan hebben.
[…]
- (17)
Een index wordt berekend aan de hand van een formule of een andere soort methodologie op basis van onderliggende waarden. Bij het opstellen van deze formule, de uitvoering van de berekening en de bepaling van de inputgegevens bestaat een keuzevrijheid die een risico op manipulatie meebrengt. Om die reden moeten alle benchmarks die deze keuzevrijheid in zich dragen, binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen.
[…]
- (22)
De manipulatie of onbetrouwbaarheid van benchmarks kan beleggers en consumenten schade berokkenen. Deze verordening moet dan ook een kader opzetten voor het bewaren van gegevens door beheerders en contribuanten en voor het bieden van transparantie over het doel van een benchmark en methodologie, hetgeen bevorderlijk is voor een efficiëntere en eerlijkere oplossing van eventuele claims overeenkomstig het nationaal recht of het recht van de Unie.
[…]
- (26)
Eventuele keuzevrijheid die kan worden uitgeoefend bij het aanleveren van inputgegevens, creëert de mogelijkheid om een benchmark te manipuleren. Wanneer de inputgegevens bestaan uit op transacties gebaseerde gegevens, is er minder keuzevrijheid en wordt derhalve de mogelijkheid tot manipulatie van de gegevens verminderd. Als algemene regel moeten benchmarkbeheerders daarom, waar mogelijk, gebruikmaken van werkelijke transactiegebaseerde inputgegevens, terwijl andere gegevens kunnen worden gebruikt indien de transactiegegevens niet volstaan of ongeschikt zijn om de integriteit en nauwkeurigheid van de benchmark te waarborgen.
[…]
- (71)
Consumenten kunnen financiële overeenkomsten sluiten, in het bijzonder hypotheken en consumentenkredietovereenkomsten die verwijzen naar een benchmark, maar ongelijke onderhandelingsmogelijkheden en het gebruik van standaardvoorwaarden impliceren dat zij een beperkte keuze hebben wat de gebruikte benchmark betreft. Daarom is het noodzakelijk dat ten minste wordt gewaarborgd dat kredietgevers en kredietbemiddelaars adequate informatie aan consumenten verstrekken. Daartoe moeten richtlijnen [2008/48] en [2014/17] dienovereenkomstig worden gewijzigd.
[…]’
17
Artikel 1 van deze verordening bepaalt:
‘Bij deze verordening wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld om in de Unie de nauwkeurigheid en integriteit te waarborgen van indices die worden gebruikt als benchmarks in financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten. Zo draagt deze verordening bij tot de goede werking van de interne markt en wordt tevens een hoog niveau van consumenten- en beleggersbescherming bewerkstelligd.’
18
In artikel 2, lid 1, van die verordening is bepaald:
‘Deze verordening is van toepassing op het aanbieden van benchmarks, het inbrengen van inputgegevens voor een benchmark en het gebruik van een benchmark in de Unie.’
19
Artikel 3, lid 1, van die verordening bepaalt:
‘Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
[…]
- 10)
‘onder toezicht staande contribuant’: een entiteit waarop toezicht wordt uitgeoefend en die inputgegevens aanlevert aan een beheerder in de Unie;
[…]
- 17)
‘onder toezicht staande entiteit’:
- a)
een kredietinstelling in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1, van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad [van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PB 2013, L 176, blz. 1)];
[…]
- i)
een niet-kredietinstelling in de zin van artikel 4, punt 10, van richtlijn [2014/17] ten behoeve van kredietovereenkomsten in de zin van artikel 4, punt 3, van die richtlijn;
[…]
- 22)
‘rentevoetbenchmark’: een benchmark die ten behoeve van punt 1, onder b), ii), van dit lid wordt vastgesteld op basis van het percentage op de geldmarkt waartegen banken kunnen uitlenen aan of lenen van andere banken, dan wel instellingen die geen bank zijn;
[…]’
20
Titel II van verordening 2016/1011 draagt het opschrift ‘Integriteit en betrouwbaarheid van benchmarks’ en bevat een hoofdstuk 1, met als opschrift ‘Governance en controle door beheerders’, dat een reeks bepalingen bevat die de activiteiten van benchmarkbeheerders regelen. Zo worden in artikel 4 van deze verordening vereisten inzake governance en belangenconflicten vastgesteld, in artikel 5 vereisten inzake de toezichtfunctie en alle aspecten van het aanbieden van benchmarks, in artikel 6 vereisten inzake het controlekader dat ervoor zorgt dat de benchmarks in overeenstemming met deze verordening worden aangeboden en gepubliceerd of beschikbaar gesteld, en in artikel 7, lid 3, vereisten inzake de benoeming van een onafhankelijke externe controleur voor de beoordeling van de naleving door de beheerder van de benchmarkmethodologie en van de verordening.
21
Artikel 9 van verordening 2016/1011, dat eveneens deel uitmaakt van de regels inzake governance en controle door benchmarkbeheerders, draagt het opschrift ‘Klachtenafhandelingsmechanisme’ en bepaalt het volgende:
- ‘1.
De beheerder beschikt over procedures voor het ontvangen, onderzoeken en bewaren van stukken betreffende klachten, inclusief over het benchmarkvaststellingsproces van de beheerder, en maakt deze bekend.
- 2.
Dit klachtenafhandelingsmechanisme waarborgt het volgende:
- a)
de beheerder maakt het klachtenafhandelingsbeleid beschikbaar dat kan worden gebruikt voor de indiening van klachten over de representativiteit van een bepaalde benchmarkvaststelling voor de marktwaarde, een voorgestelde wijziging in het benchmarkvaststellingsproces, een toepassing van de methodologie in verband met een specifieke benchmarkvaststelling en andere besluiten in verband met het benchmarkvaststellingsproces;
[…]’
22
In titel II van verordening 2016/1011 bevat hoofdstuk 2, met als opschrift ‘Inputgegevens, methodologie en melding van inbreuken’ de artikelen 11 tot en met 14. Artikel 11 heeft als opschrift ‘Inputgegevens’ en bepaalt:
- ‘1.
Op het aanbieden van een benchmark zijn de volgende vereisten van toepassing met betrekking tot de inputgegevens:
- a)
de inputgegevens moeten toereikend zijn om op nauwkeurige en betrouwbare wijze de economische realiteit weer te geven die de benchmark moet meten.
De inputgegevens hebben de vorm van transactiegegevens als deze beschikbaar en passend zijn. Indien de transactiegegevens niet toereikend of passend zijn om op nauwkeurige en betrouwbare wijze de markt of economische realiteit weer te geven die de benchmark moet meten, kunnen andere gegevens dan transactiegegevens worden gebruikt, inclusief geraamde prijzen, indicatieve bied- en laatkoersen en handelbare bied- en laatkoersen, of andere waarden;
- b)
de onder a) bedoelde inputgegevens zijn verifieerbaar;
[…]
- d)
als een benchmark gebaseerd is op inputgegevens van contribuanten, verkrijgt de beheerder, indien van toepassing, de inputgegevens van een betrouwbaar en representatief panel van of steekproef onder contribuanten om er zo voor te zorgen dat de verkregen benchmark betrouwbaar en representatief is voor de markt of de economische realiteit die de benchmark moet meten;
- e)
de beheerder gebruikt geen inputgegevens van een contribuant wanneer de beheerder beschikt over aanwijzingen dat die contribuant de in artikel 15 vermelde gedragscode niet naleeft, en verkrijgt in dat geval representatieve publiek beschikbare gegevens.
- 2.
De beheerder zorgt ervoor dat zijn controles met betrekking tot inputgegevens het volgende omvatten:
[…]
- b)
een proces voor de evaluatie van de inputgegevens van een contribuant en voor het weerhouden van de contribuant van de verstrekking van meer inputgegevens of het toepassen van andere sancties voor niet-naleving op de contribuant, indien van toepassing, en
- c)
een proces voor het valideren van inputgegevens, onder meer tegen andere indicatoren of gegevens, om de integriteit en nauwkeurigheid te waarborgen.
[…]’
23
Artikel 12 van verordening 2016/1011, met als opschrift ‘Methodologie’, luidt als volgt:
- ‘1.
De beheerder gebruikt een methodologie voor het vaststellen van de benchmark die:
- a)
solide en betrouwbaar is;
- b)
duidelijke regels heeft die aangeven hoe en wanneer keuzevrijheid kan worden uitgeoefend bij het vaststellen van die benchmark;
- c)
zorgvuldig en continu is en kan worden gevalideerd, indien nodig met inbegrip van tests achteraf aan de hand van de beschikbare transactiegegevens;
- d)
veerkrachtig is en ervoor zorgt dat de benchmark kan worden berekend in de breedst mogelijke reeks van omstandigheden zonder de integriteit ervan in het gedrang te brengen;
- e)
traceerbaar en verifieerbaar is.
[…]
- 3.
De beheerder heeft duidelijke, bekendgemaakte regelingen ter beschikking waarin wordt aangegeven onder welke omstandigheden de kwantiteit of kwaliteit van inputgegevens onder het niveau zakt dat binnen de methodologie nodig is om de benchmark nauwkeurig en betrouwbaar vast te kunnen stellen, en waarin wordt beschreven of en hoe de benchmark in die omstandigheden moet worden berekend.’
24
Artikel 13 van deze verordening, met als opschrift ‘Transparantie van de methodologie’, bepaalt in lid 1, onder a) en b):
‘De beheerder ontwikkelt, exploiteert en beheert de benchmark en de methodologie op transparante wijze. Daartoe zorgt de beheerder voor de publicatie of beschikbaarstelling van de volgende informatie:
- a)
de essentiële aspecten van de methodologie die de beheerder gebruikt voor elke benchmark die is aangeboden en gepubliceerd of, indien van toepassing, voor elke benchmarkgroep die is aangeboden en gepubliceerd;
- b)
nadere gegevens betreffende de interne evaluatie en de goedkeuring van een bepaalde methodologie, evenals de frequentie van die evaluatie;
[…]’
25
Artikel 14 van die verordening draagt het opschrift ‘Melding van inbreuken’ en bepaalt in lid 1 en lid 2, eerste alinea:
- ‘1.
De beheerder stelt passende systemen en doeltreffende controles in om de integriteit van inputgegevens te waarborgen, teneinde eventuele gedragingen die betrekking kunnen hebben op manipulatie van of een poging tot manipulatie van een benchmark, overeenkomstig verordening (EU) nr. 596/2014 [van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijnen 2003/124/EG, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie (PB 2014, L 173, blz. 1)] te identificeren en te melden aan de nationale autoriteit.
- 2.
De beheerder houdt toezicht op inputgegevens en de contribuanten om in staat te zijn de bevoegde autoriteit in kennis te stellen en alle relevante informatie te verstrekken, wanneer de beheerder vermoedt dat er, in verband met een benchmark, sprake is van gedragingen die betrekking kunnen hebben op manipulatie of een poging tot manipulatie van een benchmark overeenkomstig verordening [nr. 596/2014], inclusief een samenzwering om een benchmark te manipuleren.’
26
Hoofdstuk 3 van verordening 2016/1011, dat de artikelen 15 en 16 omvat, heeft betrekking op de gedragscode en vereisten voor contribuanten.
27
Overeenkomstig artikel 15, lid 1, van verordening 2016/1011 moet, indien een benchmark gebaseerd is op inputgegevens van contribuanten, de beheerder ervan voor elke benchmark een gedragscode ontwikkelen waarin de verantwoordelijkheden en verplichtingen van contribuanten worden gespecificeerd met betrekking tot het aanleveren van inputgegevens, en permanent de zekerheid verkrijgen dat de contribuanten de gedragscode naleven. Artikel 15, lid 2, van die verordening preciseert dat die gedragscode ten minste het volgende moet omvatten: een duidelijke beschrijving van de te verstrekken inputgegevens en de vereisten die nodig zijn om ervoor te zorgen dat inputgegevens worden verstrekt overeenkomstig de artikelen 11 en 14, beleid om ervoor te zorgen dat een contribuant alle relevante inputgegevens verstrekt, en de systemen en controles die een contribuant moet instellen. Overeenkomstig artikel 15, leden 4 en 5, van verordening 2016/1011 wordt de controle van de gedragscode inzake de vereisten van die verordening gewaarborgd door de nationale bevoegde autoriteit.
28
Artikel 16 van verordening 2016/1011 draagt het opschrift ‘Vereisten met betrekking tot governance en controles voor onder toezicht staande contribuanten’ en bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
De volgende vereisten met betrekking tot governance en controles zijn van toepassing op een onder toezicht staande contribuant:
- a)
de onder toezicht staande contribuant zorgt ervoor dat het aanleveren van inputgegevens niet wordt beïnvloed door bestaande of mogelijke belangenconflicten en dat, wanneer keuzevrijheid noodzakelijk is, die op onafhankelijke en eerlijke wijze wordt uitgeoefend op basis van relevante informatie in overeenstemming met de in artikel 15 bedoelde gedragscode;
- b)
de onder toezicht staande contribuant beschikt over een controlekader dat de integriteit, nauwkeurigheid en betrouwbaarheid van inputgegevens waarborgt en tevens dat inputgegevens worden aangeleverd in overeenstemming met deze verordening en de in artikel 15 bedoelde gedragscode.
- 2.
Een onder toezicht staande contribuant beschikt over doeltreffende systemen en controles om de integriteit en betrouwbaarheid van alle aangeleverde inputgegevens aan de beheerder te waarborgen, met inbegrip van:
[…]
- d)
het voor een passende periode bijhouden van een register van de communicatie in verband met het aanbieden van inputgegevens, van alle informatie die wordt gebruikt om de contribuant in staat te stellen tot het verrichten van elke indiening, en van alle bestaande of mogelijke belangenconflicten, inclusief, maar niet uitsluitend, de blootstelling van de contribuant aan financiële instrumenten die een benchmark als referentie gebruiken;
- e)
het bijhouden van gegevens inzake interne en externe controles.’
29
Overeenkomstig artikel 20, lid 1, van verordening 2016/1011 is de Europese Commissie bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen met het oog op de vaststelling en tweejaarlijkse evaluatie van een lijst met cruciale benchmarks.
30
Titel IV van deze verordening heeft als opschrift ‘Transparantie en consumentenbescherming’. Artikel 27 van deze verordening, met als opschrift ‘Benchmarkverklaring’, is opgenomen in deze titel en bepaalt in de leden 1 en 2 het volgende:
- ‘1.
Binnen twee weken na opneming van een beheerder in het in artikel 36 genoemde register[, dat door de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) wordt bijgehouden,] publiceert de beheerder op een wijze die een eerlijke en gemakkelijke toegang verzekert, een benchmarkverklaring voor elke benchmark of, indien van toepassing, voor elke benchmarkgroep die in de Unie mag worden gebruikt overeenkomstig artikel 29.
Indien die beheerder een nieuwe benchmark of benchmarkgroep begint aan te bieden die in de Unie mag worden gebruikt overeenkomstig artikel 29, publiceert de beheerder binnen twee weken op een wijze die een eerlijke en gemakkelijke toegang garandeert, een benchmarkverklaring voor elke nieuwe benchmark of, indien van toepassing, voor elke benchmarkgroep.
[…]
De benchmarkverklaring:
- a)
definieert duidelijk en ondubbelzinnig de markt of economische realiteit die de benchmark meet, alsook de omstandigheden waaronder die meting onbetrouwbaar kan worden;
- b)
bevat de technische specificaties waaruit duidelijk en ondubbelzinnig de berekeningselementen van de benchmark blijken waarbij sprake kan zijn van keuzevrijheid, de criteria die van toepassing zijn op de uitoefening van die keuzevrijheid en de positie van de personen die deze kunnen uitoefenen en hoe die keuzevrijheid na afloop kan worden geëvalueerd;
[…]
- 2.
De benchmarkverklaring omvat ten minste:
- a)
de definities voor alle sleuteltermen in verband met de benchmark;
- b)
de achterliggende reden voor de keuze van de benchmarkmethodologie en procedures voor beoordeling en goedkeuring van de methodologie;
- c)
de voor de vaststelling van de benchmark gebruikte criteria en procedures, met inbegrip van een beschrijving van de inputgegevens, de minimale voor vaststelling van een benchmark benodigde gegevens, de prioriteit die wordt gegeven aan de verschillende soorten inputgegevens, het gebruik van extrapolatiemodellen of -methoden en elke procedure voor het weer in balans brengen van de onderdelen van de index van de benchmark;
- d)
de controles en voorschriften die van toepassing zijn op de uitoefening van beoordelings- of keuzevrijheid door de beheerder en contribuanten, ter verzekering van de consistentie in het gebruik van dergelijke beoordelings- of keuzevrijheid;
[…]
- f)
de procedures voor de afhandeling van fouten in inputgegevens, […]
[…]’
31
Volgens artikel 29 van verordening 2016/1011 mag een onder toezicht staande entiteit in de Unie een benchmark of combinatie van benchmarks gebruiken wanneer de benchmark wordt verstrekt door een in de Unie gevestigde beheerder en is opgenomen in het in artikel 36 van deze verordening bedoelde register, dat door de ESMA wordt bijgehouden, waarin met name de identiteit van de beheerders met een vergunning of registratie en de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht daarop is opgenomen.
32
Titel VI van verordening 2016/1011 draagt het opschrift ‘Vergunningverlening aan, registratie van en toezicht op beheerders’. Hoofdstuk 1 van die titel, met als opschrift ‘Vergunningverlening en registratie’, bevat met name de artikelen 34 en 35. Die artikelen voorzien respectievelijk in een systeem voor de vergunningverlening of registratie, door de bevoegde nationale autoriteit, waaraan een in de Unie gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon die voornemens is als benchmarkbeheerder op te treden zich moet onderwerpen, en in de bevoegdheid van deze autoriteit om een dergelijke vergunning of registratie in te trekken of te schorsen.
33
Hoofdstuk 3 van die titel heeft als opschrift ‘Rol van de bevoegde autoriteiten’ en bevat met name de artikelen 41 en 42 van verordening 2016/1011. In dit artikel 41, met als opschrift ‘Bevoegdheden van bevoegde autoriteiten’, is bepaald dat deze autoriteiten ter vervulling van hun taken op grond van deze verordening overeenkomstig het nationale recht ten minste over de in artikel 41, lid 1, bedoelde toezichts- en onderzoeksbevoegdheden beschikken. Dat lid 1 heeft met name betrekking op de toegang tot documenten en gegevens, het verkrijgen van inlichtingen van eenieder die betrokken is bij de aanbieding van, of de aanlevering van gegevens voor een benchmark, indien nodig door deze persoon op te roepen en te ondervragen, inspecties of onderzoeken ter plaatse en buiten de woningen van natuurlijke personen, de inbeslagname van documenten en gegevens in kantoren van rechtspersonen, het verkrijgen van opnamen, en het nemen van noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat het publiek juist wordt geïnformeerd over het aanbieden van benchmarks, inclusief het opdragen van een verklaring tot correctie of het corrigeren van vorige input voor of cijfers van een benchmark. Overeenkomstig artikel 42 van die verordening gaat deze bevoegdheid gepaard met de bevoegdheid om administratieve geldboeten op te leggen en andere administratieve maatregelen te nemen.
34
Bijlage I bij verordening 2016/1011 verduidelijkt specifieke bepalingen van deze verordening met betrekking tot benchmarks, of vult die aan, met name wat de nauwkeurigheid en toereikendheid van de inputgegevens betreft en de controles die de contribuanten moeten instellen en de controles waaraan zij zijn onderworpen.
Uitvoeringsverordening 2016/1368
35
De Commissie heeft op grond van artikel 20, lid 1, van verordening 2016/1011 uitvoeringsverordening (EU) 2016/1368 van 11 augustus 2016 tot vaststelling van een lijst van op financiële markten gebruikte cruciale benchmarks op grond van verordening [2016/1011] van het Europees Parlement en de Raad (PB 2016, L 217, blz. 1) vastgesteld. Uitvoeringsverordening 2016/1368 is gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2019/482 van de Commissie van 22 maart 2019 (PB 2019, L 82, blz. 26), die op 26 maart 2019 in werking is getreden.
36
De bijlage bij uitvoeringsverordening 2016/1368, zoals gewijzigd bij verordening 2019/482, bevatte ten tijde van de feiten van het hoofdgeding een lijst van cruciale benchmarks, met onder nummer 5 een vermelding van de benchmark ‘Warsaw Interbank Offered Rate (‘WIBOR’)’, waarvan de beheerder GPW Benchmark S.A. is en de plaats Warschau (Polen).
Pools recht
Wet houdende het burgerlijk wetboek
37
Artikel 3851 van de ustawa — Kodeks cywilny (wet houdende het burgerlijk wetboek) van 23 april 1964 (Dz.U. van 1964, nr. 16, volgnr. 93) in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt:
‘§ 1. Bedingen van een consumentenovereenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, binden deze consument niet indien zijn rechten en verplichtingen daarin worden vastgesteld op een wijze die in strijd is met de goede zeden en een grove schending van zijn belangen vormt (oneerlijke contractuele bedingen). Dat geldt niet voor de bepalingen over de voornaamste prestaties van de partijen, waaronder de prijs of de vergoeding, indien deze eenduidig zijn geformuleerd.
§ 2. Indien een beding in een overeenkomst die consument overeenkomstig § 1 niet bindt, blijven de partijen gebonden aan de overige bedingen van de overeenkomst.
§ 3. Over bedingen is niet afzonderlijk onderhandeld indien de consument daarop geen werkelijke invloed heeft gehad. Dit betreft met name contractuele bedingen die ontleend zijn aan een door de medecontractant aan die consument voorgestelde modelovereenkomst.
§ 4. De bewijslast voor het feit dat afzonderlijk over een beding is onderhandeld berust bij de partij die zich daarop beroept.’
Wet op het hypothecair krediet
38
De ustawa o kredycie hipotecznym oraz o nadzorze nad pośrednikami kredytu hipotecznego i agentami (wet op het hypothecair krediet en het toezicht op hypotheekkredietbemiddelaars en hypotheekverstrekkers) van 23 maart 2017 (Dz.U. van 2017, volgnr. 819), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘wet op het hypothecair krediet’), bepaalt in artikel 10, lid 1, punten 5 en 6 het volgende:
‘Kredietgevers, hypotheekkredietbemiddelaars en hypotheekverstrekkers stellen de consument te allen tijde op een duurzame drager of in elektronische vorm nauwkeurige en begrijpelijke algemene informatie over de hypothecaire kredietovereenkomst ter beschikking, waaronder ten minste de volgende informatie:
[…]
- 5)
voor hypothecaire kredietovereenkomsten waarin een benchmark wordt gebruikt: de namen van de benchmarks en van de beheerders ervan bedoeld in artikel 3, lid 1, punt 6, van verordening [2016/1011] en informatie over de mogelijke gevolgen voor de consument;
- 6)
de beschikbare hypothecaire debetrentevoeten, met vermelding of het gaat om een vaste of een variabele rentevoet, dan wel om een combinatie van beide, met een korte beschrijving van de kenmerken van de vaste en de variabele rentevoet en de daaraan verbonden gevolgen voor de consument.’
39
Artikel 11, leden 1 en 2, van de wet op het hypothecair krediet bepaalt:
- ‘1.
Vóór de sluiting van een hypothecaire kredietovereenkomst verstrekken de kredietgever, de hypotheekkredietbemiddelaar en de hypotheekverstrekker de consument op een duurzame drager de gepersonaliseerde informatie die nodig is om de op de markt beschikbare hypothecaire kredietovereenkomsten te vergelijken, de gevolgen van het aangaan van deze kredietovereenkomsten te beoordelen en een geïnformeerd besluit te nemen over de sluiting van die overeenkomst.
- 2.
De in lid 1 bedoelde informatie wordt verstrekt door de kredietgever, de hypotheekkredietbemiddelaar en de hypotheekverstrekker op het hypotheekkredietinformatieformulier, waarvan het model in bijlage 1 bij de wet is opgenomen.’
40
Artikel 29 van de wet op het hypothecair krediet bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
In de hypothecaire kredietovereenkomst worden de bestanddelen vermeld die worden genoemd in artikel 69, lid 2, van de ustawa — Prawo bankowe [(wet op het bankwezen)] van 29 augustus 1997 alsmede
[…]
- 8)
de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de rentevoet wordt vastgesteld op grond waarvan het bedrag van de maandelijkse termijnen wordt berekend.
[…]
- 2.
Indien de partijen geen vaste rentevoet voor het hypothecair krediet zijn overeengekomen, wordt de in lid 1, punt 8, bedoelde rentevoet bepaald door de som van de benchmark en de marge die in de hypothecaire kredietovereenkomst is vastgesteld.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
41
Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing heeft verzoeker in het hoofdgeding op 18 juni 2019 contact opgenomen met PKO om een hypothecaire kredietovereenkomst van 400 000 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 96 700 EUR) aan te gaan. Bij die gelegenheid is hij onder meer geïnformeerd over de risico's die verbonden zijn aan leningen met een variabele rentevoet in het algemeen. Hij heeft geen informatie ontvangen over de werking van een specifieke benchmark.
42
Op 1 augustus 2019 hebben partijen in het hoofdgeding een hypothecaire kredietovereenkomst gesloten voor een totaalbedrag van 413 436,69 PLN (ongeveer 99 980 EUR) voor de aankoop van een woning, met een looptijd van 20 jaar (hierna: ‘kredietovereenkomst in het hoofdgeding’). Deze kredietovereenkomst is gesloten tegen een variabele rentevoet met een waarde die werd berekend op basis van de WIBOR 6M (die deel uitmaakt van de WIBOR-benchmarkgroep), een rentevoetbenchmark in de zin van artikel 3, lid 1, punt 22, van verordening 2016/1011, waarvan de waarde op de datum van sluiting van deze overeenkomst was vastgesteld op 1,79 %, en een vaste marge van 1,85 %, waarbij de toepasselijke rentevoet op halfjaarlijkse basis zou worden aangepast aan de ontwikkeling van deze benchmark.
43
In de algemene voorwaarden van de kredietovereenkomst in het hoofdgeding wordt de WIBOR 6M omschreven als de benchmark voor zesmaands deposito's in Poolse zloty op de Poolse interbancaire markt, waarvan de waarde wordt bepaald overeenkomstig de regels betreffende met name de WIBOR die wordt gepubliceerd op de informatiewebsite van de beheerder van deze benchmarks, GPW Benchmark.
44
In de bijzondere voorwaarden van deze overeenkomst wordt vermeld dat PKO de kredietnemer in kennis heeft gesteld van het risico van de toepassing van een variabele rentevoet, die in geval van een verhoging van de benchmark kan leiden tot een verhoging van het bedrag van de rente en dus van de maandelijkse termijnen. De algemene voorwaarden bevatten ook informatie hierover.
45
Nadat verzoeker in het hoofdgeding bij PKO tevergeefs de rechtmatigheid van de contractuele bedingen betreffende een variabele rentevoet had betwist, heeft hij op 18 september 2023 een vordering tegen die bank ingesteld bij de Sąd Okrėgowy w Czėstochowie (rechter in eerste aanleg Czėstochowa, Polen), de verwijzende rechter.
46
Met zijn beroep vordert hij primair, ten eerste, vaststelling dat het beding in de kredietovereenkomst in het hoofdgeding betreffende de vaststelling van een variabele rentevoet oneerlijk is voor zover dat beding verwijst naar de WIBOR 6M als benchmark en dat dit beding hem in zoverre niet bindt of in ieder geval nietig is en, ten tweede, betaling van een bedrag van 10 828,93 PLN (ongeveer 2 620 EUR), vermeerderd met vertragingsrente.
47
De verwijzende rechter zet uiteen dat PKO volgens verzoeker in het hoofdgeding geen betrouwbare, begrijpelijke en volledige informatie heeft verstrekt over het risico dat verbonden is aan de toepassing van een variabele rentevoet en over het mechanisme voor de vaststelling van de WIBOR 6M, met name wat betreft de invloed die banken die de voor vaststelling van die benchmark gebruikte inputgegevens aanleveren, waaronder PKO, kunnen uitoefenen op het bepalen van de opeenvolgende waarden van deze benchmark, ongeacht de economische omstandigheden die gelden op de nationale interbancaire markt en de economische realiteit. Verzoeker in het hoofdgeding betoogt dat banken zichzelf aldus een ‘verborgen marge’ verzekeren, en dat bedingen betreffende een variabele rentevoet betrekking moeten hebben op objectieve indicatoren, waarop partijen bij kredietovereenkomsten geen enkele invloed kunnen uitoefenen. Hierdoor kon PKO de hoogte van de renteverplichting van de kredietnemer beïnvloeden en heeft zij bovendien het volledige risico met betrekking tot de wijziging van de rentevoet op die kredietnemer afgewenteld.
48
Verzoeker in het hoofdgeding stelt ook dat PKO hem geen informatie heeft verstrekt over hetgeen de WIBOR 6M inhoudt, zodat hij de economische implicaties van zijn verplichting niet kon beoordelen.
49
Wat betreft de gevolgen van de gestelde ongeldigheid van de verwijzing naar die benchmark betoogt de verzoeker in het hoofdgeding dat het betrokken beding in de kredietovereenkomst in het hoofdgeding, voor zover het een dergelijke verwijzing bevat, moet worden beschouwd als een zelfstandig beding en dus kan worden geschrapt zonder afbreuk te doen aan de kern van deze overeenkomst, zodat alleen de ten gunste van de bank vastgestelde vaste marge als rentevoet blijft bestaan.
50
PKO betwist dat de WIBOR 6M is losgekoppeld van werkelijke transacties en dat de banken die daar gegevens voor aanleveren, die benchmark kunnen manipuleren of onderlinge afspraken kunnen maken om de opeenvolgende waarden ervan vast te stellen.
51
Zij betoogt dat verzoeker in het hoofdgeding naar behoren is geïnformeerd over de risico's die verbonden zijn aan het sluiten van een kredietovereenkomst met variabele rentevoet en beklemtoont dat de in de kredietovereenkomst in het hoofdgeding bepaalde rentevoet aanzienlijk lager was dan de wettelijke rentevoet, en dat het verschil met de maximale rentevoet die was vastgesteld in de op het hoofdgeding toepasselijke versie van het burgerlijk wetboek nog lager was.
52
De verwijzende rechter merkt op dat het bezwaar van verzoeker in het hoofdgeding betrekking heeft op het mogelijk oneerlijke karakter van het gebruik van de WIBOR 6M in bedingen betreffende de toepassing van een variabele rentevoet in een hypothecaire kredietovereenkomst. Hij stelt vast dat het in casu gaat om een cruciale benchmark in de zin van artikel 20, lid 1, van verordening 2016/1011.
53
In de eerste plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of het wel mogelijk is om een beding betreffende de toepassing van een variabele rentevoet in een in Polen gesloten hypothecaire kredietovereenkomst te toetsen aan richtlijn 93/13, gelet op artikel 1, lid 2, ervan.
54
Hij merkt namelijk op dat de methode voor de vaststelling van de rentevoet die is bepaald in de kredietovereenkomst in het hoofdgeding in overeenstemming is met artikel 29, lid 2, van de wet op het hypothecair krediet. In dat artikel is bepaald dat indien geen vaste rentevoet is overeengekomen, de rentevoet wordt bepaald door de som van de benchmark en de marge die is vastgesteld. Wanneer een variabele rentevoet wordt toegepast, legt de wet dus de verplichting op om een benchmark te gebruiken. Het kan ook relevant zijn dat de bescherming van consumenten aanzienlijk sterker is bij een cruciale benchmark die wordt beheerst door verordening 2016/1011, zoals in casu het geval is, dan bij een ander type benchmark.
55
In de tweede plaats is de verwijzende rechter van mening dat, indien het mogelijk is het betwiste beding in de kredietovereenkomst in het hoofdgeding aan richtlijn 93/13 te toetsen, dit beding behoort tot het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst in de zin van artikel 4, lid 2, van deze richtlijn. Bijgevolg vraagt hij zich af of aan het transparantievereiste van deze bepaling is voldaan.
56
In dat verband merkt deze rechter op dat in dit beding de methode voor de aanpassing van de rentevoet en de frequentie van de aanpassingen wordt omschreven, dat de contractuele benchmark wordt aangeboden door een beheerder die overeenkomstig verordening 2016/1011 over een vergunning beschikt, dat die overeenkomst informatie bevat over deze beheerder en over de wijze waarop deze benchmark wordt vastgesteld en dat de opeenvolgende waarden ervan gemakkelijk toegankelijk zijn voor het publiek.
57
De verwijzende rechter vraagt zich niettemin af of het transparantievereiste de professionele kredietgever niet verplicht om ook andere informatie te verstrekken die de consument in staat stelt om een mening te vormen over de toekomstige ontwikkeling van de contractuele benchmark en de gevolgen daarvan voor zijn contractuele verplichtingen. Deze rechter vermeldt onder deze aanvullende informatie die zou kunnen worden vereist, de wijze waarop deze benchmark wordt bepaald, welke factoren en omstandigheden van invloed zijn op de vaststelling van de waarde ervan, zoals het inflatie- en werkloosheidspercentage, het bestaan van eventuele ‘bezorgdheid’ over de transparantie van de werking ervan, die verband houdt met het feit dat de inputgegevens door banken worden aangeleverd en niet noodzakelijkerwijs overeenkomen met werkelijke transacties, de criteria die de banken gebruiken om die gegevens te verzamelen, de wijze waarop zij worden verzameld voordat zij worden aangeleverd en het feit dat de kredietgever een van deze banken is die gegevens aanlevert.
58
De verwijzende rechter wijst er echter op dat, ten eerste, noch de wet op het hypothecair krediet noch de richtlijnen 2008/48 en 2014/17 de kredietgever verplichten om dergelijke informatie te verstrekken en, ten tweede, dat de gegevens die PKO voor de WIBOR 6M heeft aangeleverd een beperkte invloed op die benchmark hebben, aangezien zij slechts één van de tien banken is die gegevens aanleveren. Bovendien maken de complexiteit of de techniciteit van een deel van deze gegevens het volgens hem moeilijk om die informatie op een begrijpelijke wijze voor een gemiddelde consument zonder economische kennis over te brengen, zodat het feit dat die informatie niet is verstrekt, eenvoudigweg geen invloed kan hebben op de besluitvorming van consumenten.
59
In de derde plaats, indien de eventuele oneerlijkheid van het betwiste beding in de kredietovereenkomst in het hoofdgeding wegens een gebrek aan transparantie moet worden getoetst, vraagt de verwijzende rechter zich af welke gevolgen moeten worden verbonden aan bepaalde twijfels over de transparantie van de wijze waarop de WIBOR 6M wordt bepaald. PKO had die twijfels moeten kennen, maar heeft de consument daarover niet geïnformeerd, zodat het gebruik van deze benchmark in deze overeenkomst het evenwicht tussen partijen kan verstoren.
60
De verwijzende rechter merkt echter op dat de kredietmarkt in Polen ten tijde van het sluiten van die overeenkomst werd gekenmerkt door de quasi-exclusiviteit van, ten eerste, kredieten met een variabele rentevoet en, ten tweede, het gebruik van de WIBOR als benchmark voor deze kredieten. Zelfs indien een consument had willen kiezen voor een krediet met een vaste rentevoet of twijfels had over de werking van de WIBOR, is het dus mogelijk dat hij zelfs na naar behoren te zijn geïnformeerd over deze werking geen andere keuze had dan in te stemmen met een overeenkomst met een variabele rentevoet die aan deze benchmark was gekoppeld. Hoe dan ook vereist het Poolse recht dat er gebruik wordt gemaakt van de WIBOR, aangezien dat een cruciale benchmark in de zin van verordening 2016/1011 is geworden. Bovendien is het gebruik van andere benchmarks nadelig voor de consument, gelet op het feit dat zij minder transparant zijn.
61
Voorts vraagt deze rechter zich af of het aanbieden van een krediet met een variabele rentevoet op zichzelf geen schending vormt van de belangen van de consument, aangezien deze gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst wordt blootgesteld aan het risico van een renteverhoging, met als enige bescherming het wettelijke plafond van de toepasselijke rentevoeten.
62
In de vierde en laatste plaats vraagt de verwijzende rechter zich af welke gevolgen moeten worden verbonden aan een eventuele vaststelling, na toetsing van een beding, dat het gebruik van de WIBOR oneerlijk is.
63
Volgens hem kan de verwijzing naar de WIBOR 6M in het betwiste beding in de kredietovereenkomst in het hoofdgeding worden opgevat als een afscheidbare contractuele verbintenis, zodat alleen dit aspect ongeldig kan worden verklaard, waardoor de consument de nadelige gevolgen van de nietigverklaring van de gehele overeenkomst zou vermijden. In dat geval wordt de debetrentevoet verlaagd tot de vastgestelde vaste marge voor de bank.
64
De verwijzende rechter wijst er echter op dat een dergelijke wijziging volgens de meerderheidsopvatting in de nationale rechtspraak de kern van een dergelijk beding aantast. Hij merkt met name op dat de aldus gewijzigde kredietovereenkomst in het hoofdgeding aanzienlijk verschillende vooruitzichten meebrengt voor de partijen, met name omdat de vraag of een kredietovereenkomst met een vaste rentevoet voordelig is, afhangt van de te verwachten ontwikkeling van de rentevoet ten tijde van het sluiten van de overeenkomst.
65
In die omstandigheden heeft de Sąd Okrėgowy w Czėstochowie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet artikel 1, lid 2, van richtlijn [93/13] aldus worden uitgelegd dat het is toegestaan om contractuele bedingen te onderzoeken die betrekking hebben op een variabele rentevoet die op basis van de WIBOR-benchmark wordt vastgesteld?
- 2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 4, lid 2, van richtlijn [93/13] aldus worden uitgelegd dat het is toegestaan om het oneerlijke karakter van contractuele bedingen te onderzoeken die betrekking hebben op een variabele rentevoet die op basis van de WIBOR-benchmark wordt vastgesteld?
- 3)
Indien de eerste en de tweede vraag bevestigend worden beantwoord: moet artikel 3, lid 1, van richtlijn [93/13] aldus worden uitgelegd dat contractuele bedingen betreffende een variabele rentevoet die op basis van de WIBOR-benchmark wordt vastgesteld, kunnen worden geacht in strijd te zijn met de goede trouw en het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk te verstoren doordat deze consument onjuist is geïnformeerd over de blootstelling aan het risico van de variabele rentevoet, met name doordat niet is aangegeven hoe de benchmark wordt vastgesteld die dient als basis voor de variabele rentevoet en wat de onzekerheden zijn omtrent het gebrek aan transparantie en de ongelijke verdeling van dit risico tussen de contractpartijen?
- 4)
Indien de eerste drie vragen bevestigend worden beantwoord: moet artikel 6, lid 1, juncto artikel 3, lid 1 en lid 2, tweede [alinea], en artikel 2 van richtlijn [93/13] aldus worden uitgelegd dat wanneer een contractueel beding betreffende een variabele rentevoet die op basis van de WIBOR-benchmark wordt vastgesteld, als oneerlijk wordt beschouwd, de overeenkomst in stand kan blijven, waarbij de debetrentevoet gebaseerd wordt op het tweede element voor de berekening van de rentevoet in de overeenkomst, namelijk de vaste marge van de bank, zodat de variabele debetrentevoet een vaste rentevoet wordt?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
66
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een beding in een hypothecaire kredietovereenkomst dat voorziet in een variabele rentevoet op basis van een benchmark in de zin van verordening 2016/1011 en een vaste marge onder de in dat artikel neergelegde uitzondering valt.
67
Deze rechter beklemtoont in dat verband dat, ten eerste, de variabele rentevoet die in het betwiste beding in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst is vastgesteld, in overeenstemming is met artikel 29, lid 2, van de wet op het hypothecair krediet en, ten tweede, de in dat beding bedoelde benchmark — de WIBOR — gelet op het feit dat de bevoegde nationale autoriteit de in artikel 34 van verordening 2016/1011 bedoelde vergunning aan de beheerder ervan heeft verleend, moet worden vermoed in overeenstemming te zijn met alle bepalingen van die verordening die van toepassing zijn op cruciale benchmarks.
68
Er zij aan herinnerd dat contractuele bedingen waarin ‘dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen’ zijn overgenomen door artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 worden uitgesloten van de materiële werkingssfeer van deze richtlijn. In het licht van de dertiende overweging omvat deze uitdrukking zowel bepalingen van nationaal recht die onafhankelijk van de keuze van de overeenkomstsluitende partijen tussen hen van toepassing zijn als bepalingen van aanvullend recht, dat wil zeggen bepalingen die van toepassing zijn bij gebreke van een andersluidende regeling tussen de partijen (arrest van 5 mei 2022, Zagrebačka banka, C-567/20, EU:C:2022:352, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak), aangezien dergelijke bedingen worden geacht geen oneerlijke elementen te bevatten.
69
De in die bepaling vastgestelde uitzondering moet strikt worden uitgelegd (arrest van 20 september 2018, OTP Bank en OTP Faktoring, C-51/17, EU:C:2018:750, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70
Wat in de eerste plaats het feit betreft dat het betwiste beding in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst in overeenstemming is met artikel 29, lid 2, van de wet op het hypothecair krediet, moet worden opgemerkt dat die bepaling louter voorschrijft dat indien de partijen bij een hypothecaire kredietovereenkomst geen vaste rentevoet zijn overeengekomen, de rentevoet wordt bepaald door de som van de benchmark en de marge die in de overeenkomst is vastgesteld.
71
Uit punt 33 van het arrest van 30 mei 2024, Raiffeisen Bank (C-176/23, EU:C:2024:443), vloeit voort dat de uitsluiting waarin artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 voorziet, niet van toepassing is indien een regeling slechts een algemeen kader vaststelt voor de vaststelling van het rentepercentage dat van toepassing is op dergelijke overeenkomsten en er aan de kredietverstrekker een beoordelingsmarge wordt gelaten met betrekking tot zowel de keuze van de benchmark als de omvang van de vaste marge die daaraan kan worden toegevoegd.
72
Dientengevolge kan een nationale bepaling zoals artikel 29, lid 2, van de wet op het hypothecair krediet niet in de weg staan aan de toepassing van richtlijn 93/13.
73
Wat in de tweede plaats het feit betreft dat de benchmark in het betwiste beding in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst een benchmark is in de zin van verordening 2016/1011, waarvan de methodologie en, meer in het algemeen, de werking moeten voldoen aan alle vereisten die in deze verordening worden gesteld voor cruciale benchmarks, zij opgemerkt dat het juist is dat artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 in beginsel betrekking heeft op de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten, zoals in de dertiende overweging van die richtlijn wordt vermeld.
74
Niettemin moeten de bepalingen in de door de Uniewetgever in de vorm van verordeningen vastgestelde handelingen dienaangaande worden gelijkgesteld met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten, gelet op de gevolgen van deze verordeningen zoals neergelegd in artikel 288, tweede alinea, VWEU, aangezien dergelijke Unierechtelijke bepalingen er op dezelfde wijze toe strekken om dwingend of aanvullend de rechten en plichten van de partijen bij bepaalde overeenkomsten te bepalen. De reden voor de door artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 vastgestelde uitsluiting, die in punt 68 van dit arrest reeds is vermeld, namelijk dat het in beginsel legitiem is om aan te nemen dat de nationale wetgever een evenwicht tussen al deze rechten en plichten tot stand heeft gebracht, welk evenwicht de Uniewetgever heeft willen handhaven (zie in die zin arrest van 6 juli 2023, First Bank, C-593/22, EU:C:2023:555, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak), geldt ook wanneer die rechten en plichten rechtstreeks door de Uniewetgever zelf worden bepaald.
75
Ten eerste zij met betrekking tot verordening 2016/1011 evenwel vastgesteld dat die verordening blijkens artikel 1 ervan tot doel heeft een gemeenschappelijk regelgevend kader tot stand te brengen om de nauwkeurigheid en integriteit te waarborgen van indices die worden gebruikt als benchmarks met name in financiële overeenkomsten, om zo bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen. Daartoe stelt deze verordening een reeks vereisten vast, met name met betrekking tot de methodologie van deze benchmarks, die van toepassing zijn op beheerders en contribuanten ervan. Deze verordening heeft dus niet tot doel een evenwicht tot stand te brengen tussen de rechten en verplichtingen van partijen bij financiële overeenkomsten, maar stelt verplichtingen vast die van toepassing zijn op entiteiten die in bijzondere hoedanigheden optreden, los van het feit dat contribuanten ook gebruikers van een benchmark kunnen zijn.
76
Ten tweede heeft de bevoegde nationale autoriteit weliswaar de in artikel 34 van verordening 2016/1011 bedoelde vergunning aan de beheerder van de WIBOR verleend en aldus verklaard dat de regels voor de methodologie van deze benchmark in overeenstemming zijn met de door deze verordening opgelegde reeks vereisten, maar dat neemt niet weg dat deze regels afkomstig zijn van een particuliere entiteit, namelijk de beheerder van die benchmark, en dus niet wettelijk of bestuursrechtelijk van aard zijn in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13.
77
Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een beding in een hypothecaire kredietovereenkomst dat voorziet in een variabele rentevoet die op basis van een benchmark in de zin van verordening 2016/1011 en een vaste marge wordt bepaald, niet onder de in dat artikel neergelegde uitzondering valt wanneer wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die op een dergelijk beding van toepassing zijn, slechts een algemeen kader vormen voor de vaststelling van de rentevoet voor dergelijke overeenkomsten en de kredietverstrekker de mogelijkheid wordt gelaten om de contractuele benchmark en de vaste marge die daaraan kan worden toegevoegd te bepalen.
Tweede vraag
78
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 bepaalt dat de beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen geen betrekking heeft op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.
79
Zoals blijkt uit de uiteenzettingen in de verwijzingsbeslissing die betrekking hebben op de tweede vraag, is de verwijzende rechter van oordeel dat een beding in een hypothecaire kredietovereenkomst dat voorziet in een variabele rentevoet die op basis van een benchmark en een vaste marge wordt bepaald, zoals het betwiste beding in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst, betrekking kan hebben op de ‘bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst’ in de zin van dat artikel 4, lid 2, en de rechtspraak over deze bepaling. Volgens die rechtspraak heeft die bepaling betrekking op de bedingen die de kern van de prestaties van de overeenkomst bepalen en als dusdanig de overeenkomst kenmerken [zie in die zin arresten van 30 april 2014, Kásler en Káslerné Rábai, C-26/13, EU:C:2014:282, punt 49, en 16 maart 2023, Caixabank (Openingskosten van een lening), C-565/21, EU:C:2023:212, punt 17].
80
Een dergelijke vaststelling, die onder de bevoegdheid van de verwijzende rechter valt (zie in die zin arrest van 3 oktober 2019, Kiss en CIB Bank, C-621/17, EU:C:2019:820, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak), lijkt verenigbaar te zijn met de rechtspraak van het Hof, aangezien het Hof reeds heeft geoordeeld dat een rentebeding in een kredietovereenkomst deel kan uitmaken van het eigenlijke voorwerp van deze overeenkomst (arrest van 26 februari 2015, Matei, C-143/13, EU:C:2015:127, punt 62).
81
Aangezien het de verwijzende rechter aannemelijk lijkt dat het betwiste beding in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst onder de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst valt, verzoekt hij om uitlegging van de bewoordingen ‘voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd’, waarmee de Uniewetgever een transparantievereiste heeft opgenomen in artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 (zie in die zin arrest van 30 april 2025, Justa, C-39/24, EU:C:2025:298, punten 29 en 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zoals uit deze bepaling voortvloeit, kan het oneerlijke karakter van een beding dat onder de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst valt namelijk alleen worden onderzocht indien vast komt te staan dat het betwiste beding niet ‘duidelijk en begrijpelijk’ is geformuleerd en dus niet aan dit transparantievereiste voldoet.
82
In dat verband vraagt de verwijzende rechter zich met name af of de kredietgever informatie moet verstrekken over bepaalde elementen van de methodologie van de contractuele benchmark, zoals het feit dat de gebruikte inputgegevens kunnen overeenstemmen met niet-afgeronde aanbiedingen om een transactie aan te gaan, of over factoren die van invloed kunnen zijn op de wijzigingen van deze benchmark.
83
Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn tweede vraag wenst te vernemen of artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het uit die bepaling voortvloeiende transparantievereiste de kredietgever bepaalde specifieke informatieverplichtingen oplegt inzake de methodologie van deze benchmark wanneer een hypothecaire kredietovereenkomst een beding bevat dat voorziet in een variabele rentevoet die wordt vastgesteld op basis van een benchmark in de zin van verordening 2016/1011.
84
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat dit transparantievereiste aldus moet worden verstaan dat het niet alleen gebiedt dat het betrokken beding voor de consument grammaticaal begrijpelijk is, maar ook dat de consument op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de economische gevolgen kan inschatten die er voor hem uit voortvloeien (zie in die zin arrest van 3 oktober 2019, Kiss en CIB Bank, C-621/17, EU:C:2019:820, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
85
Voor een consument is het namelijk van wezenlijk belang dat hij, vóór sluiting van de overeenkomst, kennisneemt van alle contractvoorwaarden en de gevolgen van sluiting van de overeenkomst. Op basis van de aldus verkregen informatie zal hij namelijk beslissen of hij wenst gebonden te zijn door voorwaarden die de verkoper tevoren heeft opgesteld. Bijgevolg moet het transparantievereiste ruim worden opgevat, aangezien het door richtlijn 93/13 uitgewerkte beschermingsstelsel op de gedachte berust dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakkere positie bevindt en met name over minder informatie beschikt dan de verkoper [arrest van 13 juli 2023, Banco Santander (Verwijzing naar een officiële index), C-265/22, EU:C:2023:578, punten 51 en 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
86
Wat meer in het bijzonder een beding betreft dat in het kader van een hypothecaire kredietovereenkomst voorziet in een vergoeding van die lening door middel van rente die wordt berekend op basis van een variabele rentevoet die wordt bepaald aan de hand van een officiële benchmark, zoals in het hoofdgeding, moet het transparantievereiste aldus worden begrepen dat het met name gebiedt dat de normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument in staat wordt gesteld om de concrete werking van de berekeningswijze van die rentevoet te begrijpen en om op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de — mogelijk aanzienlijke — economische gevolgen van een dergelijk beding voor zijn financiële verplichtingen in te schatten (arrest van 12 december 2024, Kutxabank, C-300/23, EU:C:2024:1026, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
87
De inachtneming van het transparantievereiste moet worden beoordeeld aan de hand van alle relevante feitelijke gegevens, waaronder niet alleen de in de betrokken overeenkomst opgenomen bedingen, maar ook de reclame en informatie die door de kredietgever in het kader van de onderhandeling van de overeenkomst is verstrekt (arrest van 3 oktober 2019, Kiss en CIB Bank, C-621/17, EU:C:2019:820, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
88
Tevens moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de voornaamste gegevens met betrekking tot de berekening van een benchmark dankzij hun bekendmaking gemakkelijk toegankelijk zijn, op voorwaarde dat een normaal geïnformeerde, redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument, gelet op de publiekelijk beschikbare en toegankelijke gegevens en op de in voorkomend geval door de verkoper verstrekte informatie, in staat is gesteld om de concrete werking van de berekeningswijze van de variabele rentevoet — met name voor zover het gaat om een benchmark — te begrijpen en om op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de — mogelijk aanzienlijke — economische gevolgen van een dergelijk beding voor zijn financiële verplichtingen in te schatten (arrest van 12 december 2024, Kutxabank, C-300/23, EU:C:2024:1026, punten 80 en 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
89
Om vast te stellen of het beding in een kredietovereenkomst dat onder artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 valt, aan het transparantievereiste van die bepaling voldoet, moet bovendien rekening worden gehouden met alle bepalingen van het Unierecht die voorzien in verplichtingen inzake consumentenvoorlichting die op de betrokken overeenkomst van toepassing kunnen zijn (zie in die zin arrest van 20 september 2018, EOS KSI Slovensko, C-448/17, EU:C:2018:745, punt 62).
90
Aangezien het in casu een hypothecaire kredietovereenkomst betreft die binnen de werkingssfeer van richtlijn 2014/17 valt en waarvan de variabele rentevoet is vastgesteld op basis van een benchmark als bedoeld in verordening 2016/1011, moet rekening worden gehouden met het feit dat deze twee handelingen de informatieverplichtingen jegens consumenten nauwkeurig omschrijven teneinde de consument te beschermen, zoals met name blijkt uit overweging 7 van die richtlijn en uit de overwegingen 5, 6 en 71 van die verordening.
91
Zo wordt in richtlijn 2014/17 de informatieverplichting van kredietgevers op verschillende niveaus geregeld.
92
Ten eerste legt artikel 14 van richtlijn 2014/17 de kredietgever de verplichting op om in de fase van individueel contact met een bepaalde kandidaat-kredietnemer de gepersonaliseerde precontractuele informatie te verstrekken die deze kandidaat-kredietnemer nodig heeft om de op de markt beschikbare kredieten te kunnen vergelijken, de respectieve implicaties ervan te kunnen inschatten en zo een geïnformeerd besluit te kunnen nemen. Deze informatie moet worden verstrekt via het ESIS, een gestandaardiseerd informatiedocument op Unieniveau. Overeenkomstig artikel 17, lid 6, van die richtlijn moet de consument in geval van een lening met variabele rentevoet ten minste door middel van het ESIS worden ingelicht over de mogelijke effecten van wijzigingen van de rentevoet op de te betalen bedragen en op het jkp. Daarbij moet hem een bijkomend jkp worden verstrekt, waarin de mogelijke risico's worden toegelicht die aan een significante verhoging van de debetrentevoet verbonden zijn. Deze informatie moet gepaard gaan met een waarschuwing dat de totale kredietkosten voor de consument, zoals getoond in het jkp, kunnen veranderen.
93
Uit bijlage II bij richtlijn 2014/17, waarin de vermeldingen die in ESIS moeten worden opgenomen en de inhoud daarvan (deel A) worden opgesomd en die de instructies bevat die kredietgevers in acht moeten nemen voor het invullen van het ESIS (deel B), volgt dat wanneer aan een consument een hypothecaire kredietovereenkomst met een variabele rentevoet wordt voorgesteld, de aan de kredietgever opgelegde specifieke informatieverplichting betrekking heeft op de invloed van de wijziging van de rentevoet op het jkp. In dat verband moet worden opgemerkt dat de wijzigingen die de Uniewetgever in deze richtlijn heeft ingevoerd wanneer hij verordening 2016/1011 heeft vastgesteld, geen betrekking hadden op deze bijlage. Zo heeft hij niet bepaald dat het ESIS voor kredietovereenkomsten met een variabele rentevoet die is gebaseerd op een in deze verordening bedoelde benchmark specifieke informatie dient te bevatten over de methodologie van deze benchmark of de mogelijke oorzaken van de wijziging daarvan.
94
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het nationale recht van de lidstaten volgens artikel 2, lid 2, van richtlijn 2014/17 enkel bepalingen mag bevatten die zijn opgenomen in artikel 14, lid 2, en bijlage II, deel A, van deze richtlijn met betrekking tot de mededeling van precontractuele standaardinformatie middels het ESIS.
95
Ten tweede, en meer in het algemeen, moet een kredietgever die op de markt kredietovereenkomsten aanbiedt die verwijzen naar een benchmark in de zin van verordening 2016/1011, overeenkomstig artikel 13, lid 1, tweede alinea, onder e bis), van verordening 2014/17 als algemene informatie onder meer ‘de namen van de [betrokken] benchmark en de beheerders daarvan, alsmede de mogelijke gevolgen voor de consument’ permanent beschikbaar moet stellen. Zoals volgt uit overweging 71 van verordening 2016/1011, waarbij deze bepaling in richtlijn 2014/17 is ingevoerd, beoogde de Uniewetgever, door de verstrekking van deze elementen te verplichten, te garanderen dat de door hem passend geachte informatie aan consumenten wordt verstrekt, gelet op het feit dat zij zich door ongelijke onderhandelingsmogelijkheden en het gebruik van standaardvoorwaarden in een zwakkere positie bevinden wat de keuze van een benchmark betreft.
96
Aangezien de informatie die overeenkomstig artikel 13, lid 1, tweede alinea, onder e bis), moet worden verstrekt algemene informatie over kredietovereenkomsten is die een kredietgever permanent beschikbaar moet stellen, kunnen de in die bepaling opgenomen bewoordingen ‘mogelijke gevolgen voor de consument’ in overeenkomsten die verwijzen naar een benchmark, geen betrekking hebben op informatie die nauwkeuriger is dan de in de punten 93 en 94 van dit arrest beschreven geïndividualiseerde precontractuele informatie. Met name kunnen deze bewoordingen geen betrekking hebben op de methodologie van elke benchmark of benchmarkgroep die deze kredietgever gebruikt in de door hem voorgestelde overeenkomsten of de factoren die van invloed kunnen zijn op de wijziging van die benchmark of benchmarkgroep.
97
Verordening 2016/1011 bevat een regeling voor de informatieverplichtingen van benchmarkbeheerders.
98
Om te beginnen voorziet artikel 13 van deze verordening in dat verband in een algemene transparantieverplichting voor deze beheerders. Zij worden met name verplicht de essentiële aspecten van de methodologie van elke benchmark of benchmarkgroep die zij aanbieden en publiceren, te publiceren of beschikbaar te stellen.
99
Voorts legt artikel 27 van die verordening die beheerders met het oog op transparantie en consumentenbescherming de verplichting op om voor elke benchmark of benchmarkgroep op toegankelijke, duidelijke en ondubbelzinnige wijze een verklaring te publiceren waarin met name de markt of economische realiteit is gedefinieerd die de benchmark meet, alsook de omstandigheden waaronder die meting onbetrouwbaar kan worden, en om door middel van technische specificaties de berekeningselementen aan te geven van een benchmark waarbij sprake kan zijn van keuzevrijheid, de criteria die van toepassing zijn op de uitoefening van die keuzevrijheid en de positie van de personen die deze kunnen uitoefenen en hoe die keuzevrijheid na afloop kan worden geëvalueerd. Voorts omvat die verklaring de definities voor alle sleuteltermen in verband met de benchmark, wordt daarin de achterliggende reden gepreciseerd voor de keuze van de methodologie, de gebruikte criteria en procedures, met inbegrip van een beschrijving van de inputgegevens, de prioriteit die wordt gegeven aan de verschillende soorten inputgegevens, de minimale voor vaststelling van een benchmark benodigde gegevens, de prioriteit die wordt gegeven aan de verschillende soorten inputgegevens, het gebruik van extrapolatiemodellen of -methoden en elke procedure voor het weer in balans brengen van de onderdelen van de index van de benchmark, alsook de controles en voorschriften die van toepassing zijn op de uitoefening van beoordelings- of keuzevrijheid door de beheerder en de contribuanten, ter verzekering van de consistentie in het gebruik van een dergelijke beoordelings- of keuzevrijheid.
100
Zoals de advocaat-generaal in punt 54 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, stelt de publicatie van informatie waarvoor de benchmarkbeheerder verantwoordelijk is, alle belanghebbenden, waaronder consumenten, in staat de methodologie te begrijpen die is gebruikt voor het aanbieden van deze benchmark.
101
Wat kredietovereenkomsten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen betreft, blijkt dus dat richtlijn 2014/17 en verordening 2016/1011 samen nauwkeurige informatieverplichtingen jegens consumenten vaststellen met betrekking tot, ten eerste, bedingen van hypothecaire kredietovereenkomsten met een variabele rentevoet die verwijst naar een in deze verordening bedoelde benchmark en, ten tweede, dergelijke benchmarks, en dat deze verplichtingen zijn verdeeld tussen kredietgevers en beheerders van deze benchmarks. In dat kader moeten kredietgevers consumenten aanwijzingen verschaffen die hen in staat stellen om in te schatten welke concrete gevolgen de wijziging van de rentevoet heeft op de verplichtingen die voor hen voortvloeien uit de overeenkomst die hun wordt voorgesteld, en om kennis te nemen van alle informatie die de benchmarkbeheerder openbaar moet maken.
102
In deze context moet, gelet op de in punt 89 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, rekening worden gehouden met alle bepalingen van het Unierecht die voorzien in verplichtingen inzake consumentenvoorlichting welke in het onderhavige geval van toepassing kunnen zijn op het beding waarin een variabele rentevoet op basis van een benchmark in de zin van verordening 2016/1011 wordt vastgesteld, en moet de naleving door een kredietgever van het transparantievereiste van richtlijn 93/13 bij het sluiten van een hypothecaire kredietovereenkomst die een dergelijk beding bevat, worden beoordeeld in het licht van de verplichtingen die hem bij richtlijn 2014/17 zijn opgelegd indien dit beding is opgenomen in een kredietovereenkomst met betrekking tot een onroerend goed voor residentieel gebruik, zoals in het hoofdgeding.
103
Wanneer de door de kredietgever verstrekte gegevens niet beperkt zijn tot een verwijzing naar openbaar toegankelijke informatie, zoals de informatie die elke benchmarkbeheerder krachtens verordening 2016/1011 ter beschikking moet stellen, maar worden beschreven, samengevat of toegelicht, moeten deze gegevens evenwel in overeenstemming zijn met die informatie.
104
Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een hypothecaire kredietovereenkomst met betrekking tot een voor bewoning bestemd onroerend goed een beding bevat dat voorziet in een variabele rentevoet die wordt vastgesteld op basis van een benchmark in de zin van verordening 2016/1011, het uit die bepaling voortvloeiende transparantievereiste de kredietgever geen specifieke informatieverplichtingen oplegt inzake de methodologie van deze benchmark. Het feit dat de kredietgever heeft voldaan aan alle informatieverplichtingen die richtlijn 2014/17 hem met betrekking tot een dergelijk beding oplegt en, indien hij aanvullende informatie heeft verstrekt, geen aanwijzingen heeft verschaft die een vertekend beeld van die benchmark geven, kan aantonen dat die kredietgever aan dit transparantievereiste met betrekking tot dat beding heeft voldaan.
Derde vraag
105
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een beding in een hypothecaire kredietovereenkomst voorziet in een variabele rentevoet die wordt vastgesteld op basis van een benchmark in de zin van verordening 2016/1011, het feit dat de consument niet is geïnformeerd over bepaalde specifieke kenmerken van de contractuele benchmark — met name het feit dat de methodologie van die benchmark voorziet in het gebruik van inputgegevens die niet noodzakelijk overeenstemmen met werkelijke transacties en het feit dat de kredietgever een van de banken is die bijdragen aan de vaststelling ervan — en die specifieke kenmerken zelf ertoe kunnen leiden dat dit beding oneerlijk is.
106
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat, ten eerste, verzoeker in het hoofdgeding de objectiviteit van de WIBOR 6M in twijfel trekt op grond dat de opeenvolgende waarden daarvan zijn vastgesteld op basis van inputgegevens die voor het overgrote deel niet voortvloeien uit transacties die daadwerkelijk op de Poolse interbancaire markt hebben plaatsgevonden, maar op basis van bied- en laatkoersen op deze markt, waardoor de contribuanten van deze benchmark keuzevrijheid wordt toegekend.
107
Ten tweede kan PKO, gelet op dit aspect van de WIBOR 6M-methodologie, door het feit dat zij een van de contribuanten is die aan de beheerder ervan inputgegevens aanlevert die hij gebruikt om de opeenvolgende waarden van die benchmark te bepalen, invloed uitoefenen op de ontwikkeling van die benchmark. Door deze benchmark te gebruiken voor de vaststelling van de variabele rentevoet die van toepassing is op een overeenkomst waarbij zij zelf partij is, is het voor PKO mogelijk om het niveau van de verplichting van de kredietnemer te beïnvloeden en bijgevolg de inkomsten die zij uit deze overeenkomst haalt, te verhogen. Verzoeker in het hoofdgeding betoogt dat hij zich in dergelijke omstandigheden genoodzaakt ziet het volledige risico met betrekking tot de wijziging van de rentevoet te dragen, terwijl de kredietgever een ‘verborgen marge’ geniet.
108
Om te beginnen zij opgemerkt dat het antwoord op de derde vraag, die betrekking heeft op de beoordeling van het mogelijk oneerlijke karakter van een beding zoals het betwiste beding in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst, overeenkomstig de in punt 84 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak veronderstelt dat uit een voorafgaande beoordeling door de verwijzende rechter blijkt dat met betrekking tot dat beding niet aan het transparantievereiste van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 is voldaan.
109
In die context moet worden beklemtoond dat de mogelijke niet-naleving van dit transparantievereiste weliswaar een van de elementen is waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van dat beding, maar dat uit artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 volgt dat niet-naleving van dat vereiste op zich niet hoeft te betekenen dat het beding oneerlijk is [zie in die zin arrest van 13 juli 2023, Banco Santander (Verwijzing naar een officiële index), C-265/22, EU:C:2023:578, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
110
Dat geldt ook wanneer een dergelijke schending voortvloeit uit de niet-nakoming van een verplichting die voor de kredietgever geldt op grond van een andere Unieregeling dan richtlijn 93/13, wat in de omstandigheden zoals die in het hoofdgeding het geval kan zijn voor de bij richtlijn 2014/17 aan de kredietgever opgelegde informatieverplichtingen.
111
Niettemin zij eraan herinnerd dat een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, volgens artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 als oneerlijk wordt beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.
112
Bij de beoordeling die de nationale rechter krachtens die bepaling heeft uit te voeren, staat het aan die rechter om, in het licht van alle omstandigheden van het geval, na te gaan, in de eerste plaats, of het vereiste van goede trouw is nageleefd en, in de tweede plaats, of er sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ten nadele van de consument in de zin van die bepaling [arrest van 13 juli 2023, Banco Santander (Verwijzing naar een officiële index), C-265/22, EU:C:2023:578, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
113
Wat ten eerste de vraag betreft in welke omstandigheden een dergelijke verstoring van het evenwicht ‘in strijd met de goede trouw’ wordt veroorzaakt, dient de nationale rechter, gelet op de zestiende overweging van richtlijn 93/13, na te gaan of de verkoper, door op eerlijke en billijke wijze te onderhandelen met de consument, redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat deze laatste een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover afzonderlijk was onderhandeld [arresten van 14 maart 2013, Aziz, C-415/11, EU:C:2013:164, punt 69, en 13 juli 2023, Banco Santander (Verwijzing naar een officiële index), C-265/22, EU:C:2023:578, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
114
Ten tweede moet, om te bepalen of een beding een ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ tussen de uit een overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen veroorzaakt ten nadele van de consument, met name rekening worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen op dit punt geen regeling hebben getroffen, om te beoordelen of, en in voorkomend geval in welke mate, de overeenkomst de consument in een juridisch minder gunstige positie brengt dan die regels bepalen [zie in die zin arrest van 13 juli 2023, Banco Santander (Verwijzing naar een officiële index), C-265/22, EU:C:2023:578, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
115
In het verlengde van deze rechtspraak moet worden geoordeeld dat wanneer voor een bepaald type contracten een aspect van de overeenkomst op een uitputtende manier wettelijk wordt geregeld, een consument in beginsel niet in een minder gunstige situatie kan worden geplaatst met betrekking tot dit aspect wanneer dit in de overeenkomst is bepaald in overeenstemming met de voorschriften van een dergelijke regeling. Naar analogie met de ratio legis van artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 mag namelijk worden aangenomen dat de wetgever met die regeling met betrekking tot dat aspect een evenwicht tot stand heeft gebracht tussen alle rechten en plichten van de partijen bij een dergelijke overeenkomst.
116
Bovendien blijkt uit punt 74 van dit arrest dat het niet van belang is of een dergelijke wettelijke regeling wordt vastgesteld door regels van nationaal recht dan wel door een verordening van de Uniewetgever.
117
In casu wordt aangevoerd dat het betwiste beding betreffende de variabele rentevoet in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst oneerlijk is op grond dat de inputgegevens voor de vaststelling van de opeenvolgende waarden van de contractuele benchmark in essentie bestaan uit bied- en laatkoersen op de betrokken interbancaire markt maar niet overeenkomen met werkelijke transacties, en deze gegevens aan de beheerder van die benchmark worden aangeleverd door een groep banken die deze benchmark zelf kunnen gebruiken in overeenkomsten die zij met consumenten sluiten.
118
Dienaangaande zij opgemerkt dat verordening 2016/1011 blijkens artikel 2 ervan het aanbieden van benchmarks door beheerders, het inbrengen van inputgegevens voor benchmarks door contribuanten en het gebruik van benchmarks regelt.
119
Wat in de eerste plaats het aanbieden van benchmarks betreft, moet de beheerder van een dergelijke benchmark volgens artikel 27 van verordening 2016/1011 een verklaring publiceren waarin de wezenlijke kenmerken van die benchmark worden uiteengezet, zoals in punt 99 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht.
120
De artikelen 12 en 13 van verordening 2016/1011 bevatten bovendien voorschriften voor de consistentie en transparantie van de methodologie die een nauwkeurige en betrouwbare vaststelling van de benchmark mogelijk moet maken.
121
Voorts worden in de artikelen 4 tot en met 7 van die verordening nauwkeurige vereisten opgelegd inzake governance en belangenconflicten, toezicht op alle aspecten van het aanbieden van benchmarks, toezicht op de naleving van verordening 2016/1011 en naleving van de methodologie.
122
Wat in de tweede plaats het aanleveren van inputgegevens betreft, stelt verordening 2016/1011, naast de in punt 119 van het onderhavige arrest bedoelde bepalingen van artikel 27 betreffende de regels voor de uitoefening van keuzevrijheid door de contribuanten en de procedures voor de behandeling van fouten in deze gegevens, in artikel 11 eisen vast inzake de representativiteit, integriteit, nauwkeurigheid, controle en validatie van deze gegevens en legt zij in artikel 14 de verplichting op voor beheerders om doeltreffende controles in te stellen, in het bijzonder met betrekking tot de integriteit van de inputgegevens en het gedrag van contribuanten, teneinde gedragingen die betrekking kunnen hebben op manipulatie van of een poging tot manipulatie te identificeren en te melden aan de bevoegde nationale autoriteit.
123
Voorts moet een benchmarkbeheerder overeenkomstig artikel 15 van verordening 2016/1011 onder het toezicht van de bevoegde nationale autoriteit een gedragscode ontwikkelen voor contribuanten en de zekerheid verkrijgen dat zij die gedragscode permanent naleven. Die gedragscode bevat met name de vereisten voor de naleving van de artikelen 11 en 14 van deze verordening, voor de volledigheid van de inputgegevens en voor de controles die elke contribuant moet instellen met betrekking tot het aanleveren van inputgegevens, in het bijzonder wat betreft het beleid inzake de keuzevrijheid bij het aanleveren van die gegevens en het omgaan met belangenconflicten. Bovendien legt artikel 16 van die verordening strengere vereisten op aan onder toezicht staande contribuanten in de zin van artikel 3, lid 1, punt 10, van die verordening op het gebied van belangenconflicten, keuzevrijheid, integriteit, nauwkeurigheid en betrouwbaarheid van inputgegevens en controles.
124
Tevens moet worden beklemtoond dat de naleving van alle in de punten 119 tot en met 123 van het onderhavige arrest genoemde vereisten wordt gewaarborgd door een systeem van voorafgaande controle en toezicht, waarvan de toepassing in het bijzonder is toevertrouwd aan de bevoegde nationale autoriteiten. Om hun taken uit te voeren beschikken die autoriteiten over de in artikel 41 van verordening 2016/1011 genoemde ruime bevoegdheden, die krachtens artikel 42 van die verordening gepaard gaan met de bevoegdheid om administratieve sancties op te leggen in geval van een inbreuk op met name de in deze punten van het onderhavige arrest bedoelde artikelen, of bij verzuim om samen te werken of mee te werken aan een onderzoek of een inspectie of verzoek van deze autoriteiten.
125
Bovendien kunnen de belanghebbenden gebruikmaken van het klachtenmechanisme van artikel 9 van verordening 2016/1011 om met name te betwisten dat een benchmarkvaststelling representatief is voor de marktwaarde.
126
Wat in de derde en laatste plaats het gebruik van benchmarks betreft, staat artikel 29 van verordening 2016/1011 onder toezicht staande autoriteiten in de zin van artikel 3, lid 1, punt 17, van die verordening uitdrukkelijk toe, zonder de aan onder toezicht staande contribuanten in de zin van artikel 3, lid 1, punt 10, ervan uit te sluiten, om in de Unie een benchmark te gebruiken die wordt aangeboden door een in de Unie gevestigde en in een register van de ESMA opgenomen beheerder. Voorts moet een rentevoetbenchmark zoals in artikel 3, lid 1, punt 22, van die verordening is omschreven, gelet op de aard ervan, noodzakelijkerwijs worden vastgesteld op grond van gegevens die worden verstrekt door banken, die — gelet op de aard van hun activiteiten — die gegevens zelf kunnen gebruiken.
127
Gelet op de regels voor benchmarkbeheerders met betrekking tot de betrouwbaarheid van deze benchmarks en deze beheerders en de regels voor contribuanten om de integriteit van de inputgegevens en, meer in het algemeen, de betrouwbaarheid van de meting van de economische realiteit die dergelijke benchmarks geacht worden te meten, te waarborgen, onder toezicht van de bevoegde nationale autoriteiten, kan niet worden geoordeeld dat een bank die, naast andere banken, gegevens aanlevert, op zichzelf een beslissende invloed kan uitoefenen op de waarde van een rentevoetbenchmark, in het bijzonder wanneer die benchmark betrekking heeft op een nationale markt.
128
Aldus blijkt dat verordening 2016/1011 een reeks van bepalingen bevat die een gedetailleerd kader vormen voor het aanbieden van benchmarks, het aanleveren van inputgegevens, met name wat betreft de aard en de betrouwbaarheid van deze gegevens, en het gebruik van die benchmarks. Bovendien blijkt uit de considerans van deze verordening en uit verschillende bepalingen van deze verordening, met name de overwegingen 1, 5, 6, 8, 17, 22 en 71, alsook de artikelen 1, 9 en 13, en de bepalingen van titel IV ervan, dat het optreden van de Uniewetgever ertoe strekte een evenwicht te waarborgen tussen het algemeen belang dat verband houdt met de noodzaak om over dergelijke benchmarks te kunnen beschikken, met name voor het sluiten van financiële overeenkomsten zoals hypothecaire kredietovereenkomsten, en het belang van consumenten om te beschikken over waarborgen met betrekking tot de integriteit en de transparantie van deze benchmarks, met name gelet op de risico's van belangenconflicten en manipulatie die invloed kunnen hebben op die benchmarks.
129
Bijgevolg kan het gebruik in een hypothecaire kredietovereenkomst van een benchmark die op moment van sluiting van die overeenkomst kan worden geacht te voldoen aan de voorschriften van het bij verordening 2016/1011 vastgestelde kader, met name wat de methodologie ervan betreft, gelet op de controle waarin deze verordening voorziet op zich in beginsel niet leiden tot een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument, ofschoon de kredietgever een van de banken is die de door de beheerder van die benchmark gebruikte inputgegevens aanlevert om de opeenvolgende waarden ervan vast te stellen.
130
In dergelijke omstandigheden is deze kredietgever derhalve niet verplicht om de kredietnemer, naast de krachtens richtlijn 2014/17 op hem rustende informatieverplichtingen, te informeren over het feit dat de benchmark volgens de methodologie van de contractuele benchmark kan worden bepaald op basis van inputgegevens die niet overeenkomen met werkelijke transacties, maar op basis van bied- en laatkoersen op de betrokken markt of dat die kredietgever een van de banken is die gegevens aanlevert voor de vaststelling van deze benchmark.
131
Aangezien het gaat om de beoordeling van het betwiste beding van de in het hoofdgeding betrokken kredietovereenkomst in zijn geheel, zij er bovendien aan herinnerd dat het bij een beding betreffende de berekening van de rente in een kredietovereenkomst van belang is om de in dit beding neergelegde wijze van berekening van de normale rente en de daadwerkelijke rente die daaruit voortvloeit te vergelijken met de berekeningswijzen die in de regel worden gebruikt, de wettelijke rente en de rentetarieven die ten tijde van de sluiting van de betrokken kredietovereenkomst op de markt werden gehanteerd voor leningen voor een bedrag en een looptijd overeenkomende met die van deze kredietovereenkomst [zie in die zin arrest van 13 juli 2023, Banco Santander (Verwijzing naar een officiële index), C-265/22, EU:C:2023:578, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
132
In casu zijn de overwegingen van de verwijzende rechter met betrekking tot de aard en het niveau van de rentetarieven die doorgaans op de hypotheekmarkt in Polen worden aangetroffen en het niveau van de WIBOR 6M in vergelijking met soortgelijke benchmarks op het tijdstip van de sluiting van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst dus relevante factoren in het kader van de beoordeling van het betwiste beding in die kredietovereenkomst in zijn geheel, in het licht van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13.
133
Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een beding in een hypothecaire kredietovereenkomst voorziet in een variabele rentevoet die wordt vastgesteld op basis van een benchmark in de zin van verordening 2016/1011, het feit dat de consument niet wordt geïnformeerd over bepaalde specifieke kenmerken van de contractuele benchmark — met name het feit dat de methodologie van die benchmark voorziet in het gebruik van inputgegevens die niet noodzakelijk overeenstemmen met werkelijke transacties en het feit dat de kredietgever een van de banken is die bijdragen aan de vaststelling ervan — en die specifieke kenmerken zelf er niet toe kunnen leiden dat dit beding oneerlijk is, voor zover die benchmark bij de sluiting van die overeenkomst kon worden geacht in overeenstemming te zijn met die verordening.
Vierde vraag
134
In het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft de verwijzende rechter aangegeven dat hij niet voornemens is de beoordeling van de bevoegde nationale autoriteit dat de WIBOR in overeenstemming is met verordening 2016/1011 te toetsen. Gelet op het antwoord op de derde vraag hoeft de vierde vraag in dat geval niet te worden beantwoord.
Kosten
135
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten
moet aldus worden uitgelegd dat
een beding in een hypothecaire kredietovereenkomst dat voorziet in een variabele rentevoet die wordt bepaald op basis van een benchmark in de zin van verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en verordening (EU) nr. 596/2014 en een vaste marge, niet onder de in dat artikel neergelegde uitzondering valt wanneer wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die op een dergelijk beding van toepassing zijn, slechts een algemeen kader vormen voor de vaststelling van de rentevoet voor dergelijke overeenkomsten en de kredietverstrekker de mogelijkheid wordt gelaten om de contractuele benchmark en de vaste marge die daaraan kan worden toegevoegd te bepalen.
- 2)
Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13
moet aldus worden uitgelegd dat
wanneer een hypothecaire kredietovereenkomst met betrekking tot een voor bewoning bestemd onroerend goed een beding bevat dat voorziet in een variabele rentevoet die wordt vastgesteld op basis van een benchmark in de zin van verordening 2016/1011, het uit die bepaling voortvloeiende transparantievereiste de kredietgever geen specifieke informatieverplichtingen oplegt inzake de methodologie van deze benchmark. Het feit dat de kredietgever heeft voldaan aan alle informatieverplichtingen die richtlijn 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010, zoals gewijzigd bij verordening 2016/1011, hem met betrekking tot een dergelijk beding oplegt en, indien hij aanvullende informatie heeft verstrekt, geen aanwijzingen heeft verschaft die een vertekend beeld van die benchmark geven, kan aantonen dat die kredietgever aan dit transparantievereiste met betrekking tot dat beding heeft voldaan.
- 3)
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13
moet aldus worden uitgelegd dat
wanneer een beding in een hypothecaire kredietovereenkomst voorziet in een variabele rentevoet die op basis van een benchmark in de zin van verordening 2016/1011 wordt vastgesteld, het feit dat de consument niet wordt geïnformeerd over bepaalde specifieke kenmerken van de contractuele benchmark — met name het feit dat de methodologie van die benchmark voorziet in het gebruik van inputgegevens die niet noodzakelijk overeenstemmen met werkelijke transacties en het feit dat de kredietgever een van de banken is die bijdragen aan de vaststelling ervan — en die specifieke kenmerken zelf er niet toe kunnen leiden dat dit beding oneerlijk is, voor zover die benchmark bij de sluiting van die overeenkomst kon worden geacht in overeenstemming te zijn met die verordening.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑02‑2026
Conclusie 11‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Oneerlijke contractuele bedingen — Richtlijn 93/13/EEG — Hypothecaire kredietovereenkomst met variabele rentevoet — Contractueel beding dat voorziet in de vaststelling van de rentevoet op basis van een benchmark in de zin van verordening (EU) 2016/1011 — Cruciale benchmark — WIBOR-benchmark — Vereiste van transparantie
L. Medina
Partij(en)
Zaak C-471/241.
J.J.
tegen
PKO BP S.A.
[verzoek van de Sąd Okręgowy w Częstochowie (rechter in eerste aanleg Częstochowa, Polen) om een prejudiciële beslissing]
1.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de verenigbaarheid met richtlijn 93/13/EEG2. van contractuele bedingen die in hypothecaire kredietovereenkomsten voorzien in een variabele rentevoet op basis van de Warsaw Interbank Offered Rate (WIBOR-)benchmark. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen J.J., een consument, en PKO BP S.A. (hierna: ‘PKO’), een in Polen gevestigde bank, over de terugbetaling van een deel van de bedragen die deze consument aan deze bank heeft betaald in het kader van een hypothecaire kredietovereenkomst met variabele rentevoet en over de niet-tegenwerpbaarheid of ongeldigheid van een beding in die overeenkomst betreffende de vaststelling van de rentevoet.
2.
De onderhavige zaak is nieuw doordat in de hypothecaire kredietovereenkomst gebruik wordt gemaakt van een cruciale benchmark in de zin van verordening (EU) 2016/10113., namelijk de WIBOR. Bij hypotheken die na 2013 zijn aangegaan, wordt de WIBOR bij 98,5 % van alle leningen aan Poolse huishoudens als referentierente gebruikt. Het is duidelijk dat de onderhavige zaak van bijzonder belang is voor de Poolse hypotheeksector, met name voor zover die sector gebruikmaakt van de WIBOR.4.
I. Toepasselijke bepalingen
3.
Voor deze conclusie volstaat het te verwijzen naar de Ustawa z dnia 23 marca 2017 r. o kredycie hipotecznym oraz o nadzorze nad pośrednikami kredytu hipotecznego i agentami (wet van 23 maart 2017 op het hypothecair krediet en het toezicht op hypotheekkredietbemiddelaars en hypotheekverstrekkers)5., waarvan artikel 29, leden 1 en 2, het volgende bepaalt:
- ‘1.
In de hypothecaire kredietovereenkomst worden de bestanddelen vermeld die worden genoemd in artikel 69, lid 2, van de Ustawa z dnia 29 sierpnia 1997 r. — Prawo bankowe[6.] alsmede:
[…]
- (8)
de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de rentevoet wordt vastgesteld op grond waarvan het bedrag van de maandelijkse termijnen wordt berekend;
[…]
- 2.
Indien de partijen geen vaste rentevoet voor het hypothecair krediet zijn overeengekomen, wordt de in lid 1, punt 8, bedoelde rentevoet bepaald door de som van de benchmark en de marge die in de hypothecaire kredietovereenkomst is vastgesteld.’
II. Aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten en prejudiciële vragen
4.
Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing heeft verzoeker in het hoofdgeding, J.J., een consument, op 18 juni 2019 contact opgenomen met PKO om een hypothecaire lening van 400 000 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 96 700 EUR) te verkrijgen. Bij die gelegenheid is hij onder meer geïnformeerd over de risico's die verbonden zijn aan leningen met een variabele rentevoet in het algemeen. Hij heeft geen informatie ontvangen over de werking van de toepasselijke specifieke benchmark.
5.
Op 1 augustus 2019 hebben partijen in het hoofdgeding een hypothecaire kredietovereenkomst gesloten voor een totaalbedrag van 413 436,69 PLN (ongeveer 100 000 EUR) voor de aankoop van een woning, met een looptijd van 20 jaar (hierna: ‘betrokken overeenkomst’). Voor deze lening gold een variabele rentevoet, berekend op basis van de WIBOR 6M, die op de datum van sluiting van de overeenkomst 1,79 % bedroeg, vermeerderd met een vaste marge van 1,85 %, waarbij de toepasselijke variabele rentevoet op halfjaarlijkse basis werd aangepast aan de ontwikkeling van deze benchmark (hierna: ‘litigieus contractueel beding’).
6.
In de algemene voorwaarden van de betrokken overeenkomst wordt de WIBOR 6M omschreven als de benchmark voor zesmaands deposito's in zloty op de Poolse interbancaire markt, waarvan de waarde wordt bepaald overeenkomstig de regels betreffende met name de WIBOR die zijn gepubliceerd op de informatiewebsite van de ‘beheerder’ van deze benchmarks7., GPW Benchmark S.A. In de bijzondere voorwaarden van de betrokken overeenkomst wordt vermeld dat PKO de kredietnemer in kennis heeft gesteld van het risico van variabele rentevoeten, die in geval van een verhoging van de benchmark leiden tot een verhoging van het bedrag van de verschuldigde rente en dus van de maandelijkse termijnen. De algemene voorwaarden bevatten ook informatie hierover.
7.
Vervolgens hebben partijen in het hoofdgeding een aanvullende overeenkomst bij de betrokken overeenkomst gesloten, waarin de nadere regels zijn vastgelegd die van toepassing zijn in geval van een wezenlijke wijziging van de WIBOR 6M of bij beëindiging van de publicatie van de WIBOR 6M. Nadat J.J. tevergeefs bij PKO een klacht had ingediend over de rechtmatigheid van het litigieuze contractuele beding, heeft hij tegen die bank beroep ingesteld.
8.
De Sąd Okręgowy w Częstochowie (rechter in eerste aanleg Częstochowa, Polen), de verwijzende rechter, wijst erop dat PKO volgens de opmerkingen van J.J. geen betrouwbare, begrijpelijke en volledige informatie heeft verstrekt over het aan een variabele rentevoet verbonden risico en over de methode voor de bepaling van de WIBOR 6M. Dit geldt volgens J.J. met name voor de invloed die de banken, waaronder PKO, kunnen uitoefenen op de vaststelling van die benchmark, ongeacht de daadwerkelijke economische omstandigheden op de interbancaire markt en de economische realiteit, om zo voor zichzelf een ‘verborgen marge’ te waarborgen. Hij betoogt dat bedingen inzake variabele rentevoeten juist enkel betrekking mogen hebben op objectieve indicatoren, waarop partijen geen enkele invloed kunnen uitoefenen. J.J. meent dat PKO daardoor de hoogte van zijn renteverplichting kan beïnvloeden en dat de bank het volledige renterisico aan hem als consument heeft overgedragen. Hij stelt ook dat PKO hem geen informatie heeft verstrekt over hetgeen de WIBOR 6M inhoudt, zodat hij de economische implicaties van zijn verplichtingen niet kon beoordelen.
9.
PKO betwist de argumenten van J.J. over het loskoppelen van de WIBOR 6M van de daadwerkelijke transacties waarin deze wordt gebruikt, over de mogelijkheid voor de banken om deze benchmark te manipuleren en over het bestaan van een mededingingsbeperkende overeenkomst tussen hen om de WIBOR-waarden vast te stellen. Zij betoogt in essentie dat J.J. naar behoren is geïnformeerd over de risico's die verbonden zijn aan het sluiten van een hypothecaire kredietovereenkomst met variabele rentevoet.
10.
De verwijzende rechter is van oordeel dat de naam van de benchmark weliswaar niet uitdrukkelijk wordt vermeld in de wet op het hypothecair krediet, maar dat het, met name gelet op verordening (EU) 2016/13688., geen twijfel lijdt dat de cruciale benchmark WIBOR als ‘de benchmark’ in artikel 29, lid 2, van die wet moet worden opgevat. Tegen deze achtergrond verzoekt de verwijzende rechter om verduidelijking van de draagwijdte van de op de kredietgever rustende verplichting om de consument te informeren, teneinde vast te stellen of de kredietgever de volgende informatie moet verstrekken:
- a)
de wijze waarop de benchmark wordt bepaald;
- b)
welke factoren van invloed zijn op de waarde ervan;
- c)
eventuele transparantieproblemen met de benchmark9.;
- d)
de discretionaire bevoegdheid van de banken om de relevante gegevens te verstrekken;
- e)
de criteria die de banken gebruiken om deze gegevens te verzamelen;
- f)
het feit dat de kredietgever de gegevens zelf verstrekt, en
- g)
de wijze waarop de kredietgever deze gegevens intern verzamelt en verwerkt.
11.
In die omstandigheden heeft de Sąd Okręgowy w Częstochowie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet artikel 1, lid 2, van [richtlijn 93/13] aldus worden uitgelegd dat het is toegestaan om contractuele bedingen te onderzoeken die betrekking hebben op een variabele rentevoet die op basis van de WIBOR-benchmark wordt vastgesteld?
- 2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 4, lid 2, van [richtlijn 93/13] aldus worden uitgelegd dat het is toegestaan om contractuele bedingen te onderzoeken die betrekking hebben op een variabele rentevoet die op basis van de WIBOR-benchmark wordt vastgesteld?
- 3)
Indien de eerste en de tweede vraag bevestigend worden beantwoord: moet artikel 3, lid 1, van [richtlijn 93/13] aldus worden uitgelegd dat contractuele bedingen betreffende een variabele rentevoet die op basis van de WIBOR-benchmark wordt vastgesteld, kunnen worden geacht in strijd te zijn met de goede trouw en het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk te verstoren doordat de consument onjuist is geïnformeerd over de blootstelling aan het risico van de variabele rentevoet, met name doordat niet is aangegeven hoe de benchmark wordt vastgesteld die dient als basis voor de variabele rentevoet en wat de onzekerheden zijn omtrent het gebrek aan transparantie en de ongelijke verdeling van dit risico tussen de contractpartijen?
- 4)
Indien de vorige vragen bevestigend worden beantwoord: moet artikel 6, lid 1, juncto artikel 3, lid 1 en lid 2, tweede [alinea], en artikel 2 van [richtlijn 93/13] aldus worden uitgelegd dat wanneer een contractueel beding betreffende een variabele rentevoet die op basis van de WIBOR-benchmark wordt vastgesteld, als oneerlijk wordt beschouwd, de overeenkomst in stand kan blijven, waarbij de debetrentevoet gebaseerd wordt op het tweede element voor de berekening van de rentevoet in de overeenkomst, namelijk de vaste marge van de bank, zodat de variabele debetrentevoet een vaste rentevoet wordt?’
12.
J.J., PKO en de Tsjechische, de Poolse en de Portugese regering, alsmede de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Ter terechtzitting van 11 juni 2025 hebben al deze partijen, met uitzondering van de Tsjechische regering, pleidooi gehouden voor het Hof.
III. Analyse
13.
Overeenkomstig een verzoek van het Hof wordt in deze conclusie enkel ingegaan op de eerste, de tweede en de derde prejudiciële vraag.
14.
Om te beginnen moet worden gepreciseerd dat J.J., zoals ter terechtzitting is bevestigd, de verenigbaarheid van de WIBOR met het nationale recht of het Unierecht (namelijk verordening 2016/1011) als zodanig niet bestrijdt. Hij betwist ook niet de methodologie voor de vaststelling van de waarde van deze benchmark en in beginsel evenmin het gebruik van de WIBOR in kredietovereenkomsten met een variabele rentevoet. J.J. stelt veeleer dat het feit dat de WIBOR als cruciale benchmark wordt erkend, niet betekent dat het PKO het recht van de consument op nauwkeurige, volledige en betrouwbare informatie over de kosten van een hypotheek zomaar mag negeren.
A. Inleiding
15.
Ter inleiding moet het begrip ‘benchmark’ in de zin van verordening 2016/1011 worden uitgelegd. Artikel 3, lid 1, punt 3, van deze verordening definieert ‘benchmark’ als ‘een index op basis waarvan het uit hoofde van een financieel instrument of een financiële overeenkomst te betalen bedrag of de waarde van een financieel instrument wordt vastgesteld’. Uit artikel 34, lid 1, onder a), en lid 6, onder b), van verordening 2016/1011 volgt dat de toestemming voor het beheer van benchmarks zoals de WIBOR wordt verleend bij een administratief besluit van een bevoegde autoriteit — in Polen is dat de Komisja Nadzoru Finansowego (KNF) (financiële toezichthouder) — nadat deze heeft onderzocht of de betrokken benchmark voldoet aan de vereisten van deze verordening.10. Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, lijkt het besluit van de financiële toezichthouder tot doel te hebben om vast te stellen dat de procedure voor het aanbieden van de WIBOR door de WIBOR-beheerder (met inbegrip van het WIBOR-reglement11.) aan de vereisten van de Uniewetgeving voldoet.
16.
In het bijzonder wordt in de methode die is gebruikt om de WIBOR-referentierenten12. vast te stellen in essentie bepaald dat de ‘referentierenten’ referentierentevoeten zijn waartegen de geselecteerde banken bereid zijn om voor bepaalde perioden onderling geld te storten of te lenen. Deze referentiepercentages worden door de beheerder (GPW Benchmark) vastgesteld op basis van door de deelnemende banken tijdens een zogenoemde ‘fixing’-procedure verstrekte ‘handelbare bied- en laatkoersen’.13. Voor de vaststelling van een rentepercentage zijn ten minste zes bied- en laatkoersen van banken nodig. Gedetailleerde regels over de bied- en laatkoersen, de criteria voor de selectie van deelnemers en hun verplichtingen zijn beschreven in de ‘Code of Conduct’ op de website van GPW Benchmark.14. De fixing vindt elke werkdag plaats. De referentiepercentages worden vastgesteld voor de volgende ‘depositotermijnen’: ‘werkdag — overnight (O/N)’, ‘werkdag — tomorrow/next (T/N)’, ‘week (SW)’, ‘2 weken (2W)’, ‘maand (1M)’, ‘3 maanden (3M)’, ‘maanden (6M)’ (de in het hoofdgeding aan de orde zijnde depositotermijn), ‘9 maanden (9M)’ en ‘jaar (1Y)’.15. In de regel moeten de gegevens voor de berekening van de WIBOR betrekking hebben op reële transacties, maar indien deze gegevens niet beschikbaar of adequaat zijn, kunnen in plaats daarvan controleerbare niet op transacties gebaseerde gegevens worden gebruikt (dat wil zeggen bied- en laatkoersen of ‘biedrenten’).16. De WIBOR wordt bepaald aan de hand van een middelingsmethode op basis van het aantal door de deelnemende banken aangeleverde indicatieve bied- en laatkoersen.17. Ten slotte worden de WIBOR-rentepercentages elke werkdag gepubliceerd en zijn zij voor het publiek toegankelijk.18.
B. Eerste prejudiciële vraag: toepasselijkheid van richtlijn 93/13
17.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een beding in een tussen een consument en een kredietverstrekker gesloten hypothecaire kredietovereenkomst dat bepaalt dat de op die overeenkomst toepasselijke rentevoet bestaat uit een benchmark (in casu de WIBOR) en de vaste marge van de bank, is uitgesloten van de werkingssfeer van die richtlijn.
18.
De verwijzende rechter vraagt zich af of richtlijn 93/13 van toepassing is, gelet op ten eerste zijn opmerkingen over de toepasselijke bepaling van nationaal recht19. en ten tweede het feit dat artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 met name ‘contractuele bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen […] zijn overgenomen’ van de werkingssfeer van deze richtlijn uitsluit.
19.
Volgens de rechtspraak van het Hof moet bovengenoemde uitsluiting strikt worden uitgelegd.20. Deze uitsluiting is enkel van toepassing indien twee voorwaarden zijn vervuld: in het contractuele beding moet een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling zijn overgenomen en daarbij moet het om een dwingende bepaling gaan. Om vast te stellen of aan deze voorwaarden is voldaan, heeft het Hof geoordeeld dat het aan de nationale rechter staat om na te gaan of in het betrokken contractuele beding bepalingen van nationaal recht zijn overgenomen die los van de keuze van de overeenkomstsluitende partijen tussen hen van toepassing zijn of bepalingen die aanvullend zijn en derhalve bij gebreke van een andersluidende regeling van toepassing zijn, dat wil zeggen wanneer de partijen dienaangaande geen andere regeling zijn overeengekomen.21.
20.
Volgens de rechtspraak kan een contractueel beding slechts worden geacht een dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling ‘over te nemen’ (en dus buiten de werkingssfeer van richtlijn 93/13 te vallen) wanneer het kan worden geacht concreet dezelfde rechtsregel tot uitdrukking te brengen als die waarnaar in die dwingende bepaling wordt verwezen.22.
21.
Met betrekking tot een benchmark heeft het Hof reeds geoordeeld dat de uitsluiting van artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 niet van toepassing is indien de nationale regeling slechts een algemeen kader vaststelt voor de vaststelling van het rentepercentage voor de kredietovereenkomst en er aan de kredietverstrekker een beoordelingsmarge wordt gelaten met betrekking tot zowel de keuze van de benchmark als de omvang van de vaste marge die daaraan kan worden toegevoegd.23.
22.
Blijkens de verwijzingsbeslissing was het rentepercentage op grond van de betrokken overeenkomst gebaseerd op de WIBOR 6M in combinatie met een vaste marge van 1,85 %.24.
23.
De vraag rijst of dit contractuele beding kan worden geacht een dwingende bepaling te hebben overgenomen in de zin van de rechtspraak van het Hof (aangehaald in punt 19 van deze conclusie). Artikel 29, lid 2, van de wet op het hypothecair krediet bepaalt dat indien de partijen geen vaste rentevoet voor het hypothecair krediet zijn overeengekomen, de rentevoet wordt bepaald door de som van de benchmark en de marge die in de hypothecaire kredietovereenkomst is vastgesteld. Deze wet stelt aldus een algemeen kader vast voor het bepalen van het rentepercentage van een hypothecaire kredietovereenkomst met variabele rentevoet, in die zin dat zij bepaalt dat de variabele rentevoet bestaat uit een benchmark en de vaste marge van de bank, zonder vast te leggen welke specifieke benchmark moet worden toegepast. Deze bepaling lijkt het gebruik van de WIBOR niet verplicht te stellen. Het feit dat de nationale wetgever, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, heeft gekozen voor algemene bewoordingen om de voorwaarden voor het gebruik van een variabele rentevoet vast te stellen, lijkt erop te wijzen dat artikel 29, lid 2, van de wet op het hypothecair krediet moet worden beschouwd als een algemene bepaling die de marktdeelnemers een zekere beoordelingsmarge laat om een specifieke benchmark, de rentevoet daarvan en de exacte vaste marge vast te stellen. Derhalve lijkt het litigieuze contractuele beding, dat preciseert dat de rentevoet gebaseerd is op de WIBOR en de 6M-rentevoet in combinatie met een vaste marge van 1,85 %, de inhoud van bovengenoemde nationale bepaling niet letterlijk weer te geven. Ten slotte bestaat er geen Unierechtelijke verplichting om een specifieke benchmark te gebruiken. Verordening 2016/1011 zelf verplicht niet tot het gebruik van een specifieke benchmark en, in het bijzonder, van de WIBOR 6M.
24.
Om deze redenen en onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter lijkt artikel 29, lid 2, van de wet op het hypothecair krediet niet duidelijk en ondubbelzinnig vast te stellen dat een specifieke benchmark en de rentevoet ervan, en in het bijzonder de WIBOR 6M-benchmark, moeten worden gebruikt. Dit artikel verplicht kredietgevers niet om in hypothecaire kredietovereenkomsten gebruik te maken van de WIBOR en evenmin van enig ander specifiek referentiepercentage. Zoals ook de Commissie ter terechtzitting heeft aangevoerd, blijkt dat kredietgevers niet worden geconfronteerd met juridische belemmeringen voor het gebruik van een andere benchmark dan de WIBOR en dat de WIBOR weliswaar de belangrijkste maar niet de enige beschikbare benchmark op de Poolse markt is. Wederom onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, lijken er andere benchmarks te zijn die mogelijk hadden kunnen worden gebruikt, zoals de Warsaw Interest Rate Overnight (WIRON-)benchmark25., de POLONIA-benchmark26. of zelfs elke andere door de bevoegde autoriteit goedgekeurde benchmark. Bijgevolg beschikte PKO ten tijde van de sluiting van de overeenkomst over een zekere beoordelingsmarge, met name met betrekking tot de benchmark en de rentevoet ervan, toen zij in die overeenkomst een contractueel beding met een variabele rentevoet opnam.
25.
Volgens de verwijzende rechter lijdt het evenwel geen twijfel dat de in artikel 29, lid 2, van de wet op het hypothecair krediet bedoelde benchmark de WIBOR moet zijn. Voorts geeft hij aan dat tot 90 % van de consumentenkredietovereenkomsten in Polen gebaseerd is op een variabele rentevoet en de WIBOR als benchmark gebruikt.
26.
Zoals hierboven vermeld, valt een contractueel beding buiten de werkingssfeer van richtlijn 93/13 wanneer het een dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling overneemt. Daarbij heeft het Hof geoordeeld dat, zoals ook blijkt uit de dertiende overweging van richtlijn 93/13, de in artikel 1, lid 2, geformuleerde uitsluiting van de werkingssfeer van de richtlijn zich uitstrekt tot de bepalingen van nationaal recht die voor de overeenkomstsluitende partijen gelden zonder dat zij dienaangaande enige keuze hebben. Deze uitsluiting vindt haar rechtvaardiging in het feit dat de nationale wetgever een evenwicht tussen alle rechten en plichten van de partijen bij bepaalde overeenkomsten tot stand heeft gebracht, een evenwicht dat de Uniewetgever uitdrukkelijk heeft willen handhaven.27.
27.
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat alleen een duidelijke keuze van de wetgever om een specifieke dwingende bepaling in te voeren, in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 een vermoeden kan rechtvaardigen dat een evenwicht tussen alle door het Unierecht beschermde rechten daadwerkelijk wordt gewaarborgd. De praktijk van de op de markt actieve beroepsbeoefenaren kan, hoe dominant zij ook is, geen dergelijk effect genereren.
28.
Zoals in punt 16 van deze conclusie is uiteengezet, wordt de benchmark niet alleen bepaald door de keuze van een index, maar ook door de keuze van het type referentiepercentage. Krachtens verordening 2016/1011 zorgt de benchmarkbeheerder onder meer voor de publicatie of beschikbaarstelling van de belangrijkste elementen van de methodologie die hij gebruikt om benchmarks vast te stellen.28. Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, heeft de beheerder van de WIBOR volgens voor het publiek toegankelijke informatie een dergelijke methodologie uiteengezet voor verschillende WIBOR-benchmarks, waaronder de WIBOR 1M, de WIBOR 3M, de WIBOR 6M en de WIBOR 1Y.29. Derhalve laat de methodologie die de benchmarkbeheerder heeft vastgesteld om uitvoering te geven aan de vereisten van verordening 2016/1011, kredietgevers een zekere beoordelingsmarge bij de keuze van de specifieke benchmark en/of de specifieke rentevoet van de benchmark.
29.
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat, zoals de Tsjechische regering terecht heeft opgemerkt, aangezien de in artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 bedoelde uitsluiting strikt moet worden uitgelegd, andere situaties dan die waarin het contractuele beding een dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling overneemt30., niet van de werkingssfeer van deze richtlijn kunnen worden uitgesloten. De omstandigheid dat de WIBOR op grond van artikel 20, lid 1, van verordening 2016/1011 is opgenomen in de lijst van cruciale benchmarks31. rechtvaardigt op zichzelf niet dat het contractuele beding waarin naar de WIBOR wordt verwezen, wordt uitgesloten van de werkingssfeer van richtlijn 93/13. Deze opneming vormt een erkenning van het belang van de WIBOR op de markt32. en niet de uitdrukking van een keuze van de nationale wetgever in de zin van de hierboven besproken rechtspraak van het Hof.
30.
Bovendien blijkt uit artikel 1 en overweging 6 van verordening 2016/1011 dat een van de belangrijkste doelstellingen van de totstandbrenging van een gemeenschappelijk regelgevend kader voor benchmarks op het niveau van de Unie erin bestond een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen (‘om […] de nauwkeurigheid en integriteit te waarborgen van indices die worden gebruikt als benchmarks in financiële […] overeenkomsten’). Het zou in strijd zijn met dit doel indien het gebruik van een dergelijke benchmark, in een situatie waarin een kredietgever een zekere beoordelingsmarge behoudt bij de keuze van de specifieke benchmark en de rentevoet daarvan in het litigieuze contractuele beding, in de weg zou staan aan rechterlijke toetsing van het mogelijk oneerlijke karakter van een dergelijk contractueel beding.
31.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het beding in een tussen een consument en een kredietverstrekker gesloten hypothecaire kredietovereenkomst dat bepaalt dat de op de lening toepasselijke rentevoet een op de WIBOR 6M gebaseerde variabele rentevoet is, binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt wanneer de nationale regeling niet voorziet in de dwingende toepassing van die benchmark en de specifieke rentevoet ervan, ongeacht de keuze van de overeenkomstsluitende partijen.
C. Tweede prejudiciële vraag: vereiste van transparantie van contractuele bedingen
32.
Indien het Hof mijn antwoord op de eerste prejudiciële vraag volgt, moet de tweede vraag van de verwijzende rechter worden onderzocht. Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of op grond van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 kan worden beoordeeld of een beding in een tussen een consument en een kredietverstrekker gesloten hypothecaire kredietovereenkomst dat voorziet in de toepassing op die overeenkomst van een op de WIBOR gebaseerde variabele rentevoet, oneerlijk is.
33.
Volgens artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 heeft de beoordeling van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van deze overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. De verwijzende rechter kan het oneerlijke karakter van een beding dat betrekking heeft op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst dus enkel toetsen indien dat beding niet duidelijk en begrijpelijk is.33.
34.
In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 een uitzondering vormt op de inhoudelijke toetsing van oneerlijke bedingen waarin de door die richtlijn ingevoerde consumentenbeschermingsregeling voorziet en derhalve strikt moet worden uitgelegd.34. Bijgevolg kan een verwijzende rechter het mogelijk oneerlijke karakter van een contractueel beding enkel beoordelen nadat is nagegaan of het beding onder het begrip ‘eigenlijk voorwerp van de overeenkomst’ valt en of is voldaan aan het transparantievereiste (duidelijk en begrijpelijk).
1. Begrip ‘eigenlijk voorwerp van de overeenkomst’
35.
Specifiek met betrekking tot de categorie contractuele bedingen die onder het begrip ‘eigenlijk voorwerp van de overeenkomst’ in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 vallen, heeft het Hof geoordeeld dat die bedingen omvat die de voornaamste verbintenissen van de overeenkomst bepalen en als dusdanig de overeenkomst kenmerken. Bedingen die een aanvulling zijn op de bedingen die de kern van de contractuele verhouding bepalen, kunnen daarentegen niet onder dat begrip vallen.35.
36.
Het staat aan de verwijzende rechter om, rekening houdend met de aard, de algehele opzet en de voorwaarden van de betrokken overeenkomst, alsmede met de juridische en feitelijke context ervan, te onderzoeken of het door die rechter in zijn vraag bedoelde beding een wezenlijk onderdeel is van de prestatie van de kredietnemer, te weten de terugbetaling van het door de kredietgever geleende bedrag.36. Het staat evenwel aan het Hof om op basis van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 de criteria aan te duiden die van toepassing zijn bij dat onderzoek.37.
37.
De voornaamste prestaties van een kredietovereenkomst houden vooral in dat de kredietgever zich ertoe verplicht om aan de kredietnemer een bepaald geldbedrag ter beschikking te stellen en dat de kredietnemer zich ertoe verplicht om dit geldbedrag, in het algemeen met rente, in afgesproken termijnen terug te betalen.38. In een hypothecaire kredietovereenkomst met variabele rentevoet wordt de voornaamste prestatie van de kredietnemer, die bestaat in terugbetaling van het door de kredietgever ter beschikking gestelde geldbedrag, bepaald door naar die rentevoet te verwijzen. De terugbetaling van het krediet op basis van een variabele rentevoet houdt dus in beginsel rechtstreeks verband met de aard zelf van de verbintenis van de schuldenaar, en vormt dus een wezenlijk onderdeel van de hypothecaire kredietovereenkomst.
38.
Het litigieuze contractuele beding bepaalt dat de hypothecaire kredietovereenkomst uitgaat van een rente die wordt berekend op basis van een variabele rentevoet, die in de WIBOR-benchmark wordt vermeld. De verwijzende rechter merkt op dat artikel 69, lid 2, punt 5, van de wet op het bankwezen van 29 augustus 1997 uitdrukkelijk bepaalt dat bedingen betreffende de rentevoet en elke wijziging daarvan deel moeten uitmaken van een kredietovereenkomst. Bovendien heeft de Poolse regering in haar schriftelijke opmerkingen aangegeven dat een hypothecaire kredietovereenkomst krachtens artikel 29, lid 1, punt 8, van de wet op het hypothecair krediet de methode en de voorwaarden moet uiteenzetten voor het vaststellen van de rentevoet op basis waarvan het bedrag van de termijnen wordt berekend.
39.
Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter kan het litigieuze contractuele beding worden geacht onder het begrip ‘eigenlijk voorwerp van de overeenkomst’ te vallen en maakt het dus deel uit van de voornaamste verbintenissen van de kredietnemer in een dergelijke overeenkomst.
2. Begrip ‘duidelijke en begrijpelijke taal’ en vereiste van transparantie
40.
Er zij evenwel aan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat het vereiste dat bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd ook geldt wanneer een beding onder het begrip ‘eigenlijk voorwerp van de overeenkomst’ in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 valt. De in die bepaling bedoelde bedingen ontsnappen immers enkel aan de beoordeling van hun oneerlijke karakter voor zover de bevoegde nationale rechter, na een beoordeling per geval, oordeelt dat zij door de verkoper duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd39. (vereiste van transparantie van contractuele bedingen).
41.
Met betrekking tot het vereiste van transparantie van contractuele bedingen heeft het Hof geoordeeld dat het feit dat die bedingen taalkundig en grammaticaal begrijpelijk zijn, niet volstaat om aan dat vereiste, dat in artikel 5 van richtlijn 93/13 wordt herhaald, te voldoen. Dit vereiste dat contractuele bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd en dus het vereiste dat zij transparant zijn, zoals vastgelegd in richtlijn 93/13, moet ruim worden opgevat, aangezien deze richtlijn op de gedachte berust dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke positie bevindt en met name over minder informatie dan laatstgenoemde beschikt.40.
42.
In het arrest Gómez del Moral Guasch I heeft het Hof het transparantievereiste onderzocht in relatie tot een contractueel beding dat in het kader van een hypothecaire kredietovereenkomst voorziet in een vergoeding van die lening door middel van rente die wordt berekend op basis van een variabele rentevoet, die is vastgesteld onder verwijzing naar een officiële benchmark. Het Hof heeft geoordeeld dat het vereiste van transparantie aldus moet worden begrepen dat het niet alleen gebiedt dat het betrokken beding voor de consument formeel en grammaticaal begrijpelijk is, maar ook dat een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument in staat wordt gesteld om de concrete werking van de berekeningswijze van die rentevoet te begrijpen en om op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de — mogelijk aanzienlijke — economische gevolgen van een dergelijk beding voor zijn financiële verplichtingen in te schatten.41.
43.
Aangezien de bevoegdheid van het Hof enkel betrekking heeft op de uitlegging van de bepalingen van het Unierecht, in dit geval inzonderheid richtlijn 93/13, staat het uitsluitend aan de verwijzende rechter om daartoe de noodzakelijke feitelijke verificaties te verrichten op basis van alle relevante feitelijke gegevens, waaronder de reclame en de informatie die door de kredietgever in het kader van de onderhandeling van de betrokken overeenkomst worden verstrekt. Meer in het bijzonder staat het aan de nationale rechter, wanneer hij alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst in aanmerking neemt, om na te gaan of in de betrokken zaak aan de consument alle gegevens zijn meegedeeld die van invloed kunnen zijn op de omvang van zijn verbintenis en op grond waarvan hij met name de totale kosten van zijn lening kan ramen.42.
44.
In het arrest Gómez del Moral Guasch I heeft het Hof geoordeeld dat het voor dat onderzoek relevant was dat de voornaamste gegevens met betrekking tot de berekening van de in die zaak op de overeenkomst toepasselijke benchmark gemakkelijk toegankelijk waren voor eenieder die een hypothecaire lening wilde aangaan.43. Het Hof heeft het voor de beoordeling van de transparantie van het in die zaak aan de orde zijnde contractuele beding ook relevant geacht dat de kredietinstellingen volgens de van kracht zijnde nationale regeling de consumenten moesten informeren over de evolutie van de relevante benchmark in het verleden.44.
45.
Het Hof heeft geoordeeld dat het aan de verwijzende rechter stond om na te gaan of de kredietgever bij de sluiting van de in die zaak aan de orde zijnde overeenkomst daadwerkelijk aan alle informatieverplichtingen van de nationale regeling had voldaan.45.
46.
In het arrest Kutxabank46. heeft het Hof geoordeeld dat de informatie over bepaalde contractuele aspecten die kandidaat-kredietnemers nodig hebben om de draagwijdte van de aanvaarding van een voorstel voor een kredietovereenkomst te begrijpen, kan voortvloeien uit gegevens die niet rechtstreeks door de professionele kredietgever zijn verstrekt, op voorwaarde dat deze gegevens publiekelijk beschikbaar en toegankelijk zijn, in voorkomend geval dankzij bepaalde aanwijzingen die de professionele kredietgever daartoe aan de consument heeft verstrekt.
47.
Wat in het bijzonder de toegankelijkheid betreft van de informatie die niet rechtstreeks door de professionele kredietgever is verstrekt, is het van belang dat die kredietgever de kandidaat-kredietnemers voldoende nauwkeurige en juiste aanwijzingen verstrekt zodat zij van die informatie kennis kunnen nemen zonder naspeuringen te verrichten die redelijkerwijs niet van de gemiddelde consument kunnen worden verwacht.47.
48.
In het hoofdgeding verwijst het litigieuze contractuele beding naar een op de WIBOR 6M gebaseerde variabele rentevoet. Zoals reeds in punt 10 van deze conclusie en met name in voetnoot 8 is uiteengezet, is de WIBOR overeenkomstig artikel 20, lid 1, van verordening 2016/1011 opgenomen in de lijst van cruciale benchmarks. Het proces voor de erkenning van de WIBOR als cruciale benchmark wordt geregeld door deze verordening, die volgens artikel 1 ervan is vastgesteld om de nauwkeurigheid, de degelijkheid en de integriteit te waarborgen van de relevante benchmarks die in financiële overeenkomsten worden gebruikt.
49.
Verordening 2016/1011 houdt rekening met de ongelijke onderhandelingsmogelijkheden van consumenten ten opzichte van kredietgevers en het gebruik van standaardvoorwaarden in hypotheek- en consumentenkredietovereenkomsten die naar een benchmark verwijzen. In overweging 71 van verordening 2016/1011 wordt erop gewezen dat consumenten in dergelijke situaties slechts een beperkte keuze kunnen hebben wat de gebruikte benchmark betreft. Om de positie van consumenten en die van kredietgevers in evenwicht te brengen, moet er volgens de Uniewetgever voor worden gezorgd dat de kredietgevers ten minste adequate informatie aan consumenten verstrekken. Daartoe zijn richtlijn 2008/48/EG48. en richtlijn 2014/17/EU49. dienovereenkomstig gewijzigd bij de artikelen 56 en 57 van verordening 2016/1011.
50.
Meer bepaald voegt verordening 2016/1011 nieuwe informatie toe [nieuw artikel 13, lid 1, onder e bis), van richtlijn 2014/17] die aan consumenten moet worden verstrekt voordat een hypothecaire kredietovereenkomst met gebruikmaking van een benchmark wordt gesloten. De algemene informatie die kredietgevers bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten verstrekken, moet ‘de naam van de benchmark en de beheerder daarvan, alsmede de mogelijke gevolgen voor de consument’ bevatten.
51.
Wat de betrokken overeenkomst betreft, merkt de verwijzende rechter op dat deze informatie bevatte over de entiteit die de benchmark vaststelt en over de basis waarop die benchmark wordt vastgesteld, over de depositotermijn voor die benchmark en over de wijze waarop de rentevoet op basis van die benchmark wordt bepaald. Deze rechter betwijfelt evenwel of ook moet worden uitgelegd hoe de WIBOR zelf wordt bepaald en welke factoren de niveauwijziging van de WIBOR beïnvloeden. Deze vraag heeft betrekking op de opmerkingen die bij de verwijzende rechter zijn ingediend door J.J., die zich erover beklaagde dat hij geen uitleg had gekregen over de wijze waarop de WIBOR wordt aangeboden, en over het feit dat deze benchmark wordt bepaald op basis van door de banken zelf verstrekte gegevens en dat de banken over een zekere keuzevrijheid beschikken bij het verstrekken van die gegevens.
52.
In dit verband moet worden opgemerkt dat verordening 2016/1011 de methodologie voor het vaststellen van benchmarks regelt om de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid ervan te waarborgen. Uit overweging 26 van deze verordening blijkt dat de Uniewetgever zich bewust is van het risico op manipulatie bij het verstrekken van de inputgegevens. Hij erkent dat benchmarkbeheerders in de regel verplicht zijn om transactiegebaseerde inputgegevens te gebruiken. Andere gegevens, zoals bepaald in die verordening, kunnen evenwel worden gebruikt indien de transactiegegevens niet volstaan of ongeschikt zijn om de integriteit en nauwkeurigheid van de benchmark te waarborgen. Dit komt tot uiting in artikel 11 van verordening 2016/1011, waarin de vereisten met betrekking tot de inputgegevens voor het aanbieden van een benchmark zijn vastgelegd (deze moeten met name ‘toereikend zijn om op nauwkeurige en betrouwbare wijze de economische realiteit weer te geven die de benchmark moet meten’ en ‘verifieerbaar’ zijn).
53.
Overweging 27 van verordening 2016/1011 benadrukt de noodzaak om een transparante methodologie vast te stellen die de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de benchmark waarborgt. In deze overweging staat te lezen dat transparantie niet inhoudt dat de formule die wordt toegepast voor de vaststelling van een bepaalde benchmark moet worden gepubliceerd, maar veeleer dat die elementen worden bekendgemaakt op grond waarvan belanghebbenden kunnen begrijpen hoe de benchmark wordt vastgesteld en zij de representativiteit, relevantie en geschiktheid daarvan voor het bestemde gebruik kunnen beoordelen. Dit komt tot uiting in artikel 13 van deze verordening, met als opschrift ‘Transparantie van de methodologie’, dat de beheerder (in de zin van verordening 2016/1011) verplicht om bepaalde in dat artikel opgesomde informatie te publiceren of beschikbaar te stellen.
54.
Uit het voorgaande volgt dat deze informatie, die belanghebbenden, waaronder consumenten, in staat stelt de methodologie te begrijpen die is gebruikt voor het aanbieden van een benchmark overeenkomstig verordening 2016/1011, deel moet uitmaken van de informatie die de beheerder moet publiceren of beschikbaar moet stellen. Volgens het bij verordening 2016/1011 vastgestelde gemeenschappelijke kader berust deze verantwoordelijkheid bij de benchmarkbeheerder.
55.
Bovendien voorziet verordening 2016/1011 in de artikelen 7, 8 en 9 in een onafhankelijke klachtenprocedure die volgens overweging 23 ‘belanghebbenden in staat [moet] stellen klachten bij de benchmarkbeheerder te melden en ervoor [moet] zorgen dat de benchmarkbeheerder de gronden van een klacht op objectieve wijze beoordeelt’. Deze procedure biedt belanghebbenden, met inbegrip van consumenten, een specifieke administratieve weg om een klachtenprocedure in te leiden indien zij betwijfelen of de benchmark in overeenstemming met de relevante bepalingen van het Unierecht is vastgesteld.
56.
Wanneer een kredietgever een consument een hypothecaire kredietovereenkomst aanbiedt die gebruikmaakt van een benchmark, is de informatieplicht van die kredietgever specifiek vastgelegd in artikel 13, lid 1, onder e bis), van richtlijn 2014/17. Zoals hierboven is opgemerkt, moet de kredietgever de consument informeren over ‘de namen van de benchmarks en de beheerders daarvan, alsmede de mogelijke gevolgen voor de consument’. Deze informatie moet voldoende precies en nauwkeurig aan potentiële kredietnemers worden verstrekt om een gemiddelde consument in staat te stellen toegang te krijgen tot de voor het publiek toegankelijke relevante informatie en kennis te nemen van de belangrijkste elementen van de methodologie die ten grondslag ligt aan het aanbieden van de benchmark. De relevante mogelijke gevolgen voor de consument zijn die welke voortvloeien uit factoren die van invloed kunnen zijn op de omvang van de verplichting van de consument, waaronder met name het risico in verband met schommelingen van de variabele rentevoet en de informatie over de belangrijkste elementen die tot dergelijke schommelingen leiden.
57.
Uit de analyse van het bij verordening 2016/1011 vastgestelde kader voor benchmarks volgt dat het transparantievereiste van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met deze verordening, de kredietgever niet verplicht om rechtstreeks meer gedetailleerde informatie over de methodologie voor de vaststelling van de benchmark te verstrekken dan die welke op grond van verordening 2016/1011 vereist is. In deze verordening is immers algemene informatie over de gebruikte methodologie te vinden en meer specifieke informatie moet door de beheerder worden gepubliceerd of openbaar worden gemaakt.
58.
Zoals hierboven is opgemerkt, blijft het evenwel een feit dat de kredietgever de consument precies en nauwkeurig moet informeren over de relevante informatie betreffende de naam van de benchmark en de beheerder daarvan, alsmede de gevolgen voor de consument. Mijns inziens zou het in strijd zijn met de uit richtlijn 93/13 voortvloeiende vereisten van transparantie en goede trouw indien de kredietgever slechts enkele van de elementen van de gebruikte onderliggende methodologie zou vermelden, zodat die methodologie en de belangrijkste elementen die tot schommelingen van de rentevoet leiden, niet volledig openbaar worden gemaakt of een vertekend beeld van het type benchmark geven.
59.
Ter terechtzitting heeft J.J. aangevoerd dat bij hem het valse beeld werd gewekt dat de WIBOR bestond uit transactiegebaseerde gegevens met betrekking tot interbancaire leningen, terwijl in werkelijkheid 98,27 % van de onderliggende gegevens bestond uit ramingen (bied- en laatkoersen) die waren verstrekt door de bij het vaststellingsproces betrokken banken.50. J.J. voerde ook aan dat PKO hem informatie had verstrekt die in strijd was met de toepasselijke wetgeving en met de economische realiteit. PKO heeft deze vorderingen krachtig betwist. Zij betoogde ter terechtzitting dat zij nauwkeurige en precieze informatie had verstrekt. Overeenkomstig de hierboven uiteengezette rechtspraak van het Hof51. staat het aan de nationale rechter, wanneer hij alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst in aanmerking neemt, om na te gaan of aan de consument voldoende precies en nauwkeurig alle gegevens zijn meegedeeld die van invloed kunnen zijn op de omvang van zijn verbintenis en op grond waarvan hij met name de totale kosten van zijn lening kan ramen.
60.
Hieruit volgt dat op de tweede prejudiciële vraag moet worden geantwoord dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat op grond daarvan kan worden beoordeeld of een beding in een tussen een consument en een kredietverstrekker gesloten hypothecaire kredietovereenkomst dat voorziet in de toepassing op die overeenkomst van een op de WIBOR 6M gebaseerde variabele rentevoet, oneerlijk is, indien dat beding niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd (vereiste van transparantie). Om aan dit vereiste te voldoen, moet de kredietverstrekker de consument voldoende precies en nauwkeurig informeren over de naam van de gebruikte benchmark en die van de beheerder ervan, alsmede over de mogelijke gevolgen voor de consument van het gebruik van die benchmark, zodat hij met name de totale kosten van zijn lening kan ramen. De wijze waarop de informatie direct of indirect door de kredietgever wordt verstrekt, moet zodanig zijn dat deze informatie de onderliggende methodologie en de belangrijkste elementen die tot schommelingen van de rentevoet leiden, volledig weergeeft en geen vertekend beeld geeft van het type benchmark.
D. Derde prejudiciële vraag: onrechtmatig karakter van het litigieuze contractuele beding
61.
Aangezien de beoordeling van het transparantievereiste door de verwijzende rechter kan leiden tot de vaststelling dat er sprake is van een gebrek aan transparantie in verband met het litigieuze contractuele beding, zal het Hof zich moeten buigen over de derde prejudiciële vraag. Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of een contractueel beding waarin een op de WIBOR-benchmark gebaseerde variabele rentevoet is opgenomen, oneerlijk kan zijn in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 doordat de bank de consument onvoldoende informatie heeft verstrekt en het risico ongelijk is verdeeld tussen de partijen bij de overeenkomst.52.
62.
Volgens artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 wordt een contractueel beding als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. In dit verband heeft het Hof erop gewezen dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 met de verwijzing naar de begrippen ‘goede trouw’ en ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument, in abstracto de factoren omschrijft die een oneerlijk karakter geven aan een contractueel beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld.53.
63.
Om te bepalen of een beding ten nadele van de consument leidt tot een ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ tussen de uit een overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen, moet met name rekening worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen op dit punt geen regeling hebben getroffen, om te beoordelen of, en in voorkomend geval in welke mate, de overeenkomst de consument in een juridisch minder gunstige positie brengt dan die welke het geldende nationale recht bepaalt. Aangezien het gaat om een beding betreffende de berekening van de rente in een kredietovereenkomst, is het ook van belang om de in dit beding vastgelegde wijze van berekening van de rente en het daadwerkelijke rentebedrag dat daaruit voortvloeit te vergelijken met de wettelijke rente en de rentevoeten die ten tijde van de sluiting van de betrokken overeenkomst op de markt werden gehanteerd voor leningen voor een bedrag en een looptijd overeenkomende met die van de betrokken kredietovereenkomst.54.
64.
Wat de vraag betreft in welke omstandigheden een dergelijke verstoring van het evenwicht ‘in strijd met de goede trouw’ wordt veroorzaakt, dient de nationale rechter, gelet op de zestiende overweging van richtlijn 93/13, na te gaan of de verkoper, door op eerlijke en billijke wijze te onderhandelen met de consument, redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat deze laatste een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover afzonderlijk was onderhandeld.55.
65.
Bovendien moeten overeenkomstig artikel 4, lid 1, van deze richtlijn bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, op het moment waarop deze is gesloten, in aanmerking worden genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop zij betrekking heeft. Hieruit vloeit in dit verband voort dat ook de gevolgen moeten worden beoordeeld die het beding kan hebben in het kader van het op de overeenkomst toepasselijke recht, hetgeen een onderzoek van het nationale rechtsstelsel impliceert.56.
66.
In dit verband heeft de bevoegdheid van het Hof dienaangaande volgens de rechtspraak betrekking op de uitlegging van het begrip ‘oneerlijk beding’ als bedoeld in artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 en in de bijlage daarbij, alsook op de criteria die de nationale rechter kan of moet toepassen wanneer hij een contractueel beding toetst aan die richtlijn. Het staat daarom aan die rechter om zich, rekening houdend met die criteria en in het licht van de omstandigheden van de zaak, uit te spreken over de concrete kwalificatie van een bepaald contractueel beding. Daaruit volgt dat het Hof zich in zijn antwoord dient te beperken tot het verschaffen van aanwijzingen, waarmee de verwijzende rechter geacht wordt rekening te houden bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van het betrokken contractuele beding.57.
67.
In het hoofdgeding rijst de vraag of een contractueel beding oneerlijk is in de context van de verstrekking van vermeend ontoereikende of onjuiste informatie door de kredietgever aan de consument en de onder meer daaruit voortvloeiende ongelijke verdeling van het risico tussen de partijen bij de overeenkomst. Het enkele feit dat een beding niet voldoet aan het transparantievereiste, dat, zoals ik reeds heb aangegeven, inhoudt dat de consument voldoende en nauwkeurig moet worden geïnformeerd, kan op zichzelf echter niet tot gevolg hebben dat het beding oneerlijk is in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13.58. Om vast te stellen of een contractueel beding oneerlijk is, dient de verwijzende rechter de uit de rechtspraak van het Hof voortvloeiende criteria volledig te beoordelen.
68.
In dit verband moet worden opgemerkt dat de twijfels van de verwijzende rechter zich lijken te concentreren op twee verschillende kwesties:
- i)
het verstrekken van adequate informatie aan de consument over het risico dat voortvloeit uit het gebruik van de variabele rentevoet in de betrokken lening, en
- ii)
het verstrekken van adequate en precieze informatie over de vaststelling van de WIBOR.
69.
Nationale rechterlijke instanties mogen weliswaar krachtens richtlijn 93/13 contractuele bedingen op basis van benchmarks als de WIBOR in civiele zaken zoals het hoofdgeding beoordelen59., maar zij mogen geen onderzoek uitvoeren naarde methodologie voor de vaststelling van dergelijke benchmarks, aangezien een dergelijk onderzoek niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt. Bovendien is bij verordening 2016/1011, zoals hierboven is uiteengezet60., een specifieke onafhankelijke klachtenprocedure ingevoerd teneinde belanghebbenden, met inbegrip van consumenten, een specifieke administratieve weg te bieden om een klachtenprocedure in te leiden indien zij betwijfelen of de benchmark in overeenstemming met de relevante bepalingen van het nationale recht en/of het Unierecht is vastgesteld. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, zou de mogelijkheid voor de nationale civiele rechter om de methodologie voor de vaststelling van de cruciale benchmark te toetsen aan de hand van een beoordeling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding in de zin van richtlijn 93/13, afbreuk doen aan het door de Uniewetgever krachtens verordening 2016/1011 ingevoerde specifieke systeem voor het beheer van cruciale benchmarks.
70.
Bijgevolg moet de beoordeling van de verwijzende rechter in het hoofdgeding beperkt blijven tot het litigieuze contractuele beding en tot alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, terwijl de elementen die verband houden met het bij verordening 2016/1011 ingevoerde systeem voor het beheer van benchmarks van de werkingssfeer zijn uitgesloten van die beoordeling.
71.
In het bijzonder staat het aan de nationale rechter om na te gaan of de kredietverstrekker de consument alle relevante informatie heeft verschaft aan de hand waarvan deze laatste de economische gevolgen van het litigieuze contractuele beding voor zijn financiële verplichtingen kon inschatten. Daarbij zij eraan herinnerd dat de door richtlijn 93/13 vereiste transparantie van een contractueel beding een van de elementen is waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van dat beding.61.
72.
In de verwijzingsbeslissing geeft de verwijzende rechter aan dat de contractuele bedingen inzake de op de WIBOR gebaseerde variabele rentevoet kunnen worden geacht in strijd te zijn met de vereisten van goede trouw en het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de partijen bij de overeenkomst aanzienlijk te verstoren ten nadele van de consument, doordat de consument niet naar behoren is geïnformeerd over zijn blootstelling aan het aan een variabele rentevoet verbonden risico en dit risico ongelijkmatig was verdeeld tussen deze partijen. Hij wijst er tevens op dat PKO, als kredietgever, op de hoogte was van de methodologie voor de vaststelling van de WIBOR en van de bestaande twijfels over de transparantie van de vaststelling van die rentevoet, maar ervoor heeft gekozen de consument daarover niet te informeren. Volgens de verwijzende rechter kan dit worden beschouwd als een bron van onevenwichtigheid tussen de partijen bij de overeenkomst voor alle aspecten van die overeenkomst.62.
73.
In deze omstandigheden staat het aan de verwijzende rechter om te onderzoeken of het litigieuze contractuele beding oneerlijk is in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13, waarbij hij alle uit de rechtspraak van het Hof voortvloeiende criteria dient te toetsen. Deze beoordeling moet onder meer de vraag omvatten of er sprake was van een gebrek aan duidelijke informatie die afbreuk kon doen aan het vermogen van J.J. om de economische gevolgen van het litigieuze contractuele beding te begrijpen. In deze context dient de verwijzende rechter na te gaan of het ontbreken van nauwkeurige en toereikende informatie het evenwicht zodanig kon wijzigen in het voordeel van de bank dat het evenwicht tussen de voor de partijen uit de betrokken overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen aanzienlijk werd verstoord ten nadele van de consument. De verwijzende rechter dient daartoe na te gaan of de kredietgever (PKO), bij eerlijke en billijke onderhandelingen met de consument (J.J.), redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat deze laatste een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover afzonderlijk was onderhandeld.63. Daartoe moet worden nagegaan of de consument toestemming heeft gegeven voor het aan het gebruik van het litigieuze contractuele beding verbonden risico nadat hij volledige en nauwkeurige informatie had ontvangen.
74.
Bovendien moet de verwijzende rechter beoordelen of de door de kredietgever aan de consument verstrekte informatie op neutrale en objectieve wijze is verstrekt, zonder de consument te doen geloven dat de keuze van het litigieuze contractuele beding en van de WIBOR gunstig was voor hem, terwijl dat feitelijk niet het geval was.
75.
Hieruit volgt dat op de derde prejudiciële vraag moet worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat de nationale rechter moet onderzoeken of een contractueel beding inzake een op de WIBOR-benchmark gebaseerde variabele rentevoet in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de voor de partijen uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen aanzienlijk verstoort ten nadele van de consument. Daarbij moet de nationale rechter in het kader van zijn algehele beoordeling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding nagaan of de kredietgever, bij eerlijke en billijke onderhandelingen met de consument, redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat deze laatste een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover afzonderlijk was onderhandeld. Daartoe moet worden nagegaan of de consument toestemming heeft gegeven voor het uit het gebruik van het litigieuze contractuele beding voortvloeiende risico nadat hij volledige en nauwkeurige informatie had ontvangen. Deze beoordeling kan echter geen betrekking hebben op de WIBOR als zodanig en op de wijze waarop deze wordt vastgesteld.
IV. Conclusie
76.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de eerste, de tweede en de derde prejudiciële vraag van de Sąd Okręgowy w Częstochowie te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat het beding in een tussen een consument en een kredietverstrekker gesloten hypothecaire kredietovereenkomst dat bepaalt dat de op de lening toepasselijke rentevoet een op de WIBOR 6M gebaseerde variabele rentevoet is, binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt wanneer de nationale regeling niet voorziet in de dwingende toepassing van die benchmark en de specifieke rentevoet ervan, ongeacht de keuze van de overeenkomstsluitende partijen.
- 2)
Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat op grond daarvan kan worden beoordeeld of een beding in een tussen een consument en een kredietverstrekker gesloten hypothecaire kredietovereenkomst dat voorziet in de toepassing op die overeenkomst van een op de WIBOR 6M gebaseerde variabele rentevoet, oneerlijk is, indien dat beding niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd (vereiste van transparantie). Om aan dit vereiste te voldoen, moet de kredietverstrekker de consument voldoende precies en nauwkeurig informeren over de naam van de gebruikte benchmark en die van de beheerder ervan, alsmede over de mogelijke gevolgen voor de consument van het gebruik van die benchmark, zodat hij met name de totale kosten van zijn lening kan ramen. De wijze waarop de informatie direct of indirect door de kredietgever wordt verstrekt, moet zodanig zijn dat deze informatie de onderliggende methodologie en de belangrijkste elementen die tot schommelingen van de rentevoet leiden, volledig weergeeft en geen vertekend beeld geeft van het type benchmark.
- 3)
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 vereist dat de nationale rechter onderzoekt of een contractueel beding inzake een op de WIBOR-benchmark gebaseerde variabele rentevoet in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de voor de partijen uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen aanzienlijk verstoort ten nadele van de consument. Daarbij moet de nationale rechter in het kader van zijn algehele beoordeling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding nagaan of de kredietgever, bij eerlijke en billijke onderhandelingen met de consument, redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat deze laatste een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover afzonderlijk was onderhandeld. Daartoe moet worden nagegaan of de consument toestemming heeft gegeven voor het uit het gebruik van het litigieuze contractuele beding voortvloeiende risico nadat hij volledige en nauwkeurige informatie had ontvangen. Deze beoordeling kan echter geen betrekking hebben op de WIBOR als zodanig en op de wijze waarop deze wordt vastgesteld.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑09‑2025
Oorspronkelijke taal: Engels.
Richtlijn van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en verordening (EU) nr. 596/2014 (PB 2016, L 171, blz. 1).
Zie overweging 10 van uitvoeringsverordening (EU) 2019/482 van de Commissie van 22 maart 2019 tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) 2016/1368 van de Commissie tot vaststelling van een lijst van op financiële markten gebruikte cruciale benchmarks op grond van verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2019, L 82, blz. 26).
Dz. U. van 2017, volgnr. 819, zoals gewijzigd; hierna: ‘wet op het hypothecair krediet’.
Wet op het bankwezen van 29 augustus 1997 (Dz. U. van 2023, volgnr. 2488, zoals gewijzigd).
Uitvoeringsverordening van 11 augustus 2016 van de Commissie tot vaststelling van een lijst van op financiële markten gebruikte cruciale benchmarks op grond van verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2016, L 217, blz. 1). Op 22 maart 2019 werd de WIBOR in verordening 2019/482 genoemd als een cruciale benchmark in de zin van artikel 20, lid 1, onder b), van verordening 2016/1011.
Deze rechter verwijst in dit verband naar het feit dat de WIBOR 6M gebaseerd is op van transacties losstaande gegevens die door de banken zelf worden verstrekt, dat wil zeggen dat deze banken op basis van die gegevens geen echte transacties met elkaar aangaan.
De financiële toezichthouder heeft op 16 december 2020 een dergelijk besluit ten aanzien van de WIBOR vastgesteld (hierna: ‘besluit van de financiële toezichthouder’), op grond dat de procedure voor het aanbieden van de WIBOR door de beheerder in overeenstemming is met de vereisten van het Unierecht.
Zie de website met het reglement van GPW Benchmark, met name de ‘Regulations for the WIBID and WIBOR Reference Rates’, Warschau, 30 november 2017 (voor deze conclusie hierna: ‘WIBOR-reglement’), https://gpwbenchmark.pl/pub/BENCHMARK/files/Regulations_for_WIBID_and_WIBOR_Reference_Rates.pdf.
De WIBOR is een ‘rentevoetbenchmark’ in de zin van artikel 3, lid 1, punten 22 en 25, van verordening 2016/1011. De WIBID is een andere index die in Polen wordt gebruikt en staat voor Warsaw Interbank Bid Rate. Ik baseer mij op de informatie die beschikbaar is op de website met het reglement van GPW Benchmark.
Artikel 11 van verordening 2016/1011 bevat de vereisten inzake inputgegevens voor het aanbieden van een benchmark (zie ook punt 52 van deze conclusie). Artikel 12 van deze verordening bevat de vereisten voor de methodologie voor het vaststellen van benchmarks zoals de WIBOR.
Artikel 15 van verordening 2016/1011 regelt de gedragscode voor contribuanten (bijvoorbeeld banken), die onder meer het beleid moet omvatten dat moet worden gevolgd met betrekking tot het gebruik van keuzevrijheid bij het aanleveren van onderliggende gegevens. Indien significante wijzigingen in de methode of de vaststelling van de referentiepercentages noodzakelijk blijken, houdt de beheerder openbare raadplegingen met belanghebbenden zoals de gebruikers van de rentepercentages, de betrokken autoriteiten en de Poolse centrale bank.
WIBOR-reglement, blz. 9.
Zie Kosiorowski, M., en Szczęsna, A., ‘WIBOR litigation, part 1 — Can the WIBOR benchmark be challenged as the basis for setting variable interest rates?’, in principle, 12 juni 2025, https://codozasady.pl/en/p/wibor-litigation-part-1-can-the-wibor-benchmark-be-challenged-as-the-basis-for-setting-variable-interest-rates-.
De methode is als volgt: i) bij 10 of meer indicatieve bied- en laatkoersen: gemiddelde van de percentages na uitsluiting van de twee hoogste en de twee laagste koersen; ii) bij 8 of 9 koersen: gemiddelde na uitsluiting van de hoogste en de laagste koers; iii) bij 6 of 7 koersen: het gemiddelde van alle koersen, en iv) bij 5 of minder koersen: er wordt geen WIBOR vastgesteld voor deze termijn.
De referentiepercentages op een bepaalde werkdag worden gepubliceerd op de website van de beheerder; zie het WIBOR-reglement, punt 7.1.
Zie punt 10 van deze conclusie.
Zie arrest van 30 mei 2024, Raiffeisen Bank (C-176/23, EU:C:2024:443, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 3 maart 2020, Gómez del Moral Guasch (C-125/18, EU:C:2020:138, punten 31 en 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘arrest Gómez del Moral Guasch I’).
Zie arrest van 30 mei 2024, Raiffeisen Bank (C-176/23, EU:C:2024:443, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Ibidem, punt 33. Zie ook punt 36 van dat arrest.
Zie blz. 5 van de verwijzingsbeslissing (Franstalige versie; hierna eenvoudigweg: ‘verwijzingsbeslissing’).
Zie Sampławski, K., WIBOR pod lupą TSUE — analiza prawna pytań prejudycjalnych — pytanie nr 1. (WIBOR onder toezicht van het Hof van Justitie — Juridische analyse van de prejudiciële vragen — Vraag nr. 1.), 11 september 2024, https://www.bankowebezprawie.pl/wibor-pod-lupa-tsue-analiza-prawna-pytan-prejudycjalnych-pytanie-nr-1/.
Zoals J.J. in zijn opmerkingen voor het Hof heeft aangevoerd.
Arrest van 10 juni 2021, Prima banka Slovensko (C-192/20, EU:C:2021:480, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Artikel 13 van verordening 2016/1011, met als opschrift ‘Transparantie van de methodologie’.
Zie punt 15 van deze conclusie.
Zie punt 19 van deze conclusie.
Bij verordening 2019/482.
Zie overweging 10 van verordening 2019/482.
Arrest van 10 juni 2021, BNP Paribas Personal Finance (C-609/19, EU:C:2021:469, punt 27).
Ibidem, punt 28.
Arrest van 21 maart 2024, Profi Credit Bulgaria (Nevendiensten bij een kredietovereenkomst) (C-714/22, EU:C:2024:263, punt 60).
Arrest van 10 juni 2021, BNP Paribas Personal Finance (C-776/19–C-782/19, EU:C:2021:470, punt 53).
Ibidem, punt 54.
Arrest van 21 maart 2024, Profi Credit Bulgaria (Nevendiensten bij een kredietovereenkomst) (C-714/22, EU:C:2024:263, punt 61).
Zie in die zin arrest van 20 september 2017, Andriciuc e.a. (C-186/16, EU:C:2017:703, punt 43).
Arrest Gómez del Moral Guasch I, punt 50.
Ibidem, punt 51.
Ibidem, punt 52.
Ibidem, punt 53.
Ibidem, punt 54.
Ibidem, punt 55.
Arrest van 12 december 2024, Kutxabank (C-300/23, EU:C:2024:1026, punt 83).
Zie in die zin arrest van 12 december 2024, Kutxabank (C-300/23, EU:C:2024:1026, punten 84 en 90).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 60, blz. 34).
Zie punt 16 van deze conclusie.
Zie voetnoot 43 van deze conclusie.
Zie met name punt 1 van deel 8 van de verwijzingsbeslissing, blz. 26.
Arrest van 26 januari 2017, Banco Primus (C-421/14, EU:C:2017:60, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘arrest Banco Primus’).
Zie in die zin arrest van 13 juli 2023, Banco Santander (Verwijzing naar een officiële index) (C-265/22, EU:C:2023:578, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest Banco Primus, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Ibidem, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Arrest Banco Primus, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Beschikking van 17 november 2021, Gómez del Moral Guasch (C-655/20, EU:C:2021:943, punt 37).
Gelet op de antwoorden die ik in overweging geef op de eerste en de tweede prejudiciële vraag. Het is niet uitgesloten dat soortgelijke contractuele bedingen in andere lidstaten op grond van het bestaande nationale wettelijke kader in feite van de werkingssfeer van richtlijn 93/13 worden uitgesloten.
Punt 55 van deze conclusie.
Arrest van 13 juli 2023, Banco Santander (Verwijzing naar een officiële index) (C-265/22, EU:C:2023:578, punt 66).
Verwijzingsbeslissing, blz. 26, punten 1 e.v.
Zie punt 64 van deze conclusie en aldaar aangehaalde rechtspraak.