Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/1
HOOFDSTUK 1 KORTE SCHETS VAN DE ALGEMENE REGELS VAN BEWIJSRECHT
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS358239:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zoals ik hiervoor in mijn inleiding heb aangegeven zal ik op deze plaats uitsluitend een korte schets van de regels van het bewijsrecht en de bewijslastverdeling geven. De algemene voorschriften van afdeling 9 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staan daarbij centraal. Voor zover deze in dit eerste hoofdstuk niet aan de orde komen, zullen zij - naar de structuur van dit boek en voor zover voor de bewijsrechtelijke verhoudingen binnen het verzekeringsrecht relevant - in de latere hoofdstukken worden behandeld. Voor een omvattend(er) beeld van het bewijsrecht wordt verwezen naar de handboeken die een breder beeld schetsen, zoals Pitlo/Hidma & Rutgers 2004, Asser 2004 en (deels meer specifiek voor het aansprakelijkheidsrecht) Giesen 2001.
Inleidend
'Het bewijsrecht' in brede zin speelt een rol op het moment dat twee partijen met elkaar een geschil hebben over een juridische kwestie. Een van de partijen beroept zich daarbij op feiten of rechten, die geheel of gedeeltelijk door de ander met kracht van argumenten weersproken worden. Op het moment nu dat partijen elkaar in de afwikkeling van een geschil niet kunnen vinden, zal de partij die een vordering stelt te hebben, zich veelal wenden tot de rechter. In dit hoofdstuk zal ik een korte schets geven van de vraag wanneer op welk van de bij de procedure betrokken partijen in dat kader de verplichting rust tot het leveren van bewijs.1 Daartoe zal ik beginnen met een bespreking van de hoofdregel van bewijslastverdeling, alsmede van de uitzondering daarop (de zgn. omkering van de bewijslast). Ook zal ik onder 1.2 aandacht besteden aan de minder vergaande 'afwijkingen' van de hoofdregel, zoals het wettelijk vermoeden, het rechterlijk of voorshands bewijsoordeel (de zgn. constructie van de voorshandse aannemelijkheid), de verzwaarde motiveringsplicht en de zgn. omkeringsregel. Ten slotte volgt onder paragraaf 1.3 op hoofdpunten een weergave van de regels van bewijsrecht, zoals deze gelden in de ons omringende landen.
1.1 De hoofdregels van de artikelen 149 en 150 Rv1.2 Afwijkingen van de hoofdregel1.3 Hoofdregels van bewijs naar buitenlands recht