Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/7.5
7.5 Vruchtenproblematiek
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS493452:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. de situatie waarin de verdachte erkent valse belastingaangifte te hebben gedaan en hij naar aanleiding daarvan wordt gedwongen te verklaren over niet-opgegeven inkomsten en vermogensbestanddelen en/of de daarop betrekking hebbende stukken te overleggen.
EHRM 1 juni 2010 (Gäfgen t. Duitsland), NJ 2010, 628 (m.nt. Buruma). De voorafgaande uitspraak van de Vijfde kamer van 30 juni 2008, is gepubliceerd in NJ 2009, 20 (m.nt. Buruma).
Een voor de hand liggende verklaring is dat het Hof in de aan hem voorgelegde zaken geen aanleiding zag zich daarover uit te laten. Mogelijk speelt ook een rol dat art. 6 geen regels geeft over de toelaatbaarheid van het bewijs in de nationale procedure. Zie § 3.6 hiervoor.
EHRM 1 juni 2010 (Gäfgen t. Duitsland), NJ 2010, 628 (m.nt. Buruma), § 87 e.v.
§ 105. Garvelink 2009, p. 22 e.v., gaat uitgebreid op het arrest in.
Voor een nationale variant hierop zie men HR 19 september 2006, NJ 2007, 39 (m.nt. Reijntjes).
Reijntjes, noot onder EHRM 24 september 2009 (Pishchalnikov t. Rusland), NJ 2010, 191, pt. 5. Daarbij verwijst hij naar HR 30 juni 2009, NJ 2009, 349 (m.nt. Knigge). r.o. 2.7.3.
EHRM 10 maart 2009 (Bykov t. Rusland), § 96 e.v.
Met het vorenstaande is het toepassingsbereik van het niet-meewerkrecht op hoofdlijnen bepaald. Althans, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is op grond van de huidige rechtspraak van het EHRM. In ieder geval verdient nog aandacht de zogenoemde vruchtenproblematiek (‘fruits of the poisonous tree’). Deze problematiek betreft het gebruik van (mogelijk) belastend materiaal dat de autoriteiten buiten de verdachte om verkrijgen, naar aanleiding van eerder in strijd met art. 6 EVRM van hem afgedwongen medewerking (verklaringen, fysiek bewijs).
Zou de verdachte naar aanleiding van eerder afgedwongen medewerking (opnieuw) worden gedwongen te verklaren of materiaal af te geven, dan is het recht zichzelf niet te hoeven belasten daarop rechtstreeks toepasselijk.1 Niet duidelijk is of het recht tegen gedwongen zelfbelasting ook de (bewijs)vruchten van de afgedwongen medewerking omvat.
Gäfgen: bewijs naar aanleiding van in strijd met art. 3 EVRM afgedwongen verklaring
Bij mijn weten is Gäfgen2 tot op heden de enige zaak waarin het EHRM zich uitdrukkelijk heeft uitgelaten over de toelaatbaarheid van belastend bewijsmateriaal, dat de (in)directe vrucht is van een verklaring die in strijd met het EVRM-zwijgrecht is verkregen.3 De klager in deze zaak werd ernstig (fysiek) bedreigd door de politie, om zo de verblijfplaats van een door hem ontvoerd kind te achterhalen. Naar aanleiding van zijn bekentenis vond de politie onder meer het zielloze lichaam van het kind. De nationale strafrechter had de van klager onder dwang verkregen bekentenis van het strafproces uitgesloten. Het bewijsmateriaal dat naar aanleiding daarvan werd verkregen (waaronder bandensporen, schoenafdrukken, kleding en schoolmateriaal van het slachtoffer4), had hij wel toegelaten.
Ter zake overweegt het Hof dat het gebruik van bewijs dat het resultaat is van een bekentenis die is verkregen in strijd met art. 3 EVRM, sterk doet vermoeden dat het strafproces als geheel onbehoorlijk is. Daarbij trekt het een parallel met de situatie waarin de bekentenis zélf als bewijs zou zijn gebruikt. Of de nationale strafprocedure behoorlijk is geweest, moet gelet op de globale benadering naar de omstandigheden worden beoordeeld; in het bijzonder de omstandigheden die door het litigieuze bewijs worden vastgesteld, het gewicht dat aan dat bewijs wordt toegekend en ook of de betrokkene de mogelijkheid heeft gehad om de toelaatbaarheid en het gebruik van het bewijs te betwisten.5 Gäfgens veroordeling stoelde in de eerste plaats op zijn eigen, vrijwillig afgelegde (bekennende) verklaring tijdens de strafzitting.6 Het litigieuze bewijsmateriaal dat naar aanleiding van de van hem afgedwongen verklaring was verkregen, speelde een aanvullende rol. Het was enkel gebruikt om die verklaring te verifiëren. Met inachtneming hiervan komt het Hof tot de vaststelling dat klagers recht op een behoorlijk strafproces niet was geschonden.
Omstandigheden zijn bepalend
Zie ik het goed, dan volgt uit Gäfgen in wezen niet meer of anders dan dat de vraag of de vruchten van in strijd met art. 6 EVRM afgedwongen medewerking voor het bewijs van de criminal charge toelaatbaar zijn, moet worden beantwoord met inachtneming van de omstandigheden van het geval. Van ‘automatische’ bewijsuitsluiting van de vruchten van in strijd met art. 6 EVRM afgedwongen medewerking, is kennelijk geen sprake (tenzij het art. 3 EVRM is geschonden).
Zie in dit verband Reijntjes. In zijn noot onder Pishchalnikov wijst hij erop dat het Hof in § 81-90 van het arrest niet uitsluit, dat het onthouden van bijstand van een advocaat aan de verdachte in die zin doorwerkt, dat ook de toelaatbaarheid van later verkregen bewijs – in het bijzonder verklaringen – wordt aangetast. Bij verklaringen die na de toegang tot een advocaat zijn verkregen, zal dit zich niet snel voordoen. Doorwerking is volgens Reijntjes vooral denkbaar bij bewijsmateriaal dat is verkregen op grond van een verklaring die is afgelegd zonder toegang tot een advocaat.7 Zie ook Bykov. Daarin hadden de autoriteiten belastend materiaal verkregen, naar aanleiding van verklaringen die met behulp van afluisterapparatuur van de klager waren ontfutseld. Omdat het Hof het gebruik van de verklaringen niet in strijd met het recht zichzelf niet te hoeven belasten oordeelt, komt het in deze zaak niet toe aan de vraag of het materiaal – als bewijsvrucht – besmet was.8