Einde inhoudsopgave
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/64
64 Als een Leistungsklage niet mogelijk is
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens, datum 23-03-2015
- Datum
23-03-2015
- Auteur
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens
- JCDI
JCDI:ADS397102:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor, nr. 49.
Zie hiervoor, nr. 47. Zie Stein/Jonas/Roth 2008, § 256, nr. 64.
Zie hiervoor, nr. 58.
BGH 3 juli 2002, NJW-RR 2002, 1377. Zie ook Stein/Jonas/Roth 2008, § 256, nr. 59; BGH 4 april 1952, NJW 1952, 740: ‘Das folgt aus dem allgemeinen Grundsatz, daß ein rechtliches Interesse im Sinne des § 256 ZPO regelmäßig dann zu verneinen ist, wenn hinsichtlich des positiv festzustellenden Anspruchs bereits die Verurteilungsklage möglich und zulässig ist (Stein-Jonas-Schönke, ZPO, 17. Aufl., § 256 III Not. 96, 112).’ Zie verder BGH 9 juni 1983, NJW 1984, 1118.
Jacobs 2005, p. 517 en 518.
Tjong Tjin Tai stelt dat § 304 ZPO een equivalent is van de schadestaatprocedure. Volgens hem lijkt de regeling ‘vrij sterk’ op de Nederlandse regeling. Zie Tjong Tjin Tai 2012, nr. 705. Toepassing van die bepaling is echter niet aan de orde als de omvang van de vordering nog niet te begroten is, maar als zowel over de grondslag van de vordering als over de hoogte van de vordering discussie bestaat. In dat geval heeft de Duitse rechter de bevoegdheid om een Zwischenurteil te geven over de grondslag van de vordering. Tegen deze tussenbeslissing staat hoger beroep open, zodat de rechter niet onnodig gaat beslissen over de omvang van de vordering. De rechter beslist in het Zwischenurteil niet op de vordering, maar overweegt slechts dat de vordering wat betreft de grondslag van de vordering al dan niet gerechtvaardigd is, waarbij hij in dat laatste geval ook meteen de vordering afwijst. De bevoegdheid die in § 304 ZPO is opgenomen, heeft enkel tot doel om lange en dure getuigenverhoren en deskundigenonderzoeken te voorkomen die achteraf gezien – als de de rechter in zijn eindvonnis tot de beslissing komt dat de grondslag voor de vordering ontbreekt – onnodig bleken te zijn. Zie daarover uitgebreid Stein/Jonas/Leipold 2008, § 304, nr. 1 e.v.
Musielak/Foerste, § 254, nr. 1.
Stein/Jonas/Leipold 2008, § 256, nr. 11 e.v.
Musielak/Foerste 2008, § 254, nr. 1.
Musielak/Foerste 2008, § 256, nr. 14.
MünchKommZPO/Becker-Eberhard, § 256, nr. 26. Daarin wordt verwezen naar een uitspraak van het Kammergericht Berlin van 13 juli 2005, BeckRS 2005, 10793.
Musielak/Foerste 2008, § 257, nr. 1 e.v.
Beck OK ZPO/Bacher, § 258, nr. 5; Stein/Jonas/Roth 2008, § 258, nr. 5.
Stein/Jonas/Roth 2008, § 258, nr. 1.
Stein/Jonas/Roth 2008, § 259, nr. 1.
Stein/Jonas/Roth 2008, § 256, nr. 1.
Stein/Jonas/Roth 2008, § 259, nr. 16.
In het onderhavige hoofdstuk bespreek ik onder andere wanneer een partij de positieve verklaring voor recht nodig heeft. De positieve verklaring voor recht is elke verklaring voor recht die niet als negatief is te kwalificeren. Hiervoor bleek dat de verklaring voor recht – anders dan in Duitsland – niet nodig is om te bewerkstelligen dat de beslissingen die aan een veroordeling tot prestatie vooraf gaan, gezag van gewijsde krijgen.1 Dat betekent nog niet dat de positieve verklaring voor recht overbodig is. In hoofdstuk 4 kwam al kort aan de orde dat de Duitse wetgever een onderscheid maakt tussen de in lid 2 van § 256 ZPO opgenomen Zwischenfeststellungsklage (ook wel unselbständige Feststellungsklage genoemd) en de in lid 1 § 256 ZPO opgenomen selbständige Feststellungsklage. De unselbständige Feststellungsklage kan naast een Leistungs- of Gestaltungsklage worden ingesteld als de eiser voorbeslissingen over de rechtsverhouding bindend wil hebben vastgesteld.2 Volgens het Bundesgerichtshof heeft de eiser bij de selbständige Feststellungsklage slechts belang als de eiser het doel dat hij met het instellen van die vordering heeft, niet ook bereikt met het instellen van een Leistungsklage:3
‘Das prozessökonomisch bestimmte rechtliche Interesse i.S. der § 256 I ZPO fehle aber für eine eigenständige positive Feststellungsklage, wenn dasselbe Ziel, hier sogar teilweise effektiver, durch eine Klage auf Leistung, verbunden mit einem Zwischenfeststellungsantrag, erreicht werden könne.’4
De selbständige Feststellungsklage wordt gezien als een restvordering. Zij voorziet in leemtes van het rechtsvorderingenrecht oftewel heeft, zoals Jacobs het verwoordt, een Lückenschließfunktion, zoals dat ook geldt voor de Zwischenfeststellungsklage.5 De eiser heeft belang bij de selbständige Feststellungsklage als de eiser zijn schade (gedeeltelijk) nog niet kan begroten omdat de schade die hij meent te kunnen verhalen op de gedaagde nog toeneemt.6 Maar als de eiser een zogenaamde Stufenklage (§ 254 ZPO) aanhangig kan maken, heeft de eiser bij een selbständige Feststellungsklage onvoldoende belang.7 De Stufenklage werkt anders dan een Nederlandse schadestaatprocedure.8 De eiser stelt bij die Klage namelijk verschillende vorderingen in die hem uiteindelijk in staat zouden moeten stellen om de omvang van zijn schade te begroten.9 De Stufenklage bestaat uit drie Stufen, te weten uit een Auskunfstanspruch (een vordering tot het verstrekken van informatie), uit een Abgabe einer eidesstattlichen Versicherung (afgifte van een verklaring over inkomen en vermogen) en uit een Zahlungs- oder Herausgabeantrag (de hoofdvordering waarvan de omvang niet was vast te stellen).10 De vorderingen worden na elkaar behandeld en de bedoeling is dat als de rechter heeft beslist op de eerste en tweede vordering, de eiser bij de derde vordering zijn schadebedrag kan concretiseren.11 De Stufenklage kan dus alleen uitkomst bieden in het geval dat de eiser zijn vordering niet kan concretiseren omdat hij afhankelijk is van informatie van de gedaagde. Als de eiser zijn schade niet kan concretiseren omdat het nog niet zeker is dat hij schade gaat lijden, dan heeft hij niets aan de Stufenklage. In dat geval heeft de eiser dus belang bij een vordering die strekt tot verklaring voor recht dat de gedaagde gehouden is de schade die de eiser meent te hebben geleden, dient te vergoeden:12
‘Ein Feststellungsinteresse liegt nahe, wo eine Leistungsklage nicht bezifferbar ist, weil die Anspruchshöhe ungewiss bleibt, zB ein Schaden sich noch in der Entwicklung befindet oder Prozesskosten umfasst. Jedoch bedarf es keiner Feststellungsklage, wenn eine Stufenklage möglich ist, es sei denn, dass die Bezifferung trotz der erstrebten Auskunft schwierig und aufwendig bleibt.’
Geen belang bij een vordering die strekt tot een verklaring voor recht heeft de eiser die over een nog niet opeisbare vordering wil procederen als het gaat om een geldvordering of ontruiming van een perceel of een woon- of bedrijfsruimte waarbij de opeisbaarheid verbonden is aan een kalenderdag.13 In dat geval kan de eiser namelijk op grond van § 257 ZPO gebruik maken van de zogenaamde Klage auf künftige Zahlung oder Räumung.14 Dus als de huurder bijvoorbeeld op 27 juni 2016 zijn huurwoning ontruimd moet hebben, kan de verhuurder vóór 27 juni 2016 veroordeling vorderen van de huurder tot ontruiming van de woning op uiterlijk 27 juni 2016. Hetzelfde geldt voor het geval er sprake is van zogenaamde wiederkehrende Leistungen. Op grond van § 258 kan de eiser veroordeling tot prestatie vorderen van wiederkerende Leistungen die pas in de toekomst opeisbaar worden. Wiederkerende Leistungen zijn:
‘einseitigen Verpflichtungen, die sich in ihrer Gesamtheit als Folge eines und desselben Rechtsverhältnisses ergeben, so daß die einzelne Leistung nur noch vom Zeitablauf abhängig ist, ohne daß der Umfang der Schuld von vornherein feststeht.’15
De uitkering van pensioen en de uitkering van alimentatie zijn voorbeelden van wiederkerende Leistungen. Het gaat om een eenzijdige verplichting van de pensioengever respectievelijk de alimentatieplichtige om het pensioen respectievelijk de alimentatie aan de pensioen- en alimentatiegerechtigde uit te keren. De uitkeringen vloeien voort uit dezelfde rechtsverhouding en opeisbaarheid is alleen afhankelijk van het verstrijken van de tijd.16 Als de eiser op grond van § 258 ZPO een Klage auf wiederkehrende Leistungen kan instellen, ontbreekt het belang bij een verklaring voor recht dat de gedaagde onder tijdsbepaling gehouden is tot een prestatie.17
In § 259 ZPO is ten slotte een algemene bepaling opgenomen voor niet opeisbare vorderingen. De eiser heeft bij een vordering ex § 259 ZPO alleen belang als sprake is van vrees voor niet-nakoming van de verplichting in kwestie.18 De hiervoor besproken § 257 en § 258 ZPO stellen die eis niet. Maar anders dan voor § 257 en § 258 ZPO geldt, is niet gezegd dat de eiser die op grond van § 259 ZPO een veroordeling tot prestatie kan vorderen, geen belang heeft bij een verklaring voor recht dat de gedaagde is gehouden tot de prestatie in kwestie.19 Volgens het Bundesgerichtshof mag de eiser kiezen tussen een vordering ex § 259 ZPO en een vordering ex § 256 ZPO.20 Roth schrijft dat de eiser alleen dan voor een vordering op grond van § 256 ZPO zal kiezen, als hij zeker weet dat de gedaagde zich zal gedragen naar de uitspraak, in die zin dat de gedaagde de prestatie verricht waarop de verklaring voor recht betrekking heeft. Als dat niet het geval is, dan kan de eiser zijn vordering beter baseren op § 259 ZPO omdat hij de uitspraak dan ook ten uitvoer kan leggen als blijkt dat de gedaagde de prestatie niet vrijwillig verricht.21