Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/3.5.3
3.5.3 Constitutionele beperkingen van (corrigerende) interpretatie
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS354733:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Par. 3.5.1. Vgl. de positieve waardering van een arrest waarin de Hoge Raad afweek van de betekenis van de bewoordingen van de wet in het normale spraakgebruik (HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168 (Saelman)) in de literatuur, bijv. annotatie T. Hartlief, AA 2004/266 en annotatie C.E. du Perron, NJ 2006/112.
Niet alleen in het publiekrecht vanwege het legaliteitsbeginsel, maar ook in het civiele recht. Het legaliteitsbeginsel staat overigens slechts in de weg aan corrigerende interpretaties ten nadele van burgers en verdachten (hoofdstuk 5, par. 5.2.3 over het strafrecht; hoofdstuk 6, par. 6.2.1, a over het bestuursrecht).
Bijv. Peters 1971, p. 25 over contra-legemwerking van algemene beginselen van behoorlijk bestuur en interpretatie; Van Dorst 1978, p. 179 over interpretatie waarbij (het ontbreken van) de materiële wederrechtelijkheid wordt ‘ingelezen’; De Waard 1985, p. 393-395, die bepleit dat als bij interpretatie te ver zou moeten worden afgeweken van de wettekst, de rechter beter omw kan aannemen, omdat te veel afwijken afbreuk doet aan de rechtszekerheid die de wet beoogt; Groenhuijsen 1987, p. 61, die stelt dat de legitimiteit van de rechtshandhaving gevaar kan lopen als door interpretatie ‘de band met het gewone spraakgebruik nagenoeg volledig [wordt] verbroken’; IJzerman 1991, p. 18, 61-65 over fraus legis; Brunner 1992, p. 89, die vindt dat interpretatie niet voldoet maar dat uitzonderingen krachtens art. 6:2 lid 2 ‘de beste waarborgen [bieden] voor een deugdelijke en controleerbare motivering’; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 353, die interpretatie enkel verkiest boven uitzonderingen op grond van omw zolang de rechter niet té creatief interpreteert; Wolswijk 1998, p. 249, specifiek over het milieustrafrecht, dat een technisch karakter heeft waardoor voor het inlezen van de wederrechtelijkheid als alternatief voor omw ‘dikwijls’ geen plaats zal zijn; annotatie R.J.B. Schutgens bij HR 25 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8524, Gst. 2010/29; Kristen 2010, p. 643, die stelt dat de rechter ‘een delictsomschrijving of een bestanddeel daarvan niet zodanig ruim [mag] uitleggen dat een gedraging of omstandigheid onder de reikwijdte van die delictsomschrijving wordt gebracht terwijl de bewoordingen daarvan geen aanleiding daartoe geven’; Cleiren & S.R. Bakker 2011, p. 41 over interpretatie als alternatief voor de kunstexceptie als strafuitsluitingsgrond; Kelk/De Jong 2013, p. 120, die opmerkt dat ‘geen enkele uitkomst die een flagrante schending met de letter van de wet oplevert aanvaardbaar [zal] worden geacht’, omdat dit in strijd is met het legaliteitsbeginsel; De Hullu 2015, p. 101, die stelt dat interpretatie niet ‘tot een wezensvreemde toepassing van het delict mag leiden’, maar meteen aangeeft dat rechtspraak hierover zeldzaam is, en p. 359 over interpretatie als alternatief voor omw. Vgl. annotatie Ph.A.N. Houwing bij NJ 1950/72, die als bezwaar tegen het normatief uitleggen van contractsbepalingen beschouwt dat de rechter ‘aan partijen bedoelingen moet toedichten waarvan hij in gemoede overtuigd is, dat zij ze bij het aangaan van de overeenkomst niet gehad hebben’; Brunner 1992, p. 89, die stelt dat interpretatie niet voldoet maar dat 6:2 lid 2 beter is omdat dit ‘de beste waarborgen biedt voor een deugdelijke en controleerbare motivering’; Van der Veen 2011, p. 244: ‘De vraag kan dan worden gesteld of hier nog wordt uitgelegd in die zin dat het resultaat op een kenbare manier aan een partijbedoeling gekoppeld kan worden. Indien het antwoord op die vraag negatief luidt, moet de Koninklijke weg van de uitleg verlaten worden.’
HR 29 februari 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB6305, NJ 1972/347, m.nt. C. Bronkhorst. Qua interpretatie vergelijkbaar is HR 7 maart 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB4012, NJ 1972/348, m.nt. C. Bronkhorst.
Die overigens geen corrigerende interpretatie is: er wordt niet afgeweken van de formulering van de strafbepaling.
HR 20 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2809, NJ 2003/632, m.nt. P.A.M. Mevis & R. de Lange.
Het materiële legaliteitsbeginsel wordt besproken in hoofdstuk 5, par. 5.2.3, a.
HR 29 februari 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB6305, NJ 1972/347, m.nt. C. Bronkhorst. Het hof gaat in op de wetsgeschiedenis.
Conclusie P-G G.E. Langemeijer, ECLI:NL:PHR:1972:AB4012, ook in die zin annotatie C. Bronkhorst, NJ 1972/348.
Hoofdstuk 5, par. 5.5.
Par. 3.2.
Van Houten 1992, p. 703, 404 en Groenewegen 2006, p. 160, onder verwijzing naar Kamerstukken II 1976/77, 13872, 7, p. 9, en ABRvS 24 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5780, AB 2003/204, m.nt. G.J.M. Cartigny, waarin de Afdeling de rechterlijke beoordeling van een door de formele wetgever gegeven interpretatie van de Grondwet beschouwde als verkapte vorm van toetsing. Vgl. annotatie P.A.M. Mevis, NJ 2001/498, par. 6: ‘Op zichzelf is acceptabel dat de Hoge Raad door interpretatie van bestaande regels aanvult wat de wetgever evident over het hoofd heeft gezien en ongetwijfeld geregeld zou hebben, als hij beter had nagedacht, zeker als het om strafuitsluiting gaat.’
De vergelijkbare constitutionele eisen nemen overigens niet weg dat uitzonderingen de voorkeur hebben boven gekunstelde interpretaties.
Par. 3.3.
Net als billijkheidsuitzonderingen dienen ook corrigerende interpretaties binnen het constitutionele kader te passen. Dat houdt in dat bij elke interpretatie gekunsteldheid zoveel mogelijk moet worden voorkomen (subpar. a) en niet te ver mag worden afgeweken van de bedoeling van de wetgever (subpar. b). Deze contra-indicaties voor interpretatie hebben dus een ruimer bereik dan alleen corrigerende interpretatie. Specifiek voor corrigerende interpretatie gelden vanwege hun resultaat ook constitutionele eisen, die met de eisen voor billijkheidsuitzonderingen vergelijkbaar zijn (subpar. c).
a. Geen gekunstelde interpretaties
Voorop staat (voor mij) dat gekunstelde interpretaties zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Hoewel verschillende interpretatiemethoden als gezegd algemeen geaccepteerd zijn en de tekst van een voorschrift daardoor niet doorslaggevend hoeft te zijn,1 mogen interpretaties niet te ver afwijken van de betekenis die de woorden van een wettelijk voorschrift in het normale spraakgebruik hebben. Ik beschouw gekunsteldheid als belangrijke contra-indicatie voor een interpretatie.2 Hoe meer een interpretatie afwijkt van de tekst van een voorschrift, des te groter de kans is dat deze gekunsteld (onnatuurlijk, gezocht) genoemd kan worden. Onnatuurlijke interpretaties zijn niet fraai: het is niet te verdedigen dat de woorden van een wettelijk voorschrift feitelijk van beperkte waarde zijn omdat zij op elke mogelijke wijze uitgelegd kunnen worden. Dit bezwaar tegen gekunstelde interpretaties wordt ook in de literatuur naar voren gebracht.3
Aan corrigerende interpretatie is echter juist een afwijking van de tekst van een voorschrift inherent. De methode is immers vergelijkbaar met een uitzondering in die zin dat een voorschrift volgens zijn bewoordingen moet worden toegepast, terwijl dat in een individueel geval niet gebeurt. Corrigerende interpretaties zijn dan ook al snel gekunsteld. In dergelijke gevallen bestaat het voordeel dat ook kan worden gekozen voor een billijkheidsuitzondering. Die heeft hetzelfde resultaat als de interpretatie, maar voorkomt gekunsteldheid. Een uitzondering heeft, kortom, de voorkeur boven een gekunstelde corrigerende interpretatie.
Een uitleg was bijvoorbeeld gekunsteld in een zaak waarin een verdachte hasjiesj in bezit gehad waarvan de hars verkregen was uit de ongedroogde toppen van de cannabisplant – terwijl het bezit van hasjiesj volgens de tekst van de Opiumwet slechts strafbaar was als de hars was verkregen uit gedroogde toppen.4 Toch verklaarde de Hoge Raad het feit strafbaar door corrigerende interpretatie: de wettekst mocht niet bepalend zijn, maar een ‘redelijke uitlegging’ van de strafbepaling en de strekking van de wet brachten de strafbaarheid met zich.
b. Geen interpretaties die te ver afwijken van de bedoeling van de wetgever
Een tweede constitutioneelrechtelijke beperking van interpretatie is dat deze zoveel mogelijk moet passen bij de bedoeling van de wetgever. Dit volgt uit het verschijnsel ‘wetgeving’, dat zelf getrouwe toepassing door de rechter vergt. Ook dat de rechter niet in een bepaalde mate gebonden zou zijn aan de bedoeling van de wetgever zou afbreuk doen aan de waarde van wetgeving, doordat de wetgever feitelijk geen invloed meer zou hebben op haar betekenis. Het primaat zou niet meer bij hem liggen, maar bij de rechter. De machtenscheiding zou verdwijnen en wetgeving zou geen rechtszekerheid meer bieden. Dit ‘beginsel van getrouwe toepassing van wetgeving’, zoals ik dat noem, volgt ook uit artikel 11 Wet AB, dat bepaalt dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken (en in geen geval de innerlijke waarde van de wet mag beoordelen). Hoe meer een interpretatie afwijkt van de bedoeling van de wetgever, hoe meer ze op gespannen voet staat met het beginsel, en hoe on-wenselijker ze is.
Een duidelijk voorbeeld van een vanuit dit beginsel ongewenste interpretatie5 biedt het Mensenroofarrest.6 De Hoge Raad interpreteerde hierin artikel 278 Sr, waar als mensenhandel strafbaar is gesteld dat iemand een ander ‘over de grenzen van het Rijk in Europa voert’, extensief en anders dan volgens de gevestigde betekenis van de bepaling, waarbij hij expliciet afweek van de wetsgeschiedenis. Volgens de memorie van toelichting ziet de strafbepaling op ontvoering vanuit Nederland naar het buitenland, maar volgens de Hoge Raad stelt ze ook het vanuit het buitenland naar Nederland voeren strafbaar. Hij overwoog dat de wetgever niet had gedacht aan de bescherming van naar Nederland ontvoerde slachtoffers. Ook de overwegingen die aan de strafbepaling ten grondslag lagen en het gelijkheidsbeginsel waren argumenten. De tekst van de bepaling stond aan deze uitleg volgens hem niet in de weg. Volgens mij had hier vanwege het beginsel van getrouwe wetstoepassing (én het legaliteitsbeginsel7) een restrictieve uitleg de voorkeur gehad – en ook die was verenigbaar met de wettekst.
Gaat het om een corrigerende interpretatie, dan kan spanning met het beginsel in veel gevallen worden voorkomen door te kiezen voor een uitzondering.
Is alléén een gekunstelde interpretatie verenigbaar met de bedoeling van de wetgever, dan kán het beginsel van getrouwe toepassing van wetgeving gekunsteldheid rechtvaardigen. De rechter bakent dan het bereik van een voorschrift af naar de bedoeling van de wetgever, maar in strijd met de tekst van het voorschrift. Hiervoor moet hij (voldoende en correct gemotiveerd) van oordeel zijn dat de wetgever een tekstuele uitleg nooit had gewild. Voor dit oordeel gelden strenge eisen: het belang van het voorkomen van gekunsteldheid is groot. Een gekunstelde uitleg is nog minder acceptabel als deze op gespannen voet staat met het legaliteitsbeginsel.
De ‘redelijke uitlegging’ van de Opiumwet waarbij werd afgeweken van de wettekst8 verklaarde de Hoge Raad door een verwijzing naar de strekking van de strafbepaling, de memorie van toelichting en een andere bepaling uit de wet. De procureur-generaal bij de Hoge Raad achtte de uitleg verdedigbaar omdat de wetgever niet had voorzien dat hasjiesj ook kon worden geproduceerd uit hars verkregen uit de ongedroogde toppen van de cannabisplant, en hij het alleen daarom niet strafbaar had gesteld.9 Mij gaat deze gekunstelde uitleg te ver. Deze was voor de verdachte niet per se voorzienbaar én in zijn nadeel en maakte daarom inbreuk op het legaliteitsbeginsel. Ik acht de bedoeling van de wetgever hier niet zwaarwegend genoeg om deze uitleg te rechtvaardigen; onvoldoende duidelijk blijkt dat de wetgever deze uitleg zeker had verkozen boven een tekstuele uitleg.
Over het legaliteitsbeginsel volgt meer in het kader van het strafrecht.10
c. Voor corrigerende interpretatie gelden dezelfde eisen als voor uitzonderingen
Het constitutionele kader voor interpretatie wordt ten derde bepaald door een beperking aan corrigerende interpretatie vanwege haar resultaat. Dat dit vergelijkbaar is met billijkheidsuitzonderingen, brengt volgens mij met zich dat hiervoor vergelijkbare constitutionele eisen (moeten) gelden. Net zoals bij uitzonderingen moet onderscheid gemaakt worden tussen formele en lagere wetgeving.
Waar uitzonderingen op formele wetgeving volgens de Hoge Raad slechts toegepast mogen worden vanwege niet-verdisconteerde omstandigheden,11 wordt in de jurisprudentie en de literatuur weinig aandacht besteed aan de constitutionele eisen aan wetsinterpretatie. Een zeldzaam voorbeeld is een verwijzing van Van Houten en Groenewegen naar een passage in de grondwetsgeschiedenis waarin de regering stelt dat zij ‘het niet bij voorbaat uitgesloten [acht], dat de rechter bij het vinden van de juiste uitleg tevens relevante grondwetsbepalingen in zijn overwegingen betrekt’, maar dat het ‘ongrondwettig [zou] zijn langs de weg van de interpretatie de onschendbaarheid van de wet aan te tasten’.12 Dat lijkt mij juist. Dat de rechter door een uitleg het oordeel van de wetgever over verenigbaarheid van de wet met de Grondwet – of het ongeschreven recht – zou mogen doorkruisen, terwijl hij dat niet mag door een uitzondering, zou de ongerijmde consequentie hebben dat interpretatie de rechter meer vrijheid zou bieden ten opzichte van de bedoeling van de wet(gever) dan uitzonderingen. Door wetstoepassing zou de rechter via de achterdeur van de interpretatie wetgeving kunnen uithollen op een wijze die de Hoge Raad in het Harmonisatiewetarrest uitdrukkelijk niet toegestaan acht. Volgens mij moet daarom bij corrigerende interpretatie dezelfde eis worden gesteld als bij ongeschreven en wettelijke uitzonderingen: dergelijke interpretaties mogen slechts worden gemaakt vanwege door de wetgever niet-verdisconteerde omstandigheden, opdat zij het oordeel van de wetgever over de verenigbaarheid van wetstoepassing in het concrete geval met het ongeschreven recht niet doorkruisen.13
Ook voor corrigerende interpretatie van lagere wetgeving gelden dezelfde constitutionele eisen als voor het buiten toepassing laten ervan.14 Lagere wetgeving mag zodoende ook corrigerend worden uitgelegd vanwege reeds verdisconteerde omstandigheden, zolang de rechter hierin maar terughoudend is (vanwege zijn positie in het Nederlandse staatsbestel, die ook uit artikel 11 Wet AB blijkt). Omdat hier de geldigheid van wetgeving ter discussie wordt gesteld, kan hier echter niet worden gesproken over een met een billijkheiduitzondering vergelijkbare interpretatie. Zonder die terughoudendheid mag corrigerend worden geïnterpreteerd vanwege niet-verdisconteerde omstandigheden – zo lang maar wordt gewaarborgd dat de formulering van de wet niet betekenisloos wordt.
d. Afsluitend over constitutionele beperkingen van (corrigerende) interpretatie
Gekunstelde interpretaties behoren zoveel mogelijk te worden voorkomen. Boven een gekunstelde corrigerende interpretatie heeft in de regel een uitzondering de voorkeur. Daarom zijn billijkheidsuitzonderingen niet overbodig. Ook interpretaties die afwijken van de bedoeling van de wetgever zijn in beginsel onwenselijk. Als alléén een gekunstelde interpretatie overeenstemt met die bedoeling, kan dat in uitzonderlijke gevallen reden zijn om een gekunstelde interpretatie te aanvaarden. Die conclusie mag niet te gemakkelijk worden getrokken (zeker als de interpretatie op gespannen voet staat met het legaliteitsbeginsel). Corrigerende interpretatie heeft met billijkheidsuitzonderingen vergelijkbare resultaten, waardoor ook hieraan de constitutionele eisen van uitzonderingen gesteld moeten worden.