De woon- en vestigingsplaats in de BTW
Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/5.2.2:5.2.2 De Wet op de Omzetbelasting 1968 (regeling tot en met 1978)
Archief
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/5.2.2
5.2.2 De Wet op de Omzetbelasting 1968 (regeling tot en met 1978)
Documentgegevens:
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS396453:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de Wet OB 1969 (tekst tot en met 1978)1 wordt de woon- en vestigingsplaats eveneens gebruikt bij de regeling voor de plaats van dienst. Art. 6, tweede lid, Wet OB 1968 (tekst tot en met 1978) luidt:
“De plaats waar een dienst wordt verricht, is:
ingeval de dienst wordt verricht door een ondernemer die binnen het Rijk woont of is gevestigd, de plaats waar de ondernemer woont of is gevestigd.
ingeval de dienst wordt verricht door een ondernemer die niet binnen het Rijk woont of is gevestigd:
vanuit een binnen het Rijk gelegen vaste inrichting, de plaats waar die inrichting is gelegen
niet vanuit een binnen het Rijk gelegen vaste inrichting aan een binnen het Rijk wonende of gevestigde ondernemer of een aldaar gevestigd lichaam in de zin van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (Stb. 1959, 301) de plaats waar die ondernemer of dat lichaam woont of is gevestigd;
in andere gevallen de plaats waar de dienst feitelijk wordt verricht.”
Art. 6, derde lid, Wet OB 1968 (tekst tot en met 1978) kent een bijzondere regeling voor vervoersdiensten. Deze diensten zijn belast daar waar het feitelijke vervoer plaatsvindt. Op basis van tabel II, post b.5 Wet OB 1968 (tekst tot en met 1978) geldt een nultarief indien een dienst ingevolge de bepaling van art. 6, tweede lid, onderdeel a of onderdeel b, ten eerste, Wet OB 1968 (tekst tot en met 1978) is belast in Nederland, maar wordt verricht aan een persoon die niet in Nederland woont of is gevestigd en in Nederland geen vaste inrichting heeft. Heeft deze persoon of een ander echter het genot van de dienst binnen Nederland dan geldt het nultarief niet. Indien een prestatie op grond van art. 6, tweede lid, onderdeel b, ten tweede, Wet OB 1968 (tekst tot en met 1978) belast is in Nederland wordt de heffing op grond van art. 12, eerste lid, Wet OB 1968 (tekst tot en met 1978) verlegd naar de afnemer. Een prestatie die wordt verricht aan een Nederlandse vaste inrichting van een buitenlandse ondernemer valt niet onder de regeling van art. 6, tweede lid, onderdeel b, ten tweede, Wet OB 1968 (tekst tot en met 1978). Art. 6, tweede lid, onderdeel b, ten derde, Wet OB 1968 (tekst tot en met 1978) bevat echter een restartikel dat bepaalt dat in alle andere gevallen een dienst wordt belast daar waar de dienst feitelijk wordt verricht. Ook ingeval een buitenlandse ondernemer zonder een vaste inrichting in Nederland een prestatie verricht aan een Nederlandse vaste inrichting van een buitenlandse onderneming kan deze dus belast zijn in Nederland. De heffing kan echter op grond van art. 12, eerste lid, Wet OB 1968 (tekst tot en met 1978) niet worden verlegd naar de ondernemer met de vaste inrichting in Nederland. Art. 12, eerste lid, Wet OB 1968 (tekst tot en met 1978) grijpt namelijk aan bij de plaats waar degene aan wie de levering of de dienst wordt verricht woont of is gevestigd en niet bij de plaats waar hij een vaste inrichting heeft, zoals in het huidige art. 12, derde lid, Wet OB 1968. In de regeling van art. 6, tweede lid wordt een ondernemer met een vaste inrichting in Nederland voor wat betreft zijn uitgaande prestaties gelijkgesteld met de in Nederland gevestigde ondernemer, maar voor wat betreft inkomende prestaties geldt een andere regeling.
Aan het begrip vaste inrichting zoals dit genoemd wordt in deze bepalingen, is invulling gegeven in de resolutie van 29 juni 1970.2 Deze resolutie geeft in de eerste plaats aan dat aan het begrip vaste inrichting de gedachte ten grondslag ligt dat ook niet binnen Nederland wonende of gevestigde ondernemers op dezelfde wijze als binnenlandse ondernemers in de heffing van omzetbelasting dienen te worden betrokken indien en voor zover zij in Nederland op overeenkomstige wijze als daar wonende of gevestigde ondernemers aan het maatschappelijk verkeer deelnemen. Vervolgens geeft de resolutie een definitie van het begrip vaste inrichting. Hieronder dient te worden verstaan: een duurzaam geëxploiteerde bedrijfsinrichting, deel uitmakend van een in het buitenland gevestigde onderneming, van waaruit leveringen van goederen en/of diensten jegens derden plegen te worden verricht, zulks voor rekening en risico van de in het buitenland wonende of gevestigde ondernemer. Voorbeelden van dergelijke inrichtingen zijn: een fabriek, een werkplaats, een verkoopruimte of soortgelijke inrichting. Onder het begrip vaste inrichting valt volgens de resolutie niet een ruimte welke uitsluitend voor reclamedoeleinden, het verstrekken en/of inwinnen van inlichtingen, het verrichten van onderzoeken of een ander gelijk doel wordt gebezigd. Ook het voor een buitenlandse ondernemer optreden als consignatiehouder of enkel in opdracht van die ondernemer goederen in opslag nemen, levert geen vaste inrichting van de buitenlandse onderneming in Nederland op. Het ontmoet, zo vervolgt de resolutie, echter geen bezwaar van dit laatste af te wijken in bijzondere gevallen waarin het depot in feite als een bedrijfsinrichting van de buitenlandse ondernemer fungeert. Er moeten dan tevens bescheiden, (kopieën van) facturen of verzendingsnota’s voorhanden zijn die betrekking hebben op de inkomende en vanuit het depot aan derden geleverde goederen waaruit een juist beeld wordt verkregen van de voor de toepassing van de omzetbelastingwetgeving van belang zijnde feitelijke omstandigheden. Ten slotte vermeldt de resolutie dat een dochtermaatschappij in beginsel dient te worden beschouwd als een afzonderlijke ondernemer en niet kwalificeert als vaste inrichting van de buitenlandse moedermaatschappij.
De invulling van het begrip vaste inrichting in de resolutie kent veel overeenkomsten met de invulling dat aan dit begrip wordt gegeven in het OESO-Modelverdrag (het OESO-Modelverdrag komt uitgebreider aan de orde in paragraaf 6.4.4). In dit geval is de tekst uit 1963 van belang. Art. 5, eerste lid, OESO-Modelverdrag 1963 bestempelt als vaste inrichting “a fixed place of business in which the business of the enterprise is wholly or partly carried on”. De zinsnede ‘a fixed place of business’ kan afgezet worden tegenover de zinsnede uit de resolutie ‘een duurzaam geëxploiteerde bedrijfsinrichting’, terwijl de zinsnede ‘in which the business of the enterprise is wholly or partly carried on’ kan worden geplaatst tegenover de zinsnede ‘van waaruit leveringen van goederen en/of diensten jegens derden plegen te worden verricht, zulks voor rekening en risico van de in het buitenland wonende of gevestigde ondernemer’. Dat daarbij in de resolutie meer de nadruk wordt gelegd op het verrichten van leveringen of diensten in plaats van het uitoefenen van werkzaamheden houdt verband met het rechtskarakter van de omzetbelasting als verbruiksbelasting (paragraaf 2.2.2). Niet de werkzaamheden van de ondernemer als zodanig, maar zijn leveringen en diensten worden in de heffing betrokken om op die manier het verbruik van consumenten te belasten. Ook de in de resolutie genoemde voorbeelden van vaste inrichtingen: de fabriek, de werkplaats en de verkoopruimte, zien we min of meer terug in art. 5, tweede lid, OESO-Modelverdrag 1963 die als voorbeelden van een vaste inrichting geeft: a place of management, a branch, an office, a factory, a workshop en a mine quarry or other place of extraction of natural resources. Dein de resolutie genoemde uitzonderingen: een ruimte uitsluitend voor reclamedoeleinden, het verstrekken en/of inwinnen van inlichtingen of een ander gelijk doel treffen we aan in art. 5, vierde lid, OESO-Modelverdrag 1963.