Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/13.4.3.2
13.4.3.2 In beginsel: hoofdelijkheid
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS367616:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Idem (waarschijnlijk) Nieuwe Weme 2004, p. 2, die enkel opmerkt dat het verplicht bod een bijzonder aanbod is, omdat het wordt uitgebracht krachtens “een verbintenis” en Grundmann-van de Krol 2008, p. 981.
Zie voor de discussie terzake Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012/8-11.
Dat art. 5:70 lid 1 Wft niet uitdrukkelijk van hoofdelijke aansprakelijkheid of verbondenheid spreekt is geen beletsel. Hoewel soms lijkt te worden aangenomen dat van hoofdelijkheid slechts sprake is indien dat er met zoveel woorden staat (zie bijvoorbeeld Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012/102), moet verder worden gekeken dan enkel de letterlijke tekst van de wet, idem Biermans, Verbintenissenrecht (Groene Serie), art. 6:6, aant. 8.1.
In het kader van de hierna te bespreken vrijstelling van art. 5:71 lid 1 sub h Wft merkte de Minister op dat het niet nodig is “de” biedplicht op alle personen te leggen, zie Kamerstukken II, 2005/06, 30 419, nr. 3, p. 29.
Algemeen wordt aangenomen dat geldvorderingen deelbare prestaties zijn, zie bijvoorbeeld Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012/104.
Idem.
Die vrijstelling rechtvaardigt de conclusie dat er in beginsel sprake is van hoofdelijkheid, maar andersom rechtvaardigt die hoofdelijkheid niet meteen de vrijstelling. Uitgaande van hoofdelijkheid is in beginsel sprake van meerdere schuldenaren, die ieder voor het geheel kunnen worden aangesproken. De Minister acht dit als gezegd “niet nodig”. Onduidelijk is wat hiermee wordt bedoeld. In ieder geval is niet terecht de vrees dat er samenloop ontstaat van biedplichten. Uiteindelijk zal er maar een verplicht bod worden uitgebracht; nakoming door een van de hoofdelijke schuldenaren, heeft tot gevolg dat de rest op grond van art. 6:7 lid 2 BW is bevrijd. Zie nader hierover § 15.2.5.
Vgl. Van Boom 1999, p. 25 e.v.
Zie voor die situatie De Serière 2008, p. 272, die bepleit dat in zo’n geval de toezichthouder een bevel moet kunnen opleggen tot het afbouwen van het belang.
Uiteraard is het wel mogelijk dat er een tweede samenwerkingsverband is dat ook overwegende zeggenschap verwerft; in dat – vrij uitzonderlijke – geval kan er wel samenloop van biedplichten zijn.
Vgl. HR 2 november 2001, NJ 2002/24; JOR 2002/3 (invorderingszaak).
Zie nader Harryvan 2012, p. 6-7.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012/122, die wijzen op een geval waarbij werd aangesloten bij de onderlinge marktaandelen van een aantal aangesproken farmaceutische bedrijven. Bij de hoofdelijke aansprakelijkheid wegens schending van het mededingingsrecht wordt daar bijvoorbeeld ook naar gekeken. Bedacht moet wel worden dat de voor dit soort gevallen geldende maatstaf van art. 6:102 jo 6:101 BW een andere is dan die van art. 6:10 BW; eerstgenoemde bepaling ziet enkel op verbintenissen uit onrechtmatige daad.
Idem De Brauw, Toezicht Financiële Markten (Groene Serie), art. 1:1, aant. 546.11.1.
Eerder kwam al uitgebreid aan de orde dat in beginsel de stemrechten van partijen die in onderling overleg handelen wederzijds aan elkaar worden toegerekend (§ 12.2.3.3). Indien het gezamenlijke belang 30% of meer van de stemrechten van de doelvennootschap beloopt, verkrijgt ieder van de samenwerkende partijen overwegende zeggenschap en ontstaat er in beginsel voor elk van hen een biedplicht op grond van art. 5:70 lid 1 Wft.
Eerst zal moeten worden vastgesteld of er sprake is van een verbintenis waarop boek 6 BW van toepassing is; als dat niet zo is, dan is er ook geen hoofdelijkheid (sub I). Vervolgens analyseer ik waarom er in mijn ogen wel sprake is van hoofdelijkheid (sub II) en wat daarvan de gevolgen zijn (sub III).
I. Verbintenis of rechtsplicht?
De biedplicht vormt mijns inziens een verbintenis in de zin van boek 6 BW omdat zij uit de wet voortvloeit zoals bedoeld in art. 6:1 BW.1 Bovendien is er sprake van een vermogensrechtelijke betrekking tussen twee of meer personen, krachtens welke de een jegens de ander tot een prestatie gerechtigd is en deze jegens gene tot die prestatie verplicht is.2 Omdat de verplichting tot het uitbrengen van een openbaar bod jegens een bepaalde groep belanghebbenden bestaat, is er ook geen sprake van een generieke rechtsplicht, hetgeen volgens sommige schrijvers tot diskwalificatie als verbintenis moet leiden.3
II. Grondslag
Naar mijn mening is bij de biedplicht wegens acting in concert sprake van hoofdelijke verbondenheid voortvloeiend uit de wet in de zin van art. 6:6 lid 2 BW. Uit art. 5:70 lid 1 Wft volgt immers dat partijen die in onderling overleg handelen en uit dien hoofde overwegende zeggenschap verwerven ten aanzien van een zelfde schuld ieder voor het geheel aansprakelijk zijn zoals bedoeld in art. 6:6 BW.4 Er ontstaan in ieder geval niet meerdere biedplichten naast elkaar.5 Evenmin ontstaat er een gezamenlijke biedplicht (§ 12.2.3.2). Daarnaast is verdedigbaar dat het voldoen aan de biedplicht een ondeelbare prestatie vormt in de zin van art. 6:6 lid 2 BW. Weliswaar is de betaling van de biedprijs – hetgeen de kern vormt van het openbaar (aan)bod – een deelbare prestatie6, maar het uitbrengen van een bod behelst meer dan dat, denk bijvoorbeeld maar aan het laten goedkeuren van een biedingsbericht en het doen van de verschillende in de biedingsregels voorgeschreven mededelingen. Naar het geheel beschouwd moet het uitbrengen van een verplicht openbaar bod derhalve worden gezien als een ondeelbare prestatie.
Ook de Minister lijkt te zijn uitgegaan van hoofdelijkheid, overigens zonder te specificeren wat daarvan de grondslag is. Dit volgt uit de hierna nog te bespreken vrijstelling voor een ieder die gelijktijdig in dezelfde doelvennootschap overwegende zeggenschap verwerft, hetgeen bij acting in concert het geval is7, behalve degene die de meeste stemrechten kan uitoefenen (art. 5:71 lid 1 sub h Wft). Volgens de Minister is het niet nodig om de biedplicht op alle personen te leggen.8,9 Kennelijk is het zo dat dat in beginsel wel het geval is (vgl. § 12.2.3.3).
III. Gevolgen van hoofdelijkheid
Kenmerk van hoofdelijkheid is dat schuldeisers, zijnde de verzoekers genoemd in art. 5:73 lid 1 Wft (§ 16.3.3.3 sub IV), in beginsel keuzevrijheid hebben wie zij aanspreken.10 Ieder van de samenwerkende partijen is immers aansprakelijk voor het geheel (sub II). Zo kan in geval van niet-nakoming, bijvoorbeeld omdat de aangesproken partij het bod niet kan financieren11, een van de andere deelnemers worden aangesproken. De keuzevrijheid van verzoekers laat onverlet dat er uiteindelijk slechts één bod hoeft te worden uitgebracht. Indien een van de samenwerkende partijen, partijen gezamenlijk of een derde een verplicht bod uitbrengt, is de rest bevrijd als gevolg van art. 6:7 lid 2 BW (zie nader § 13.4.3.4). Een scenario met verschillende, parallelle verplichte biedingen doet zich dus niet voor.12
Het tot het opleggen van de biedplicht strekkende verzoekschrift aan de OK zoals bedoeld in art. 5:73 lid 1 Wft kan zich dus richten tot ieder van hen. Verzoekers zijn niet verplicht het verzoek tot alle samenwerkende partijen te richten enkel en alleen omdat er sprake is van hoofdelijkheid; het exceptio pluris litis consortium-verweer zal dan ook niet slagen.13 In verzoekschriftprocedures, wordt dit verweer overigens sowieso niet erkend.14
Bij hoofdelijkheid wordt de (interne) draagplicht bepaalt door de algemene regels uit het verbintenissenrecht, tenzij partijen hiervan afwijken. De hoofdelijke schuldenaren zijn, ieder voor het gedeelte van de schuld dat hen in hun onderlinge verhoudingen aangaat, verplicht in de schuld en de kosten bij te dragen (art. 6:10 BW). De omvang van ieders aandeel hangt af van de bijzondere omstandigheden van het concrete geval.15 Daarbij zal de rechter – naast een eventuele partijafspraak – vermoedelijk vooral kijken naar het aandeel binnen het samenwerkingsverband.16 Om ingewikkelde, tijdrovende procedures te vermijden verdient het aanbeveling hierover bij voorbaat afspraken te maken.17