De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.3.5:4.3.5 Samenvatting en conclusies
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.3.5
4.3.5 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS383693:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De stichting wordt van oudsher niet alleen gebruikt voor private doeleinden, zoals het beheer van (familie)vermogen, maar ook voor “vrome” of “liefdadige” doelen, zoals armenzorg of ziekenzorg. Vanaf de jaren ’30 en ’40 van de vorige eeuw werden stichtingen met steeds meer uiteenlopende doelstellingen opgericht, zoals stichtingen met wetenschappelijke en culturele doeleinden. Ook de overheid ging gebruik maken van de stichting in de uitoefening van haar overheidstaak. Stichtingen werden voorts gebruikt als in- en verkoopbureaus, researchstichtingen en als houdster van prioriteitsaandelen.
Ten tijde van de WS 1956 was nog weinig ervaring opgedaan met verschillende soorten stichtingen. Niet iedereen was het aanvankelijk eens met het brede gebruik van de stichting. Desalniettemin werden in de WS 1956 – in lijn met de inmiddels ingezette ontwikkeling in de praktijk – de werkzaamheden van de stichting nauwelijks begrensd. Het gebruik van de stichting werd niet beperkt tot ideële of op het algemeen belang gerichte doeleinden. Ook heden ten dage zijn, afgezien van het feit dat het doel niet mag inhouden “het doen van uitkeringen” en niet in strijd mag zijn met de openbare orde, door de wetgever geen nadere vereisten gesteld aan het doel van een stichting.
Het statutaire stichtingsdoel dient, net als andere bepalingen uit de statuten die van belang zijn voor derden, in beginsel objectief uitgelegd te worden. De bedoeling van de oprichter is, als het doel duidelijk is, in beginsel niet relevant. Wanneer de taalkundige uitleg van het doel echter niet eenduidig is, zal het bestuur het doel moeten uitleggen. Daarbij dient het bestuur uit te gaan van het belang van de stichting, waarbij rekening gehouden dient te worden met alle betrokken belangen, waaronder het belang van de oprichter.
De doelomschrijving van de stichting wordt vastgelegd in de statuten en blijkt niet alleen uit het artikel waarin het hoofddoel is omgeschreven, maar kan ook volgen uit andere onderdelen van de statuten, zoals de naam van de stichting en in de statuten geformuleerde ondersteunende subdoelstellingen.
Bestuurders en leden van de raad van toezicht van een stichting dienen zich bij de uitoefening hun taak te laten leiden door het te verwezenlijken stichtingsdoel. De voorname rol van het statutaire doel volgt uit de wettelijke omschrijving van de stichting: de stichting beoogt met behulp van een daartoe bestemd vermogen een in de statuten vermeld doel te verwezenlijken (artikel 2:285 lid 1 BW).
Vanwege het feit dat het bestuur en de raad van toezicht – indien deze is ingesteld – zich primair richten op (toezicht op) verwezenlijking van het stichtingsdoel, is het mijns inziens van belang dat de statutaire doelomschrijving duidelijk omschreven is en dat het doel enigszins geconcretiseerd is. Dat geeft zowel het bestuur als de raad van toezicht een duidelijk richtsnoer. Dit richtsnoer is vanwege het ontbreken van leden of aandeelhouders, die het bestuur en de raad van toezicht kunnen corrigeren, des te belangrijker. Bovendien wordt het bestuur van een stichting met een concrete doelomschrijving meer aan banden gelegd bij het aanwenden van het stichtingsvermogen.