HR, 05-11-2021, nr. 19/05453
ECLI:NL:HR:2021:1653
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-11-2021
- Zaaknummer
19/05453
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:1653, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑11‑2021; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2019:4007
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑01‑2020
- Vindplaatsen
V-N 2021/48.14 met annotatie van Redactie
FED 2022/7 met annotatie van E. THOMAS
NLF 2021/2260 met annotatie van Fleur Kossen
NTFR 2021/3874 met annotatie van mr. I. van Wijk
Viditax (FutD) 2021110508
FutD 2021-3398
Uitspraak 05‑11‑2021
Inhoudsindicatie
-
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/05453
Datum 5 november 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 oktober 2019, nrs. 19/00262 en 19/002631., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 17/8220 en BRE 17/8221) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2013 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de voor dat jaar opgelegde aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, en de bij die aanslagen gegeven beschikkingen inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door R.H.J. Wildenburg, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van het middel
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende is in augustus 2012 gewond geraakt bij een ongeval. Het bedrijf waarvan een werknemer het ongeval had veroorzaakt, was tegen de gevolgen van het ongeval verzekerd. De desbetreffende verzekeringsmaatschappij heeft de aansprakelijkheid erkend. Vooruitlopend op een definitieve schaderegeling heeft zij vanaf 2012 aan belanghebbende voorschotbetalingen op de uiteindelijk uit te keren schadeloosstelling verstrekt.
2.1.2
Vanwege onduidelijkheid over de totale schadeomvang heeft belanghebbende in september 2014 met de verzekeringsmaatschappij een regeling getroffen ter finale afwikkeling van de schadeclaim. Eveneens is belanghebbende met de verzekeringsmaatschappij een belastinggarantie overeengekomen. Deze heeft uitsluitend betrekking op de eventuele belastbaarheid van de schadevergoeding voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV). Op grond van de belastinggarantie neemt de verzekeringsmaatschappij de (eventuele) over de schadevergoeding verschuldigde IB/PVV voor haar rekening. De garantie vermeldt met betrekking tot kosten van beroepsprocedures:
“dat alle kosten, die aan deze bezwaarschriften-, respectievelijk beroepsprocedures verbonden zijn, voor rekening komen van de verzekeraar”.
2.2.1
Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende, over de belastbaarheid van de in 2013 aan belanghebbende verstrekte voorschotbetalingen bedoeld in 2.1.1, gegrond verklaard en de beide aanslagen en de bijbehorende beschikkingen inzake belastingrente verminderd.
2.2.2
Het Hof heeft verder geoordeeld dat er desondanks geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het voor het hoger beroep betaalde griffierecht en de voor het hoger beroep gemaakte proceskosten geheel of gedeeltelijk vergoedt. Uit de door de verzekeringsmaatschappij gegeven belastinggarantie blijkt namelijk, aldus het Hof, dat kosten van deze (hoger)beroepsprocedure voor rekening van de verzekeringsmaatschappij zullen komen. Het Hof heeft aannemelijk geacht dat daaronder proceskosten zoals bedoeld in artikel 8:75 Awb alsmede het Besluit proceskosten bestuursrecht en betaalde griffierechten worden begrepen. Daarom heeft belanghebbende volgens het Hof geen kosten.
2.3.1
Onderdeel III van het middel is gericht tegen het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof. Het middelonderdeel betoogt dat het feit dat een derde zich tegenover een procespartij garant heeft gesteld voor het betalen van diens (proces)kosten, niet impliceert dat die procespartij in de relatie tot haar wederpartij de bewuste kosten niet heeft gemaakt.
2.3.2
Indien een derde beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend en daaraan kosten voor de belanghebbende zijn verbonden, staat aan toekenning van een vergoeding van die kosten op de voet van artikel 8:75 Awb niet in de weg dat de belanghebbende met een derde heeft afgesproken dat die deze kosten voor zijn rekening neemt. Artikel 8:75 Awb bevat namelijk geen eis wat betreft de persoon die deze kosten heeft moeten dragen. Hetzelfde heeft te gelden voor de vergoeding van het betaalde griffierecht op de voet van artikel 8:74 Awb. Het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt in zoverre.
2.3.3
Voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van het middel voor het overige is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De stukken van het geding laten geen andere slotsom toe dan dat aan belanghebbende in het geding voor het Hof beroepsmatig rechtsbijstand is verleend. Aangezien de Inspecteur het tegendeel niet heeft gesteld, dient dan ervan te worden uitgegaan dat aan die rechtsbijstand voor belanghebbende kosten zijn verbonden, in die zin dat op hem een verplichting rust of zal komen te rusten om kosten ter zake van de verleende rechtsbijstand te voldoen.2.Verder blijkt uit de uitspraak van het Hof dat van belanghebbende griffierecht is geheven in de zaak met het hofkenmerk 19/00262. Gelet op dit een en ander zal de Inspecteur worden veroordeeld in de zojuist bedoelde kosten van rechtsbijstand en zal hem worden opgedragen het voor het hoger beroep betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar alleen voor zover deze uitspraak betrekking heeft op de beslissingen met betrekking tot de proceskosten en het griffierecht,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 128,
- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft betaald van € 128,
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.496 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.496 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2021.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 05‑11‑2021
Zie HR 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0531, rechtsoverweging 3.3.3.
Beroepschrift 15‑01‑2020
Datum: 15 januari 2020
BEROEPSGRONDEN IN CASSATIE
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te 's‑Gravenhage (belastingkamer)
[Hoge Raad der Nederlanden
PDA
Ingekomen]
[16 JAN. 2020]
[Behandelaar:]
[X]
wonende te [Z],
verzoeker tot cassatie
tegen:
de Inspecteur van de Belastingdienst
hierna: de Inspecteur
Bij pro forma beroepschrift in cassatie van 3 december 2019 heeft verzoeker, verder te noemen: ‘[X]’, beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak (verder: ‘Uitspraak’) van de meervoudige belastingkamer van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch (verder: ‘Hof’) van 24 oktober 2019 (met kenmerken: 19/00262 en 19/00263).
Bij brief van 11 december 2019 is [X] in de gelegenheid gesteld binnen zes weken na 11 december 2019 de gronden voor het ingestelde cassatieberoep aan te vullen. Langs deze weg wenst [X] van de hem geboden gelegenheid gebruik te maken.
Middel
[X] voert tegen de Uitspraak het volgende middel van cassatie aan:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt, doordat het Hof in rov. 4.8 tot en met 4.12 en (voortbouwend) rov. 4.13 en rov. 5, en rov. 4.15 en (voortbouwend) rov. 5 van de Uitspraak heeft overwogen en beslist als in de bestreden Uitspraak is weergegeven, een en ander om de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen redenen.
Inleiding
Kern van de zaak en kernvragen in cassatie
Deze zaak gaat in de kern over de vraag hoe de fiscus dient om te gaan met letselschadevergoedingen die worden voldaan in de vorm van een eenmalig lumpsumbedrag, en die (dus noodzakelijkerwijs) zijn gebaseerd op de resultaten — op een bepaald peilmoment — van onderhandelingsdynamieken, schattingen en inschattingen van goede en kwade kansen ten aanzien van de toekomst. De hoofdvraag valt uiteen in twee principiële subvragen: (1.) Hoe dient de bewijs(leverings)last er in een dergelijk geval uit te zien? En (2.): Kan met het oog op de vraag naar fiscale belastbaarheid op goede gronden een onderscheid worden gemaakt tussen tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid, en zo ja, op welke wijze, op basis van welk dogmatisch fundament en beoordeeld naar welk ijkmoment?
Feiten
1.
In cassatie kan — al dan niet veronderstellenderwijs — van de volgende feiten worden uitgegaan.
2.
Sinds 1995 exloiteert [X] als zelfstandig ondernemer een autobedrijf, genaamd ‘[A]’. Op 7 augustus 2012 overkomt [X] een ongeval. Een werknemer van [B] rijdt met de auto over de rechtervoet van [X]. Als gevolg daarvan loopt [X] letsel op aan zijn rechtervoet, — enkel en -been.
3.
Achmea erkent als WAM-verzekeraar van [B] aansprakelijkheid voor het ongeval. Achmea schakelt een schaderegelaar in die [X] meermaals bezoekt. Vooruitlopend op een definitieve schaderegeling worden in 2012 en 2013 voorschotbetalingen door Achmea verstrekt (ter hoogte van een totaalbedrag van € 32.500,--).
4.
Medio 2014 komen [X] en Achmea overeen de zaak definitief te regelen tegen betaling door Achmea aan [X] van een lumpsum schade-uitkering van € 132.500,--. In de vaststellingsovereenkomst van 25 september 2014 staat hierover het volgende te lezen:
‘Alle aanspraken van benadeelde op vergoeding van de geleden en in de toekomst nog te lijden materiële en immateriële schade worden door deze vaststellingsovereenkomst vastgesteld op een bedrag van € 132.500,00 (…)’1.
5.
Op dezelfde dag geeft Achmea een belastinggarantie af. In de belastinggarantie wordt overwogen:
‘(…) dat deze belastinggarantie uitsluitend betrekking heeft op de eventuele belastbaarheid van het bedrag van de schadevergoeding wegens vermogensschade, waaronder begrepen verlies van arbeidsvermogen en smartengeld. Mitsdien zal de vraag of er sprake is van belastbaarheid moeten worden beoordeeld naar de situatie zoals deze was op het tijdstip waarop de schadevergoeding is gedaan en uiterlijk naar de situatie op het tijdstip waarop deze overeenkomst is aangegaan.’
6.
Op 2 maart 2015 wordt namens [X] de aangifte IB/PVV en bijdrage Zvw 2013 ingediend. Op de aangifte wordt ‘Spec schadeloosstellingen buiten de fiscale winst’ aangekruist, met vermelding van € 32.500,--, en de volgende toelichting:
‘vergoeding geleden en nog te lijden toekomstige materiële en immateriële schade, vaststellingsovereenkomst 25-09-2014, 2014: € 100.000; uitkerende instantie Achmea.’
7.
Bij brief van 1 februari 2017 laat de Inspecteur aan [X] weten voornemens te zijn afte wijken van de door [X] ingediende aangiften IB/PVV en bijdrage Zvw 2013 (en 2014). Volgens de Inspecteur zou de schade-uitkering van Achmea aan [X] van € 132.500,-- volledig zijn belast in box 1.
8.
In de brief van 1 februari 2017 refereert de Inspecteur aan toelichtende e-mails namens Achmea. In een van die mails (van 14 september 2016) zegt Achmea onder andere:
‘[Het] bedrag [van € 132.500] dient gezien te worden als een lumpsum, waarbij alle onzekerheden zijn verdisconteerd met betrekking tot de gevolgen van het ongeval, waarover discussie was ontstaan en een afkoop voor toekomstige risico's (op verslechtering van het letsel en eventuele toename van schade)’.
En verderop:
‘Bij de begroting van deze schade is — mede gelet op bedoelde onzekerheden — begrijpelijkerwijs en inherent aan de methodiek van schaderegeling uitgegaan van een zekere abstrahering van gegevens enerzijds, terwijl wel gebruik gemaakt is van boekhoudkundige, financiële en fiscale gegevens anderzijds.’
En weer verderop:
‘Wat de arbeidsongeschiktheid van benadeeelde betreft zijn partijen uitgegaan van een mate van arbeidsongeschiktheid die verband houdt met het ongeval en die een blijvend karakter zal hebben. (…) Daarnaast hebben partijen bij de afwikkeling van de schade rekening gehouden met een mogelijke verslechtering van het letsel, waardoor de arbeidsongeschiktheid toe zou kunnen nemen.’
En in een mail van 13 januari 2017:
‘De lumpsum is mede tot stand gekomen op basis van een inschatting van toekomstrisico's, waarbij als gebruikelijk beide partijen bereid zijn offers te brengen in het kader van een schaderegeling tegenfinale kwijting.’
En verderop:
‘[Er ligt] geen concrete becijfering van de lumpsum ten grondslag, hetgeen ook inherent is aan deze manier van schaderegelen. In het algemeen kan ik zeggen dat een benadeelde partij bij gebleken aansprakelijkheid van de laedens zijn schade, zoals die concreet wordt geleden, vergoed krijgt. Waar een concrete wijze van schadebegroting niet mogelijk is, zal de schade moeten worden geschat dan wel abstract dienen te worden begroot. Dat laatste is hier het geval geweest. Benadeelde [X] heeft door het ongeval dermate letsel opgelopen dat hij daarvan niet volledig is hersteld en bovendien bestaat er een risico op verslechtering van de medische toestand in de toekomst. Mocht in dat geval zijn arbeidsvermogen (nog) meer worden aangetast, dan lijdt hij meer schade. Dat risico op het ontstaan van meer schade is door partijen in overleg begroot op een lumpsum en vervolgens meegenomen in een definitieve schaderegeling, die bij wijze van vaststellingsovereenkomst is afgesloten.’
9.
Bij brief van 11 mei 2017 wordt overeenkomstig het oorspronkelijke voornemen van de fiscus een definitieve aanslag opgelegd.
10.
In het kader van de bezwaarprocedure vindt op 3 oktober 2017 een hoorgesprek plaats tussen Achmea en de Inspecteur. Tijdens dit hoorgesprek wordt namens de Inspecteur onder andere de vraag aan Achmea gesteld ‘of je kunt zeggen, dat de schadeloosstelling grotendeels betrekking heeft op de (onzekere) toekomst’. Het antwoord van Achmea luidt bevestigend, met de volgende toelichting:
‘De toekomst, medisch gezien, is onduidelijk. Er is geen afgerond, duidelijk, medisch dossier. De specialist van het ziekenhuis is van mening, dat [X] zal genezen. De fysiotherapeut schrijft, dat [X] beperkingen heeft in zijn functioneren. Er heeft geen verder medisch onderzoek plaatsgevonden.’
11.
Namens Achmea wordt verder toegelicht uit welke vijf schadeposten de schade-uitkering bestaat:
- —
immateriële schade (€ 15.000), ‘tot stand gekomen middels het smartegeldboek en precedentvergelijking (de rechter). Er is geen smartegeldformule toegepast’;
- —
materiële schade en medische hulp (€ 7.500): ‘Het is bijvoorbeeld schade aan kleding, vervoerskosten, reiskosten, eigen risico en eigen bijdrage ziektekostenverzekering. Het is persoonlijke schade. Voor nu en in de toekomst. Schade die is geleden voor persoonlijke rekening. Dit betreft een schatting van het verleden, maar ook voor de toekomst. De schade is niet concreet begroot.’
- —
huishoudelijke hulp (€ 10.000): ‘Het betreft kosten in het huis. Activiteiten binnen het gezin, die door de gezinsleden worden opgevangen. Hiervoor zijn richtlijnen van de Letselschaderaad. In de casus van [X] is dit bedrag echter geschat’.
- —
verlies van zelfwerkzaamheid (€ 10.000): ‘Het betreft werkzaamheden rondom het huis. De tuin. Klussen rondom het huis. De dakgoot schoonmaken. Het huis schilderen. Hier zijn richtlijnen voor.’
- —
verlies aan arbeidsvermogen (€ 90.000). ‘Het is een ‘lumpsum’ schadeloosstelling. Het betreft verlies om te arbeiden. Het is een afkoopsom voor toekomstige risico 's. [X] wilde een compromis. Hij zag af van verder medisch onderzoek.’
12.
De Inspecteur laat bij brief van 14 november 2017 aan [X] weten dat diens bezwaar wordt afgewezen.
Procedure
13.
[X] heeft zich met deze uitkomst niet kunnen verenigen en heeft beroep ingesteld tegen de door de Inspecteur opgelegde aanslagen. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 4 april 2019 uitspraak gedaan. Voor zover in cassatie relevant, oordeelt de rechtbank dat [X] de post ‘immateriële schade’ (ter hoogte van € 15.000) voldoende aannemelijk heeft gemaakt (rov. 2.14). De post ‘vermogensschade’ is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt tot een bedrag van € 5.000 (van de in totaal gestelde € 7.500 — rov. 2.17). De posten ‘huishoudelijke hulp’ en ‘verlies aan zelfwerkzaamheid’ zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt (rov. 2.20 en 2.23). Ten aanzien van de post ‘verlies van arbeidsvermogen’ stelt de rechtbank voorop dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen blijvende arbeidsongeschiktheid (onbelast) en tijdelijke arbeidsongeschiktheid (belast) (rov. 2.25). Naar het oordeel van de rechtbank heeft [X] voor een bedrag van € 10.000 aannemelijk gemaakt dat sprake is van blijvend verlies van arbeidskracht (rov. 2.29). De Inspecteur wordt veroordeeld in de kosten van de procedure (rov. 2.34).
14.
Het Hof bekrachtigt het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de posten (‘immateriële schade’), ‘vermogensschade’, ‘huishoudelijke hulp’ en ‘verlies van zelfwerkzaamheid’ (rov. 4.9). Ten aanzien van de post ‘verlies van arbeidsvermogen’ oordeelt het Hof — met overneming van de door de rechtbank vooropgestelde maatstaf — dat [X] (niet slechts voor een bedrag van € 10.000 maar) voor een bedrag van € 20.000 aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van blijvend verlies van arbeidskracht (rov. 4.12). Hoewel het beroep van [X] (dus) gegrond wordt verklaard, legt het Hof geen proceskostenveroordeling op aan de Inspecteur, gelet op de door Achmea aan [X] afgegeven belastinggarantie (rov. 4.15).
15.
[X] komt met een drietal rechts- en motiveringsklachten op tegen (de rechtsopvattingen die ten grondslag liggen aan) deze oordelen van het Hof.
Onderdelen
I. Bewijsrisico en bewijs(leverings)lastverdeling
Het eerste middelonderdeel — dat uiteenvalt in drie subonderdelen — ziet op de door het Hof in rov. 4.8 vooropgestelde en in rov. 4.9 e.v. toegepaste bewijs(leverings)lastverdeling.
I A. Bewijs(leverings)last
In rov. 4.8 overweegt het Hof dat ‘in een geval als het onderhavige waarin een vaststellingsovereenkomst is gesloten en waarbij een lumpsum schade-uitkering wordt bedongen ten gevolge van een bedrijfsongeval het aan belanghebbende is om feiten en omstandigheden aan te dragen die tot de conclusie kunnen leiden dat de schade-uitkering (in zoverre) onbelast dient te blijven. Belanghebbende,’ zo vervolgt het Hof, ‘is namelijk de meest gerede partij aangezien hij met zijn advocaat de onderhandelingen met Achmea heeft gevoerd en derhalve — in tegenstelling tot de Inspecteur — inzicht heeft gehad in de opbouw en omvang van eventuele componenten die hebben geleid tot de uiteindelijke schade-uitkering. Ter zitting is immers’, aldus nog steeds het Hof, ‘onweersproken verklaard dat bij dergelijke onderhandelingen ook gesproken wordt over de onderverdeling (op hoofdlijnen) van schadecomponenten om tot een finaal bedrag te komen.’ Het Hof verwerpt in dit kader de stelling van [X] ‘dat de lumpsum schade-uitkering de resultante is van een onderhandelingsproces en dat ook achteraf niet precies is te onderbouwen wat de omvang is van de afzonderlijke schadecomponenten’. [X] is namelijk wel in staat geweest, zo het Hof, ‘om nadat de vaststellingsovereenkomst was gesloten en de Inspecteur om informatie had verzocht’ de verdeling in vijf schadeposten over te leggen. ‘In alle redelijkheid mag dan van hem worden verwacht deze specificatie, na weerspreking door de Inspecteur, nader te onderbouwen, vooral nu’ [X] ‘stelt dat deze onderverdeling is gebaseerd op (herleidbare) ervaringsregels en richtlijnen uit de praktijk’.
Verlies van arbeidsvermogen
Door aldus te overwegen en te oordelen miskent het Hof allereerst dat ten aanzien van de schadecomponent ‘verlies van arbeidsvermogen’ (rov. 4.11 en 4.12) de bewijslast (als zodanig) op de Inspecteur rustte. In cassatie staat immers vast dat sprake is van een vergoeding wegens (al dan niet tijdelijk) verlies van arbeidskracht die op grond van aansprakelijkheid aan [X] is verschuldigd wegens een aan [X] overkomen ongeval. Een dergelijke vergoeding vindt als uitgangspunt niet zozeer haar grondslag in (in het onderhavige geval) de onderneming (van [X] dat ze als daaruit genoten moeten worden aangemerkt.2. Dit betekent concreet dat de last om te bewijzen dat de arbeidsvermogenscomponent van de ongevalsvergoeding in het onderhavige geval wél (geheel of gedeeltelijk) haar grondslag vindt in de onderneming van [X], op de Inspecteur rustte.3.
Het argument dat op voornoemd uitgangspunt in het onderhavige geval een uitzondering dient te worden aangenomen omdat [X] (gelet op de door hem gevoerde onderhandelingen met Achmea) de meest gerede partij zou zijn om het benodigde bewijs te leveren, maakt het voorgaande reeds daarom niet anders (eerder integendeel), nu alle beschikbare en ten aanzien van het arbeidsvermogensverlies relevante informatie uit de onderhandelingsfase reeds in de bezwaarfase aan de Inspecteur ter beschikking was gesteld4., en al die informatie er (bovendien) op duidde dat het (juist) niet de bedoeling van partijen is geweest om de vergoeding voor verlies van arbeidskracht aan te merken als uit de onderneming van [X] genoten.5. Op zijn minst hadden deze omstandigheden het Hof moeten brengen tot een voorshands bewijsoordeel ten gunste van [X], behoudens door de Inspecteur te leveren tegenbewijs.
Overige schadecomponenten
Ten aanzien van de overige schadecomponenten (rov. 4.9) heeft het Hof miskend dat wanneer een partij naar vermogen de feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die bijdragen aan het door haar te leveren bewijs, het uitgangspunt van de redelijke verdeling van de bewijslast6. meebrengt dat zij in beginsel in de bewijslevering geslaagd is, behoudens door de wederpartij te leveren tegenbewijs.7. Dit geldt zeker wanneer — zoals in het onderhavige geval — bewijs verlangd wordt van feiten die naar hun aard geen nader bewijs toelaten dan het bewijs dat (deels) op basis van schattingen en toekomstprognoses, en deels met (meer of minder indirecte) referte aan (voor zover mogelijk reeds aangevoerde)8. eerdere ervaringen en richtlijnen uit de praktijk is geleverd, tenzij die gestelde feiten onwaarschijnlijk of ongeloofwaardig zijn, hetgeen het Hof in het onderhavige geval niet heeft vastgesteld.9.
I B. Vermogensschade
Het voorgaande vitieert het oordeel van het Hof in rov. 4.9 ter zake van de post ‘vermogensschade’. Het Hof sluit zich hier aan bij het oordeel van de rechtbank. De rechtbank had in rov. 2.17 van de uitspraak van 8 april 2019 overwogen dat [X] mede aan de hand van de gedingstukken aannemelijk heeft gemaakt ‘dat’ hij ten gevolge van het ongeval vermogensschade heeft geleden, maar dat hij ‘niet de omvang van de vermogensschade aannemelijk’ heeft gemaakt. Dit in reactie op het verweer van de Inspecteur dat [X] ‘met onderliggende stukken en berekeningen aannemelijk dient te maken dat hij vermogensschade heeft geleden en, zo ja, tot welk bedrag’ (rov. 2.16).
Door dit oordeel van de rechtbank over te nemen miskent het Hof dat [X] de omvang van de gestelde vermogensschade naar vermogen aannemelijk heeft gemaakt, zeker gelet op het gestelde toekomstige (‘nog te lijden’) schadegedeelte, dat naar zijn aard niet nader kon worden onderbouwd dan is gebeurd. In navolging van de rechtbank heeft het Hof dit toekomstige gedeelte überhaupt niet kenbaar in zijn beoordeling betrokken (wat het oordeel tevens onbegrijpelijk maakt) 10. In ieder geval was in het licht van de aard van de door [X] gestelde (geleden en te lijden) schade een blote ontkenning van de Inspecteur onvoldoende om het bewijsrisico zich te doen realiseren. Het Hof had de vermogensschade in de gestelde omvang (op zijn minst) voorshands bewezen moeten verklaren, behoudens door de Inspecteur te leveren tegenbewijs.
I C. Huishoudelijke hulp en verlies aan zelfwerkzaamheid
In rov. 4.9 overweegt het Hof dat [X] met betrekking tot de punten ‘huishoudelijke hulp’ en ‘verlies aan zelfwerkzaamheid’ in hoger beroep ‘niets nieuws’ heeft aangedragen. Dit oordeel is onbegrijpelijk. [X] heeft immers in appel juist — in de vorm van verwijzingen naar ‘richtlijnen uit de praktijk’ — de ‘nadere’ onderbouwing van de onderverdeling ‘op hoofdlijnen’ gegeven die het Hof zélf in rov. 4.8 van [X] verlangde.11.
Indien en voor zover in het oordeel van het Hof ligt besloten dat de richtlijnverwijzingen van [X] onvoldoende zijn om het bewijsrisico zich niet te doen verwezenlijken, miskent het Hof dat het — gelet op het overwogene in subonderdeel I A van het middel — de schadeposten huishoudelijke hulp en verlies aan zelfwerkzaamheid in de gestelde omvang voorshands bewezen had moeten verklaren, behoudens door de Inspecteur te leveren tegenbewijs.
II. Verschil tijdelijk/ blijvend verlies van arbeidsvermogen
Het tweede middelonderdeel ziet op (de toepassing door het Hof van) het onderscheid tussen ‘tijdelijk’ en ‘blijvend’ verlies van arbeidsvermogen. Het onderdeel valt uiteen in drie subonderdelen.
II A. Het verschil als zodanig
In rov. 4.10 stelt het Hof voorop dat als een schadevergoeding wegens arbeidsongeschiktheid als gevolg van een (bedrijfs)ongeval voor ‘blijvend verlies van arbeidskracht’ wordt toegekend, die vergoeding ‘buiten de inkomenssfeer’ ligt en ‘onbelast’ is. Als de schadevergoeding daarentegen wordt toegekend ter ‘(tijdelijke) vervanging’ van ‘gederfde of te derven winst uit onderneming’, dan is zij belast, aldus het Hof.
Deze vooropstelling gaat om verschillende redenen uit van een onjuiste rechtsopvatting.
Toelichting
In het Smeerputarrest uit 1983 heeft de Hoge Raad vooropgesteld:
‘Dat door een werkgever op grond van diens aansprakelijkheid voor een aan zijn werknemer overkomen ongeval aan deze werknemer betaalde vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht — behoudens bijzondere omstandigheden (…) — niet zozeer hun grond vinden in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt.’ 12.
Deze vooropstelling geldt eveneens voor winst uit onderneming. Uitgangspunt is dus dat een letselschadevergoeding wegens verlies aan arbeidskracht als zodanig losstaat van de bron van inkomsten (een dienstbetrekking of, in het onderhavige geval, een onderneming). Dit is (om meerdere redenen) ook logisch.
Allereerst is arbeidskracht als zodanig geen bron van inkomen. Het verlies ervan is dat dus evenmin. De vraag naar belastbaarheid van een letselschadevergoeding kan dan ook als zodanig pas aan de orde komen als de vergoeding zich (als gevolg van bijzondere omstandigheden) op bronniveau gaat afspelen. 13.
Als uitgangspunt is daarvan echter geen sprake, ook al niet nu het bij de beantwoording van de vraag naar de belastbaarheid van een schadevergoeding gaat om het ‘karakter’ van de vergoeding ‘zoals deze werd verstrekt’.14. En een letselschadevergoeding is in beginsel een persoonlijke, ‘bovenbronnelijke’ tegemoetkoming voor het verlies van arbeidskracht van de werknemer of ondernemer. 15. De schade treft de werknemer of ondernemer tenslotte ook in persoon.16. De dienstbetrekking of de onderneming is niet het ‘werktuig’ waarmee de uitkering is verkregen.17. Het ongeval staat los van werknemers- of ondernemersactiviteiten, althans in ieder geval (in het onderhavige geval) van de onderneming van [X], waarmee (in ieder geval reeds) vaststaat dat de uitkering niet aan een bepaalde bron van inkomen kan worden toegerekend.18. Er heeft geen bron als causa gewerkt.
Het voorgaande geldt a fortiori nu een vergoeding voor inkomensschade van een werknemer of ondernemer als gevolg van een ongeval naar maatschappelijke opvattingen niet als een beloningsvoordeel kan worden gekwalificeerd. De gelaedeeerde werknemer of ondernemer wordt door de laedens schadeloos gesteld enkel en alleen omdat hij door het ongeval zijn beroepswerkzaamheden (al dan niet tijdelijk) niet meer kan verrichten.19.
In overeenstemming met het voorgaande maakt het aan de Wet IB 2001 ten grondslag liggende bronnenstelsel zelf ook geen onderscheid tussen ‘blijvend’ of ‘tijdelijk’ verlies van arbeidskracht. Het gaat enkel en alleen om de vraag naar de relatie als zodanig met een bron van inkomen. Die relatie verandert niet al naar gelang sprake is van tijdelijk of blijvend verlies van arbeidsvermogen.20. Iedere vergoeding wegens arbeidsongeschiktheid is bedoeld ter compensatie van (al dan niet tijdelijke) aantasting van de inkomstenbron en niet ter compensatie van inkomsten uit die bron.21. Anders gezegd: de schadevergoeding compenseert de- al dan niet tijdelijk niet aan te boren- bron van inkomsten als zodanig en niet de inkomsten zelf die eruit werden genoten. Hierbij is irrelevant of de bron definitief is ‘opgedroogd’, tijdelijk geen aanvoer krijgt, of welke beeldspraak iemand ook zou willen bezigen. Beslissend is enkel en alleen dát niets uit de bron komt en dát dus sprake is van een aantasting van arbeidskracht die dient te worden gecompenseerd. Niet meer en niet minder.22.
Al het voorgaande heeft het Hof miskend door zijn vooropstelling in rov. 4.10.
II B. Het peilmoment
Het tweede subonderdeel gaat veronderstellenderwijs uit van de rechtsgeldigheid als zodanig van het door het Hof in rov. 4.10 vooropgestelde onderscheid tussen blijvende en tijdelijke arbeidsongeschiktheid (en dus van het falen van subonderdeel II A). Uitgaande van die veronderstelling is onjuist, althans zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, dat het Hof in (rov. 4.11 en) rov. 4.12 voor de bepaling van de hoogte van de blijvende arbeidsongeschiktheid betekenis toekent aan feiten en gebeurtenissen die dateren van na (het boekjaar van) sluiting van de vaststellingsovereenkomst.
Fiscaal genietingsmoment
Dit volgt allereerst uit het stelsel van de Wet 1B 2001. Artikel 3.25 Wet 1B 2001 bepaalt immers:
‘De in een kalenderjaar genoten winst wordt bepaald volgens goed koopmansgebruik, met inachtneming van een bestendige gedragslijn die onafhankelijk is van de vermoedelijke uitkomst. De bestendige gedragslijn kan alleen worden gewijzigd indien goed koopmansgebruik dit rechtvaardigt.’
Dit artikel verdeelt de totaalwinst, als bedoeld in artikel 3.8 Wet 1B 200123., in kalenderjaren. Het ‘genietingsmoment’ betreft de winst in een geheel kalenderjaar. Dit is het fiscaal relevante peiljaar. Het staat de Inspecteur in beginsel niet vrij om bij de vaststelling van de inkomstenbelasting uit te gaan van een ander (later) boekjaar (of andere, latere boekjaren) dan (de boekjaren) waarvoor de belastingplichtige naar goed koopmansgebruik heeft gekozen.24. In het onderhavige geval zijn dit de jaren 2013 (voorschotten) en 2014 (restbetaling). Latere feiten, gebeurtenissen en omstandigheden (in latere kalenderjaren) kunnen in beginsel geen invloed hebben op het genietingsmoment. De andersluidende en aan het oordeel van het Hof ten grondslag liggende opvatting dat het genietingsmoment gelijke tred dient te houden met het beoordelingsmoment staat haaks op het systeem dat tot uitdrukking komt in de Wet 1B 2001.25.
De aard van de aanslag inkomstenbelasting verzet zich er met andere woorden tegen dat feiten en omstandigheden die zich voordoen na het (de) boekja(a)r(en)- in het onderhavige geval 2013 en 2014 — van invloed zijn op de omvang van de belastbare winst in dat boekjaar/die boekjaren. Het gaat om een tijdvak (in het verleden) en een daaraan verbonden fiscale peildatum. Het is breed aanvaard dat dergelijke situaties — in het sociaal zekerheidsrecht én het belastingrecht — gelden als uitzondering op de heroverweging ex nunc in bezwaar.26.
De aard van de heffingsaanslag verzet zich gelet op het voorgaande dus reeds bij voorbaat tegen het meewegen van posterieure omstandigheden die zicht bieden op de feitelijke ontwikkelingen rondom de blijvend- of tijdelijkheid van de arbeidsongeschiktheid. Op de hypothetische fiscale peildata, in het onderhavige geval 31 december 2013 om 24.00 uur en 31 december 2014 om 24.00 uur, kan maximaal worden uitgegaan van (a) de feiten die daarover op dat moment al bekend waren of (b) redelijkerwijs bekend konden zijn, en (c) een schatting per die peildatum van de toekomstige (tijdelijke/blijvende) invaliditeit.
De civiele component: artikel 6:105 BW
Laatstgenoemd punt — de wetenschap over aard en mate van toekomstige invaliditeit op de fiscale peildatum — wordt in belangrijke mate bepaald, ingevuld of in ieder geval ingekleurd door (in de reeds eerder aangehaalde woorden van de Hoge Raad) het ‘karakter’ van de vergoeding ‘zoals deze werd verstrekt’27.. Zoals uit de in (randnummers 4 e.v. van) dit aanvullend beroepschrift geciteerde passages blijkt (en zoals in cassatie in ieder geval veronderstellenderwijs vaststaat), was het de bedoeling van partijen om de goede en kwade kansen ten aanzien van de aard en mate van toekomstige invaliditeit in een eenmalige lumpsumvergoeding te verdisconteren. Hiermee hebben partijen beoogd aansluiting te zoeken bij artikel 6:105 BW, wat een extra argument voor het Hof had moeten zijn om bij de beoordeling van de belastbaarheid van de aan [X] uitgekeerde lumpsumschadevergoeding geen omstandigheden mee te wegen die niet reeds op het tijdstip van de afweging van de goede en kwade kansen (dus ten tijde van de sluiting van de vaststellingsovereenkomst) of uiterlijk aan het einde van de relevante fiscale boekjaren (2013 en 2014) bekend waren of redelijkerwijs bekend konden zijn. Het door partijen beoogde karakter van de schadevergoeding had het Hof bovendien een (zelfstandig reeds doorslaggevend) argument moeten bieden om (bij veronderstelde geldigheid van het onderscheid tussen tijdelijke en blijvende invaliditeit) het gedeelte ‘verlies van arbeidskracht’ als naar haar aard blijvend te kwalificeren. [X] zal dit toelichten aan de hand van de aan art. 6:105 BW ten grondslag liggende dogmatiek.
Artikel 6:105 BW gaat (voor zover hier relevant) over begroting van toekomstige schade bij voorbaat op basis van een afweging van goede en kwade kansen. De Toelichting Meijers is helder over de status van latere feiten, gebeurtenissen en omstandigheden:
‘Het ontwerp laat daarom de rechter vrij om de invloed die toekomstige onzekere gebeurtenissen in gunstige en ongunstige zin op de omvang van de schade zullen hebben, in de toe te kennen vergoeding te verdisconteren. [… ] Indien een bepaalde schadepost bij gewijsde op een zeker bedrag is begroot, is het duidelijk, dat latere gebeurtenissen die de omvang van de schade beïnvloeden, op de rechten en verplichtingen van partijen geen invloed meer kunnen hebben.’28.
Omstandigheden die zich ná 2013 (en 2014) hebben voorgedaan zijn dus in beginsel niet van invloed op de omvang van de conform artikel 6:105 BW begrote schade. Dit zou uitsluitend anders kunnen zijn als sprake zou zijn geweest van een periodieke uitkering als bedoeld in artikel 6:105 lid 2 BW.29. Een dergelijke situatie doet zich in het onderhavige geval echter niet voor.30.
Dat latere omstandigheden in beginsel (ook) geen invloed meer hebben op de omvang van de toekomstige schade vloeit voort uit het feit dat de schade geacht moet worden feitelijk te zijn geleden op het moment waarop zij wordt begroot:
‘Wordt de inkomensschade begroot op een gekapitaliseerd bedrag ineens (…), dan moet zij geacht worden te zijn geleden op het tijdstip dat bij de kapitalisering als peildatum wordt aangehouden (meestal een tijdstip dat ligt vóórdat het bedrag in rechte wordt vastgesteld), zodat de vordering tot schadevergoeding (alsmede de wettelijke rente daarover) op dat tijdstip opeisbaar wordt. ’31.
In een situatie als de onderhavige, waarin aldus (a.) een eenmalig bedrag is begroot en vastgesteld dat is opgebouwd uit een schatting van (b.) het totale verlies van arbeidskracht voor (c.) het gehele restant van de arbeidzame toekomst van het slachtoffer op (d.) een vaste peildatum, waarmee (e.) vaststaat dat de totale schade geacht moet worden te zijn geleden op het moment van begroting ervan, en waarbij (f.) welbewust is afgezien van mogelijke toekomstige ontwikkelingen, kan de conclusie niet anders luiden dan dat een dergelijk bedrag kwalificeert als een bedrag voor blijvend verlies van arbeidskracht.
Indien de Hoge Raad van oordeel mocht zijn dat het Hof op zichzelf terecht heeft kunnen menen als belastingrechter als zodanig niet aan de civielrechtelijke kwalificaties van de schadevergoeding te zijn gebonden, is het oordeel van het Hof desalniettemin onjuist of onbegrijpelijk, aangezien het Hof nergens kenbaar het karakter van de bewuste schadevergoeding (zoals in het bovenstaande uiteengezet) in zijn oordeel heeft betrokken.
Ontoelaatbaar arbitrair
Los van het voorgaande kan het toekennen — zoals het Hof doet — van betekenis aan feiten en gebeurtenissen die dateren van na (het boekjaar van) sluiting van de vaststellingsovereenkomst niet worden aanvaard omdat het de goedkeuring van een onaanvaardbaar arbitraire wijze van rechtspleging zou impliceren en willekeur of zelfs speculatiegedrag in de hand zou werken. De aard van een uitgekeerde vergoeding voor verlies aan arbeidskracht zou bij een dergelijke stand van zaken in de kern namelijk afhankelijk worden gemaakt van het aangiftegedrag van de belastingplichtige, het reactiegedrag van de Inspecteur en de toevallige voorgang (of het gebrek daaraan) van een bezwaar- en beroepprocedure.
II C. Bedoeling van partijen
Ook het derde en laatste subonderdeel van het tweede middelonderdeel gaat veronderstellenderwijs uit van de rechtsgeldigheid van het door het Hof in rov. 4.10 vooropgestelde onderscheid tussen blijvende en tijdelijke arbeidsongeschiktheid (en dus van het falen van subonderdeel II A). Onder die veronderstelling is de toepassing van genoemd onderscheid in rov. 4.12 (e.v.) onjuist althans onbegrijpelijk zonder nadere toelichting, die ontbreekt. Het Hof besteedt namelijk nergens kenbaar aandacht aan wat hij bij zijn beoordeling tot uitgangspunt had moeten nemen32. : de werkelijke bedoeling van partijen, zoals deze tot uitdrukking komt in bijvoorbeeld de tekst van de vaststellingsovereenkomst, de tekst van de belastinggarantie, en de uitlatingen van Achmea, een en ander zoals weergegeven in de randnummers 4 tot en met 11 van dit aanvullend beroepschrift.33.
III. Proceskostenveroordeling
In rov. 4.15 overweegt het Hof dat, hoewel de hoger beroepen van [X] gegrond zijn, er ‘desondanks geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht dan wel de proceskosten geheel of gedeeltelijk vergoedt.’ Volgens het Hof blijkt namelijk uit een door Achmea afgegeven belastinggarantie dat ‘kosten van onderhavige (hoger) beroepsprocedure voor rekening van Achmea zullen komen’. Om die reden zou [X] zelf ‘geen kosten’ hebben.
Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans is onbegrijpelijk zonder nadere toelichting, die ontbreekt. Het feit dat een derde zich tegenover een procespartij garant heeft gesteld voor het betalen van diens (proces)kosten, impliceert immers niet dat die procespartij in de relatie tot haar wederpartij de bewuste kosten niet heeft gemaakt.
Voor het overige heeft het Hof geen omstandigheden gesteld die zouden kunnen nopen tot het afwijken van de hoofdregel dat bij een gegrondverklaard beroep een kostenveroordeling moet volgen.34. Bij die stand van zaken is het achterwege blijven van een proceskostenveroordeling onjuist althans in ieder geval onbegrijpelijk.
IV. Voortbouwklacht
Het voorgaande vitieert rov. 4.13 en rov. 5 (dictum).
Conclusie
De conclusie is dat de Uitspraak van het Hof dient te worden vernietigd; kosten rechtens.
Advocaat-gemachtigde
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 15‑01‑2020
Onderstrepingen steeds toegevoegd, tenzij anders weergegeven.
HR 29 juni 1983, BNB 1984/2.
Vgl. Conclusie van A-G Niessen bij HR 31 maart 2017, BNB 2017/135, onderdeel 4.11 e.v.
Bij onderdeel II van het middel zal [X] onderbouwen dat en waarom in dit kader geen acht dient te worden geslagen op feitelijke gebeurtenissen van na sluiting van de overeenkomst, behoudens voor zover dergelijke gebeurtenissen een gezichtspunt vormen ter bepaling van de oorspronkelijke bedoeling van partijen. Vgl. in dit kader HofArnhem 14 februari 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BC5464, rov. 4.2.
Zie de randnummers 4 t/m 11 van dit aanvullend beroepschrift.
R.J. Koopman, Bewijslast in belastingzaken (diss. Amsterdam UvA), Deventer: Kluwer 1996 (hierna: Koopmans 1996), par. 3.1. Zie voorts Concl. A-G Niessen, ECLI:NL:PHR:2006:AS4911, bij HR 24 februari 2006, BNB 2006/173, par. 4.2; HofDen Haag 9 maart 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ3467, rov. 6.1; Concl. A-G Niessen, ECLI:NL:PHR:2011:BP2239, bij HR 24 juni 2011, BNB 2011/243 (81 RO), par. 6.2.
Concl. A-G Niessen, ECLI:NL:PHR:2011:BP2239, bij HR 24 juni 2011, BNB 2011/243 (81 RO), par. 6.3.
Het Hof spreekt in rov. 4.8 over ‘(herleidbare) ervaringsregels’. [X] heeft echter slechts gesproken over ‘ervaringen’ — die zich grotendeels in het intuïtieve domein bevinden en in beginsel niet verder herleidbaar ofconcretiseerbaar zijn (zie bijv. proces-verbaal zitting van 21 maart 2019, p. 4 en 5).
Koopman 1996, par. 3.5.1.2.1 en 3.4.2. Vgl. Rb. Noord-Nederland 1 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:986, rov. 3.2.1. Vgl. ook R.M.J.T. van Dort, Personenschade 3090.3.1 ‘Toekomstige schade’: ‘Er kan (…) niet aan worden ontkomen bij de berekening van de toekomstige schade op onderdelen op abstracte basis bepaalde aannames te doen ofte schatten.’
De rechtbank spreekt in rov. 2.17 over het aannemelijk hebben gemaakt dat [X] vermogensschade ‘heeft’ geleden, aangezien uit de stukken blijkt dat [X] medische behandelingen ‘heeft’ ondergaan.
Zie hoger beroepschrift onderdelen 34 t/m 36. Zie ook proces-verbaal zitting van 3 oktober 2019, p. 3. Vgl. ook de toelichtingen van Achmea tijdens het hoorgesprek van 3 oktober 2017 (zoals weergegeven in randnummer 11 van dit aanvullend beroepschrift).
HR29 juni 1983, BNB 1984, 2. Zie ook HR 21 februari 2001, BNB 2001/150.
Noot van Van Dijck bij HR 29 juni 1983, BNB 1984, 2. Zie ook: J.A. Gielink, D.A.T. Schilderman, ‘Begroting van letselschade; de fiscale kant’, in: in: Letselschade en de fiscus, Stichting PIV Den Haag 2002, p. 116, p. 126.
HR 6 oktober 2006, BNB 2008/164.
A.C. Rijkers, ‘Hoofdlijnen fiscale behandeling van vergoedingen voor letselschade’, in: Letselschade en de fiscus, Stichting PIV Den Haag 2002, p. 111.
Zie bijv. A. Hilge en P.L.F. Seegers, ‘De (on)belastbaarheid van letselschade’, WFR 2019/241.
Noot van R.E.C.M. Niessen bij HR l november 2000, BNB 2001/174.
Hof Leeuwarden 22 december 1976, BNB 1978/100.
Th.J.M. van Schendel, ‘Vergoeding van inkomensschade bij een ongeval’, in: WFR 2007/437.
J.E.A.M. van Dijck, ‘Vervanging van inkomsten’, Deventer, FED 1996, p. 68. Zie ook: E. Breedveld, ‘Vergoeding voor letselschade: fiscaal (on)belast?’, in: VR 2016/17.
J. Streefkerk, ‘Recht op Fiscaliteit en schadevergoeding’, in: VR 2008, 7/8, p. 215–216.
Zie bijv. R.H.J. Wildenburg, ‘De (on)belastbaarheid van de letselschade-uitkering: de Hoge Raad houdt koers’, in: TVP 2017, nummer 3.
Artikel 3.8 luidt: ‘Winst uit een onderneming (winst) is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming.de totaalwinst is de gehele winst gedurende het bestaan van de onderneming.’ Zie ook Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 106-107: ‘De totale winst wordt aan de achtereenvolgende jaren toegerekend volgens goed koopmansgebruik en met inachtneming van een bestendige gedragslijn.’
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden. april 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2857, NTFR 2017/1213.
Ter illustratie in dit kader dient ook art. 16 Algemene wet inzake rijksbelastingen (over de mogelijkheid tot het opleggen van een navorderingsaanslag), en de betekenis van het daarin opgenomen begrip ‘enig feit’. Het moet daarbij namelijk gaan om een feit dat zich heeft voorgedaan in het kalenderjaar, maar nog niet eerder aan het licht is gekomen. Vgl. Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Algemeen Deel, aant. 5.2.4: ‘Volgens goed koopmansgebruik moet de jaarwinst bepaald worden op basis van de feitelijke situatie op de balansdatum, maar rekening houdend met de kennis die de ondernemer heeft of redelijkerwijs kon hebben van die feiten ten tijde van het opstellen van de jaarrekening. Als er na het indienen van de aangifte nieuwe kennis beschikbaar komt op basis waarvan de feiten anders zouden moeten worden verwerkt in de jaarrekening, kan dit niet tot een verplichte wijziging van de jaarwinst leiden. De inspecteur die de primitieve aanslag conform de aangifte heeft geregeld, kan geen navorderingsaanslag opleggen als hem nadien nieuwe inzichten bereiken.’
Zie in dit kader met name D.W.M. Wenders, Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/11.4.3.2.3, p. 223 met verdere verwijzingen. Vgl. ook de noot van L.J.M. Timmermans bij Centrale Raad van Beroep, 16 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7575, JB 2007/61.
Nogmaals: HR 6 oktober 2006, BNB 2008/164.
Pari. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 366.
Zie over de fiscale consequenties van een som ineens of een periodieke uitkering verder A.T. Bolt, GS Schadevergoeding, art. 6:105 BW, aant. 9.2.5 met zeer uitgebreide verwijzingen.
De praktijk wijst overigens uit dat meestal niet alleen de eiser de voorkeur geeft aan een som ineens, maar ook de schadeplichtige, veelal een verzekeringsmaatschappij. Zie Asser/Sieburgh 6-II 2017/42 met verwijzingen en A.T. Bolt, GS Schadevergoeding, art. 6:105, aant. 6 met verwijzingen. Zie ook met argumenten vóór een som ineens A.T. Bolt, GS Schadevergoeding, art. 6: 105, aant. 5.
Asser/Sieburgh 6-II 2017/43 Zie ook S.O. Lindenbergh & Van der Zalm, Schadevergoeding: personenschade (Mon. BW nr. B37) 2015/24; R.PH. Elzas, in: J. Wildeboer & S. Binkhorst (red.), Handboek Personenschade, Deventer: Wolters Kluwer/3070.7.4.
Hof Arnhem 14 februari 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BC5464, rov. 4.2, met verwijzing naar HR 5juni 1963, BNB 1963/302.
M. de Keijzer-de Korver, ‘Verlies arbeidsvermogen zelfstandig ondernemer. Belastbaarheid schadevergoeding’, in: Juridisch up to Date 2007-11: ‘De werkelijke bedoeling van partijen op het moment waarop zij overeenstemming bereiken over de uit te keren schadevergoeding, is van doorslaggevend belang voor de vraag naar de eventuele belastbaarheid.’
Bijv. HR 12 februari 1997, BNB 1997/340. Vgl. HR 9 augustus 2002, BNB 2002/346; HR 24 juli 2001, BNB 2001/349; HR 5 oktober 2007, BNB 2007/328.