Einde inhoudsopgave
Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies (R&P nr. InsR1) 2010/2.3.2
2.3.2 Vermindering van exposure van aandeelhouders
mr. R.J. de Weijs, datum 15-03-2010
- Datum
15-03-2010
- Auteur
mr. R.J. de Weijs
- JCDI
JCDI:ADS404605:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 135 lid 3 InsO bepaalt het volgende: Wurde dem Schuldner von einem Gesellschafter ein Gegenstand zum Gebrauch oder zur Ausübung überlassen, so kann der Aussonderungsanspruch während der Dauer des Insolvenzverfahrens, höchstens aber für eine Zeit von einem Jahr ab der Eröffnung des Insolvenzverfahrens nicht gediend gemacht werden, wenn der Gegenstand für die Fortführung des Unternehmens des Schuldners von erheblicher Bedeutung ist. Für den Gebrauch oder die Ausübung des Gegenstandes gebührt dem Gesellschafter ein Ausgleich; bei der Berechnung ist der Durchschniit der im letzten Jahr vor Verfahrenseröffnung geleisteten Vergütung in Ansatz zu bringen, bei kürzerer Dauer der Überlassung ist der Durchschnitt während dieses Zeitraums maβgebend.
Artikel 135 lid 2 InsO bevat een regeling voor het geval de aandeelhouder niet zelf een lening heeft verstrekt, maar zekerheid heeft gesteld of zich anderszins sterk heeft gemaakt voor een lening door een derde aan de vennootschap verstrekt. Hier past een extra regeling omdat het een ervaringsfeit vormt dat de vennootschap, al dan niet onder druk van de aandeelhouder, eerst die leningen afbetaalt waar de aandeelhouder zich sterk voor heeft gemaakt.
De regeling die thans te vinden is in artikel 135 lid 2 InsO was aanvankelijk te vinden in artikel 32b GmbHG. Dit artikel bepaalde dat indien een aandeelhouder als borg optrad of zekerheid had verstrekt jegens een derde, de aandeelhouder in een opvolgende insolventieprocedure aansprakelijk is jegens de boedel indien de schuldenaar deze derde had voldaan voor de insolventverklaring. Deze regeling was echter weer beperkt tot de gevallen waarin gesproken kon worden van kapitaalvervangende krediethulp (kapitalersetzende Kredithilfe). Dit betrof daarmee de gevallen waarin de vennootschap deze financiering had verkregen op een moment dat de vennootschap zonder de hulp van de aandeelhouder de lening niet van een arms length financier tegen marktcondities zou hebben gekregen.
Ook het leerstuk van de krediethulp is met de invoering van MoMiG vereenvoudigd. Ook hier is het vereiste van `kapitaalvervangend' verwijderd. Hierdoor is thans niet meer relevant op welk moment de aandeelhouder zich sterk heeft gemaakt voor het verkrijgen van de lening, met name niet of de vennootschap op dat moment de lening ook zelfstandig had kunnen krijgen. De nieuwe regeling is verwijderd uit het GmbHG en thans gecodificeerd in artikel 135 lid 2 InsO. Het nieuwe lid 2 luidt als volgt:
Anfechtbar ist eine Rechtshandlung, mit der eine Gesellschaft einem Dritten für eine Forderung auf Rückgewähr eines Darlehens innerhalb der in Absatz 1 Nr. 2 genannten Fristen Befriedigung gewährt hat, wenn ein Gesellschafter für die Forderung eine Sicherheit bestellt hatte oder als Bürge haftete; dies gilt sinngemäβ für Leistungen auf Forderungen, die einem Darlehen wirtschaftlich entsprechen.
Hoewel artikel 135 lid 2 Ins0 spreekt over het anfechtbar zijn van de handeling waarmee de derde voldaan wordt, blijft de voldoening aan de derde zelf in stand. De gevolgen van het inroepen van de Insolvenzanfechtung in deze gevallen zijn geregeld in een nieuw lid in artikel 143 Ins0. Artikel 143 lid 3 Ins0 bepaalt:
Im Fall der Anfechtung nach § 135 Abs. 2 hat der Gesellschafter der die Sicherheit bestellt hatte oder als Bürge haftete, die dem Driften gewährte Leistung zur Insolvenzmasse zu erstatten. Die Verpflichtung besteht nur bis zur Höhe des Betrags, mit dem der Gesellschafter als Bürge haftete oder der dem Wert der von ihm bestellten Sicherheit im Zeitpunkt der Rückgewähr des Darlehens oder der Leistung auf die gleichgestellte Forderung entspricht. Der Gesellschafter wird von der Verpflichtung frei, wenn er die Gegenstände, die dem Gläubiger als Sicherheit gedient hatten, der Insolvenzmasse zur Verfügung stellt.
Op grond hiervan dient de aandeelhouder dus het bedrag waarvoor hij zich sterk heeft gemaakt jegens de derde aan de boedel af te dragen, indien in het jaar voorafgaand aan de aanvraag tot insolventverklaring de vennootschap deze derde heeft voldaan.
Artikel 135 lid 3 Ins0 bevat ten slotte nog een gebruiksregeling voor de bewindvoerder voor zover de schuldenaar een gebruiksrecht had van een goed dat aan de aandeelhouder toebehoort. De aandeelhouder kan het goed gedurende een jaar niet opeisen indien het goed voor de voortzetting van de onderneming van significant belang is.1