Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/2.2.3
2.2.3 Agentschaptheorie
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS602986:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
J.M.F. Finkensieper in zijn noot bij HR 26 augustus 1998, nr. 33 662, BNB 1999/51.
A. van Dongen, ‘Much ado about nothing. Beschikking in de zaak Welthgrove’. BtwBrief 2001, nr. 10, merkt op dat de Staatssecretaris van Financiën het Welthgrove-arrest zou kunnen aangrijpen om de zogenoemde holdingresolutie te wijzigen, in die zin dat voor de opname van de moeiende holding in de fiscale eenheid als voorwaarde zou kunnen worden gesteld dat voor het ‘moeien’ een afzonderlijke vergoeding wordt gevraagd. Overigens is in het besluit van 3 augustus 2004, nr. CPP2004/1709M, V-N 2004/47.13, ook aangekondigd dat de holdingresolutie opnieuw zal worden bezien in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie.
De agentschaptheorie is ontstaan als verklaring voor de invloed die informatieachterstand kan hebben op de relatie tussen een ‘baas’ of ‘principaal’ (principal) en een ‘knecht’ (agent). In deze theorie wordt verondersteld dat de principaal en de agent ieder vanuit hun eigen belang zullen handelen, zodat de neiging bestaat om informatie voor elkaar achter te houden of te verdraaien. Dit brengt nadelen mee voor sommige of alle betrokkenen.
Douma en Schreuder (2002) wijzen erop dat het ‘agency’-probleem zich in allerlei situaties kan voordoen. Zij noemen bijvoorbeeld de situatie van een eigenaar van een onderneming (principaal) en de manager (agent), de eigenaar van een onroerende zaak (principaal) en de zaakwaarnemer (agent), en de manager (principaal) en de werknemer (agent). Van Oijen (2000) voegt hier de relatie tussen een financier (principaal) en het management van een onderneming (agent) aan toe. Voor de agentschaptheorie geldt in dit verband een ruime kring van verbonden personen.
Volgens Bouma en Van Helden (1994) kunnen de nadelige gevolgen van het opportunistisch handelen van de principaal en de agent worden beheerst door middel van een ‘incentive’-systeem, ‘monitoring’ of ‘bonding’. Volgens het ‘incentive’-systeem wordt aan de agent een beloning toegekend die geheel of gedeeltelijk kan zijn gerelateerd aan de geleverde inspanning. Bouma en Van Helden omschrijven een ‘monitoring’-systeem als ‘een waarnemings- of meldingssysteem waaronder de geleverde inspanning en/of de omstandigheden worden geregistreerd en gerapporteerd’. Bij ‘bonding’ aanvaardt het management beperkingen in de vrijheid van handelen, waarvan de naleving op betrekkelijk eenvoudige wijze kan worden gecontroleerd. De systemen van ‘incentives’, ‘monitoring’ en ‘bonding’ getuigen naar mijn mening van organisatorische verbondenheid tussen de participanten binnen de onderneming.
Fama en Jensen maken in het kader van de agentschaptheorie onderscheid tussen ‘decision management’ en ‘decision control’.Volgens de Hoge Raad valt het vervullen van een financieel en fiscaal coördinerende rol hier buiten. Finkensieper gaat ervan uit dat de situatie is bedoeld waarin sprake is van bemoeienis met het commerciële beleid alsof de deelnemingen onzelfstandige business units zijn.1 In dit verband kan de holding overigens, indien zij als beleidsbepalend en sturend orgaan binnen het concern optreedt, toch onderdeel zijn van een fiscale eenheid op basis van de holdingresolutie van 18 februari 1991, nr. VB 91/347, FED 1991/266.2 In arresten van latere datum heeft het Hof van Justitie de situaties waarin sprake is van ondernemerschap van een holding nader omschreven en verduidelijkt. Uit HvJ EG 14 november 2000, nr. C-142/99 (Floridienne SA/Berginvest SA), V-N 2000/53.17, en HvJ EG 12 juli 2001, C-102/00 (Welthgrove BV), V-N 2001/42.14, kan onder meer worden afgeleid dat een holding die zich actief bemoeit met haar deelnemingen, hiervoor een afzonderlijke vergoeding dient te ontvangen om als belastingplichtige te worden beschouwd. Ze beschrijven dat beide bevoegdheden in kleine ondernemingen veelal bij dezelfde personen zullen berusten. Naarmate de organisatie groeit, zal het efficiënter zijn om de divisieleiding het ‘decision management’ te laten voeren, en de ‘decision control’ bij het topmanagement te leggen. Zoals in paragraaf 2.2.4 wordt beschreven, is dit verschijnsel eerder onderzocht door Chandler (1962). Overigens wijzen ‘decision management’ en ‘decision control’ ook op het belang van organisatorische verbondenheid.
Ik vraag mij af of het ‘agency’-probleem een reden zou kunnen zijn om in het belastingrecht de transacties tussen verbonden personen niet zonder meer als ‘onzakelijk’ te bestempelen. Ogenschijnlijke onzakelijkheid van een transactie zou immers ook door informatieasymmetrie kunnen zijn veroorzaakt. In hoofdstuk 7 ga ik nader in op deze vraag.