Aanvullen van subjectieve rechten
Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/2.2:2.2 Inhoudelijke opzet deel I
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/2.2
2.2 Inhoudelijke opzet deel I
Documentgegevens:
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS302841:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In de Anglo-Amerikaanse literatuur komt dit onderscheid onder verschillende benamingen aan de orde. Zo bespreekt Edmundson 2004, p. 119 e.v. rechten op een ‘conceptueel’ versus een ‘rechtvaardigend’ niveau. Frydrych 2017, p. 125 spreekt over ‘modellen’ die beschrijven wat de basisbegrippen van een juridisch stelsel zijn en hoe zij zich tot elkaar verhouden, versus ‘theorieën’ die verklaren welk doel deze begrippen dienen en waarom.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
62. Hierboven beschreef ik wat de methodologische opzet is van de volgende hoofdstukken, oftewel wat de functie van deze hoofdstukken is in dit onderzoeksverslag. Hieronder zet ik uiteen wat de inhoudelijke opzet is van deze hoofdstukken, oftewel wat de punten zijn waarvan ik de lezer wil overtuigen. Mijn streven is om in deel I tot een theoretisch kader te komen dat gebruikt kan worden om te bepalen of en hoe subjectieve rechten aangevuld dienen te worden. Ik zet drie stappen om dat te doen. In hoofdstuk 3 en 5 bespreek ik de vraag wat ‘subjectieve rechten’ zijn. In hoofdstuk 6 bespreek ik de vraag op welke manieren subjectieve rechten kunnen worden aangevuld. In hoofdstuk 7 bespreek ik vervolgens wat de optimale manier is om subjectieve rechten aan te vullen. Het tussenliggende hoofdstuk 4 gebruik ik om enkele (rechts)economische concepten te introduceren die ik gebruik in de hoofdstukken 5, 6 en 7. De uitleg van deze concepten neemt te veel ruimte in beslag om in de tekst van hoofdstukken 5, 6 en 7 te verwerken; daarnaast is het wellicht handig voor de lezer om terug te kunnen bladeren.
63. Ik probeer in deze hoofdstukken zo veel mogelijk te onderscheiden tussen enerzijds de descriptieve vragen wat subjectieve rechten zijn en op welke wijze subjectieve rechten kunnen worden aangevuld en anderzijds de normatieve vragen waarom en wanneer subjectieve rechten dienen te worden aangevuld.1 Dat maakt eventuele kritiek op mijn opvattingen gemakkelijker te plaatsen. Hoofdstuk 3 is vooral descriptief, hoofdstuk 7 hoofdzakelijk normatief. De hoofdstukken 4, 5 en 6 zijn van gemengd karakter.
64. Bij het beantwoorden van de drie vragen die in deel I aan de orde komen – wat zijn subjectieve rechten, op welke manieren kunnen ze worden aangevuld, wat is de optimale manier om subjectieve rechten aan te vullen – maak ik uitgebreid gebruik van (Anglo-) Amerikaanse literatuur. In hoofdstuk 3 is dat omdat het model dat ik gebruik om te laten zien uit welke bouwsteentjes een subjectief recht bestaat van Amerikaanse origine is en in de (Anglo-) Amerikaanse literatuur de meeste aandacht heeft gekregen. In de hoofdstukken 5 en 6 maak ik gebruik van de (Anglo-) Amerikaanse literatuur waarin is gedebatteerd over de vraag of het mogelijk is om te bepalen of, en zo ja welke, bouwsteentjes noodzakelijkerwijs bij elkaar horen. In hoofdstuk 4 en 7 maak ik ten slotte gebruik van de (Anglo-) Amerikaanse literatuur omdat een groot gedeelte van de (rechts)economische literatuur van (Anglo-) Amerikaanse origine is. Ik probeer steeds de gebruikte begrippen en de gevoerde discussies zo goed mogelijk toegankelijk te maken voor de niet-economisch ingevoerde lezer. Ik schets daarom soms wat meer context dan gebruikelijk is, vermijd het gebruik van jargon waar mogelijk en problematiseer niet alle aannames die aan de analyse ten grondslag liggen. In de voetnoten zijn verwijzingen opgenomen voor de lezer die in dat laatste wél geïnteresseerd is. Ten slotte probeer ik de lezer tegemoet te komen door in hoofdstuk 8 een samenvatting en conclusie van deel I te geven. Om de in de (Anglo-) Amerikaanse rechtsliteratuur gevoerde discussies en concepten zo overzichtelijk mogelijk weer te geven, heb ik ervoor gekozen om in de hoofdstukken 3 tot en met 8 niet te verwijzen naar discussies die in de Nederlandse rechtsliteratuur zijn gevoerd. In plaats daarvan contrasteer ik in hoofdstuk 9 de opvattingen die ik in dit theoretisch kader inneem met de opvattingen die in de Nederlandse rechtsliteratuur zijn ingenomen. Hoofdstuk 9 is daarmee niet essentieel voor de rode draad van dit boek, maar kan worden gebruikt als referentiekader om de opvattingen en concepten uit het theoretisch kader te plaatsen.