Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/6.1.1
6.1.1 Inleiding
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS303157:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstuk 30804, nr. 3, artikelsgewijze toelichting, Artikel VIII, onderdeel H (artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968).
Een voorbeeld van een veronderstelde beperking komt aan de orde in de volgende opmerking van de staatssecretaris in de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken I, 2006/2007, 30804, D, blz. 20): ‘Het is juist, deze leden vragen daarnaar, dat de wijziging van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, slotzinsnede (prestaties die ‘worden gebruikt voor belaste handelingen’ in de plaats van prestaties die ‘worden gebezigd in het kader van zijn onderneming’) betekent dat de in rekening gebrachte BTW voor advieskosten en dergelijke inzake aan-/verkoop van deelnemingen, in beginsel niet aftrekbaar is. De richtlijnconforme aanpassing van die slotzinsnede noodzaakt tot die conclusie.
Zie het in onderdeel 1.3.2 opgenomen citaat uit de MvT bij het Belastingplan 2007.
De btw-richtlijn (voorheen de Zesde richtlijn) kent recht op aftrek toe aan een belastingplichtige voor zover hij de aan hem geleverde goederen en diensten gebruikt voor belaste handelingen. Art. 15, lid 1 (oud), wet kende recht op aftrek toe aan een belastingplichtige (= ondernemer) voor zover hij de aan hem geleverde goederen en diensten gebruikt in het kader van de onderneming en niet gebruikt voor vrijgestelde handelingen. Aldus creëerde art. 15, lid 1, (oud) wet, in de woorden van Reugebrink, ‘(...) een niemandsland waarin werd gevochten om aftrekrecht’. Aan de tegenovergestelde zijden van het niemandsland hadden Belastingdienst en belastingplichtigen zich in loopgraven ingegraven. Regelmatig vonden schermutselingen plaats die uiteindelijk door de rechter moesten werden beslecht. De aanpassing van art. 15, lid 1, wet per 1 januari 2007 aan art. 17, lid 2, Zesde richtlijn (thans: art. 168 btw-richtlijn) beoogt aan deze schermutselingen een einde te maken door het aftrekrecht zodanig te beperken dat ‘een einde wordt gemaakt aan de in Nederland voorkomende situatie dat ondernemers aftrek van voorbelasting kunnen genieten ter zake van handelingen die zij in het kader van hun onderneming verrichten, maar die vallen buiten het toepassingsbereik van de BTW-heffing’.1
Deze aanpassing roept de vraag op wat de gevolgen hiervan zullen zijn voor de heffing van btw. Dit onderzoek beoogt deze vraag te beantwoorden. De vraag is van belang in een groot aantal gevallen waarin geen rechtstreekse en onmiddellijke samenhang is tussen aan de ondernemer geleverde goederen en verrichte diensten en het gebruik voor belaste handelingen. In al deze gevallen, die zich afspelen in het ‘niemandsland’, is onder de nieuwe wetgeving de vraag of, en zo ja in welke mate, de op de geleverde goederen en verrichte diensten betrekking hebbende voorbelasting nog voor aftrek in aanmerking komt.
Met mijn onderzoek heb ik getracht de vraag te beantwoorden of met de wijziging van art. 15, lid 1, wet de strijd om het niemandsland is beslecht. Mijn theorie is dat het Nederlandse aftreksysteem en het richtlijnsysteem in de loop van de jaren naar elkaar zijn toegegroeid en dat er al bijna geen sprake meer was van een ‘niemandsland’. Enerzijds heeft de Hoge Raad door richtlijnconforme uitleg van art. 15 (oud) wet enige beperkingen in het Nederlandse systeem heeft aangebracht. Anderzijds heeft het Hof van Justitie EU het richtlijnsysteem opgerekt, waarmee het een beetje is opgeschoven in de richting van het Nederlandse systeem. Deze ontwikkelingen hebben als consequentie dat de gevolgen van de wijziging van art. 15 per 1 januari 2007 slechts beperkt zijn en beperkter dan door sommigen wordt verondersteld.2 In een groot aantal specifieke casusposities heb ik deze theorie getoetst en op basis daarvan spreek ik een verwachting uit over de gevolgen van de wijziging van art. 15, lid 1, wet met ingang van 1 januari 2007 voor de Nederlandse btw-praktijk, en in het bijzonder over de met deze wijziging beoogde beperking3 van het aftrekrecht.
In het kader van deze toetsing heb ik ook onderzocht hoe in drie andere EU-lidstaten (Duitsland, Verenigd Koninkrijk, Frankrijk) in de meeste door mij onderzochte casusposities de belastingplicht en het aftrekrecht worden beoordeeld.