Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/9.4.3.1:9.4.3.1 Geoorloofde mate van zelfbelasting: onduidelijk
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/9.4.3.1
9.4.3.1 Geoorloofde mate van zelfbelasting: onduidelijk
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS499521:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In EHRM 10 januari 2008 (Lückhof en Spanner t. Oostenrijk), § 55, omschrijft het Hof dergelijke zaken als onderzoeken met het doel ‘to seek comprehensive information or to subject the applicants to extensive questioning’.
Zie § 6.4.4 hiervoor.
EHRM 21 april 2009 (Marttinen t. Finland), NJ 2009, 557 (m.nt. Schalken); FED 2009/69 (m.nt. Thomas), § 72.
Zie § 7.4.3.2.2 hiervoor.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In § 6.3 kwam ter sprake dat (juridische) sanctiedreiging weliswaar de belangrijkste, maar niet de enige omstandigheid is die dwang op de verdachte uitoefent. De meewerkplicht zelf speelt ook een rol bij de vaststelling of sprake is van ontoelaatbare dwang tot zelfbelasting. Wat die rol precies behelst, is niet eenduidig. Ook voor dit aspect geldt dat het lastig is om algemene conclusies uit de Straatsburgse rechtspraak te trekken.
Waarschijnlijk is het zo dat het EHRM bij de vaststelling of sprake is van ontoelaatbare dwang vanwege een met sancties bedreigde wettelijke meewerkplicht, naast de sanctie zelf ook oog heeft voor de mate van (potentiële) zelfbelasting die in een – beperkte of ruime – meewerkplicht besloten ligt. Zie bijvoorbeeld de gevoegde verkeerszaken O’Halloran en Francis. Nadat het Hof heeft vastgesteld dat art. 6 EVRM toepasselijk is, overweegt het in het kader van de op de klagers uitgeoefende dwang, dat de medewerking die van hen werd gevorderd aanmerkelijk beperkter was dan in eerdere zaken waarin de betrokkenen gehouden waren om ‘papers and documents of any kind relating to operations of interest to [the] department’ te produceren (Funke, § 30) of ‘documents etc. which might be relevant for the assessment of taxes’ (J.B., § 39).1
Zie ook de verkeerszaak Weh. Diens gehoudenheid om mede te delen ‘information as to who had driven a certain motor vehicle (…) at a certain time’, is volgens het Hof op zichzelf niet belastend.2 In Heaney en McGuinness waren de klagers daarentegen gehouden om een ‘full account of [their] movements and actions during any specified period’ te geven. Vgl. de zaak Marttinen waarin de autoriteiten met inachtneming van een beperkte geheimhoudingsplicht informatie van de klager konden vorderen met betrekking tot elke kwestie die volgens hen een relatie met het onderzoek had.3
Overigens lijkt de aard van een met sancties bedreigde meewerkplicht – actief of passief – veel minder zwaar te wegen dan de omvang ervan. Zeker is dit niet, ook al omdat de vraag is of dat onderscheid wel kan worden gemaakt.4