Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/9.3.1
9.3.1 Wezenlijke aantasting nemo tenetur
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS498425:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. EHRM 10 januari 2008 (Lückhof en Spanner t. Oostenrijk), § 52. Dit los van de andere twee toetsingsfactoren en de in het geding zijnde publieke belangen.
EHRM 8 februari 1996 (John Murray t. Verenigd Koninkrijk), NJ 1996, 725 (m.nt. Knigge), § 49. Zie nadien onder meer EHRM 21 december 2000 (Heaney en McGuinness t. Ierland), § 57-58 en EHRM 29 juni 2007 (O’Halloran en Francis t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2008, 25 (m.nt. Alkema); FED 2008/81 (m.aant. Thomas), § 42. Wat de zinsnede ‘which is capable of’ betekent, is niet duidelijk. Deze kennelijke objectivering ziet waarschijnlijk op de sanctiemaatregel zelf en niet op (de persoon of wil van) de verdachte.
EHRM 20 oktober 1997 (Serves t. Frankrijk), NJ 1998, 758 (m.nt. Knigge), § 47.
Vgl. EHRM 21 december 2000 (Heaney en McGuinness t. Ierland), § 51 en EHRM 21 december 2000 (Quinn t. Ierland), § 54.
EHRM 21 april 2009 (Marttinen t. Finland), NJ 2009, 557 (m.nt. Schalken); FED 2009/69 (m.nt. Thomas), § 72-73.
EHRM 20 oktober 1997 (Serves t. Frankrijk), NJ 1998, 758 (m.nt. Knigge), § 47.
Of sprake is van een schending van het recht tegen gedwongen zelfbelasting, is afhankelijk van ‘the nature and degree of the compulsion used to obtain the evidence’.1 Ontoelaatbaar is ‘a degree of compulsion to bear on the applicant which is capable of destroying the very essence of the privilege against self-incrimination and the right to remain silent’.2 Het Hof formuleert dit criterium voor het eerst in John Murray. Het overweegt dat de feitelijke toedracht in die zaak verschilt van die in Funke, waarin de klager werd vervolgd om hem te dwingen de autoriteiten bewijs te verschaffen van overtredingen die hij zou hebben begaan. De aan Funke opgelegde sancties (boete, dwangsom) zijn volgens het Hof in strijd met art. 6, omdat die het recht tegen gedwongen zelfbelasting wezenlijk aantasten.
Keuzevrijheid potentiële verdachte
Wat het wezen (‘the very essence’) van het recht tegen gedwongen zelfbelasting behelst, is niet precies te zeggen. Bij mijn weten heeft het Hof hiervan in elk geval niet een gerichte omschrijving gegeven. In de zaak Serves rept het wel over ‘coercion such as to render the right not to incriminate himself ineffective’3 en in Heaney en McGuinness en Quinn legt het een verband met de dreiging van gevangenisstraf bij niet-medewerking door klagers. Deze dreiging zou de keuze tussen spreken of zwijgen illusoir hebben gemaakt.4 Ook in Marttinen wijst het Hof op het dilemma tussen (mogelijke) zelfbelasting enerzijds en bestraffing bij niet-medewerking anderzijds. Het verbindt hieraan het gevolg dat de mate van dwang die op klager werd uitgeoefend, het recht tegen gedwongen zelfbelasting wezenlijk aantastte.5 Deze aanwijzingen kunnen zo worden begrepen, dat de op de verdachte uitgeoefende dwang de behoorlijkheid en integriteit van het strafgeding kan ondermijnen, doordat die het respecteren van de keuzevrijheid om zichzelf al dan niet te belasten (en daarmee zijn (latere) procespositie) aantast ofwel beperkt. Het respect voor de keuzevrijheid van de verdachte moet bijdragen aan een adversair strafproces. Deze vaststelling sluit aan op de vaststelling in hoofdstuk 5 hiervoor, dat de grondslagen van het recht tegen gedwongen zelfbelasting, te weten de betrouwbaarheid van het bewijs en de procesautonomie, zich concentreren rond de keuzevrijheid van de verdachte om zichzelf al dan niet te belasten.
Mogelijk kan een wezenlijke aantasting van de keuzevrijheid als toetssteen voor ontoelaatbare dwang worden uitgelegd als dwang waartegen iemand redelijkerwijs geen weerstand kan bieden (vgl. ‘coercion such as to render his right not to incriminate himself ineffective’als voormeld).6 Bij de vaststelling of daarvan sprake is, zullen de omstandigheden en de persoon van de verdachte hebben mee te wegen.