HR, 14-05-2002, nr. 00641/01
ECLI:NL:HR:2002:AE1320
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
14-05-2002
- Zaaknummer
00641/01
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2002:AE1320, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 14‑05‑2002
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE1320
ECLI:NL:HR:2002:AE1320, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 14‑05‑2002; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE1320
Conclusie 14‑05‑2002
Inhoudsindicatie
-
Nr. 00641/01
Mr Machielse
Zitting 19 maart 2002
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte op 22 december 2000 voor misdrijven in de sfeer van de sociale zekerheid, voor belastingfraude en voor deelneming aan een criminele organisatie veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk.(1)
2. Mr A.O.C.A. van Schravendijk, advocaat te Arnhem, heeft cassatie ingesteld. Mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof voor het bewijs heeft gebruikt een verklaring van [medeverdachte] die een ongeoorloofde gissing of conclusie inhoudt. Het gaat om bewijsmiddel 13, waarin [medeverdachte] heeft verklaard:
[verdachte] (AM: verdachte) vond het verkrijgen van opdrachten belangrijker dan het vastleggen van gegevens in enigerlei vorm.
3.2. Het middel is tevergeefs voorgesteld. Hetgeen [medeverdachte] heeft verklaard is vatbaar voor eigen waarneming. De getuige verklaarde in de bestreden passage dat hij heeft ervaren dat verdachte zich zo gedroeg dat daaruit bleek dat zij het verkrijgen van opdrachten belangrijker vond dan het vastleggen van gegevens.(2) Daarbij is van belang dat [medeverdachte] zoals blijkt uit de bewijsvoering, nauw met verdachte heeft samengewerkt.
4.2. Het middel is terecht voorgesteld. Het onder 4 bewezenverklaarde feit is begaan in de periode van 1 januari 1992 tot en met 31 december 1994. Bij Wet van 4 februari 1999 (Stb. 80) is art.140 Sr gewijzigd. Van toepassing is dus de oude versie. De Hoge Raad zal de aanhaling kunnen verbeteren.
5.1. Het derde middel klaagt dat het hof heeft verzuimd te responderen op een gevoerd strafmaatverweer, dat een beroep deed op het gelijkheidsbeginsel.
5.2. De door de steller van het middel aangehaalde woorden zijn terug te vinden in de pleitnota in hoger beroep op p.10, onder de rubriek "strafmaat". Ik kan in dit onderdeel van de pleitnota niet een strafmaatverweer ontdekken dat tot respons van de rechter noopt. Een nadere motivering is vereist "indien op indringende en stellige wijze op een strafverlagende factor wordt gewezen", aldus L.C.M. Meijers in De derde rechtsingang nader bekeken (Bronkhorstbundel), p. 218. Het in de pleitnota gestelde is niet onderbouwd of gestaafd.(3) De strafmotivering van het hof voldoet aan de daaraan op grond van art. 359, vijfde en zesde lid, Sv te stellen eisen en de strafoplegging wekt, gelet op hetgeen is bewezenverklaard geen verbazing.
Het middel faalt.
6. Het eerste en derde middel falen en kunnen naar mijn mening op de voet van art.81 RO worden verworpen. Het tweede middel is gegrond en zal slechts tot verbetering van de aangehaalde wetsbepaling aanleiding behoeven te geven.
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met de zaak [medeverdachte] (nr. 00642/01) waarin ik heden eveneens concludeer.
2 DD 84.026; DD 85.104; DD 86.128; DD 86.155; HR NJ 2000,379 rov. 5.3.
3 Bijv. HR 20 januari 1998, NJB NJB 1998,33, p.412, rov. 8.3.; HR 23 november 1999, nr. 111.728.
Uitspraak 14‑05‑2002
Inhoudsindicatie
Deelneming aan criminele organisatie, art. 140.1 Sr. Had Hof als toepasselijk wettelijk voorschrift art. 140 (oud) Sr in plaats van art. 140 Sr moeten vermelden? Bewezenverklaard feit is begaan in periode van 1-1-1992 t/m 31-12-1994. Bij Wet van 4-2-1999 (Stb. 80), in werking getreden op 26-2-1999, is tekst van voordien geldend art. 140 Sr gewijzigd en vervangen door die van huidig art. 140 Sr. Hof had derhalve als toepasselijk wettelijk voorschrift art. 140 (oud) Sr behoren te vermelden en niet art. 140 Sr. HR vermeldt als mede toepasselijke wetsbepaling art. 140 (oud) Sr. Samenhang met ECLI:NL:HR:2002:AE1321.
14 mei 2002
Strafkamer
nr. 00641/01
EW/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie
tegen een arrest van het
Gerechtshof te Arnhem van
22 december 2000, nummer 21/000336-99, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats] .
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Zwolle van 28 december 1998 - de verdachte ter zake van 1. primair "een der in artikel 10 (oud) van de Coördinatiewet sociale verzekering bedoelde verplichtingen niet, niet juist en niet volledig nakomen, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl zij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd″, 2. primair ″overtreding van artikel 50b (oud) lid 3 van de Organisatiewet sociale verzekering, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd″, 3. ″opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl zij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd″ en 4. ″deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven″ veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel houdt in dat het Hof als toepasselijk wettelijk voorschrift art. 140 (oud) Sr had moeten vermelden in plaats van art. 140 Sr.
4.2. Het ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaarde feit is begaan in de periode van 1 januari 1992 tot en met 31 december 1994. Bij Wet van 4 februari 1999 tot wijziging van de artikelen 140 en 443 van het Wetboek van Strafrecht (Stb. 80), in werking getreden op
26 februari 1999, is de tekst van het voordien geldende art. 140 Sr gewijzigd en vervangen door die van het
huidige art. 140 Sr. Het Hof had derhalve als toepasselijk wettelijk voorschrift art. 140 (oud) Sr behoren te vermelden en niet art. 140 Sr. Het middel is dus terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal de bestreden uitspraak in zoverre vernietigen en doen wat het Hof had behoren te doen.
5. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak doch uitsluitend
voorzover daarbij als wettelijk voorschrift waarop de
oplegging van de straf berust art. 140 Sr is vermeld,
en voorzover daarbij is verzuimd art. 140 (oud) Sr te vermelden;
Vermeldt als mede toepasselijke wetsbepaling art.
140 (oud) Sr;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president
C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren
J.P. Balkema en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 14 mei 2002.