FM
Rb. Zeeland-West-Brabant, 21-02-2018, nr. C/12/85941 / HA ZA 12-265
C/12/85941 / HA ZA 12-265
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
21-02-2018
- Magistraten
Mrs. E.K. van der Lende-Mulder Smit, H.A. Witsiers, J.A. van Voorthuizen
- Zaaknummer
C/12/85941 / HA ZA 12-265
- Roepnaam
Van Waes/Gemeente Terneuzen
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21‑02‑2018
ECLI:NL:RBZWB:2016:8496, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 07‑09‑2016; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBZWB:2013:9497, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 03‑04‑2013
Uitspraak 21‑02‑2018
Mrs. E.K. van der Lende-Mulder Smit, H.A. Witsiers, J.A. van Voorthuizen
Partij(en)
Vonnis van 21 februari 2018
in de zaak van
de publiekrechtelijke.rechtspersoon
GEMEENTE TERNEUZEN,
zetelend te Terneuzen,
eiseres,
advocaat mr. J.A.M.A. Sluysmans te 's‑Gravenhage,
tegen
- 1.
[gedaagde 1],
wonende te [woonplaats],
- 2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
- 3.
[gedaagde 3],
wonende te [woonplaats],
gedaagden,
advocaat mr. Th.J.H.M. Linssen te Tilburg,
en
- 4.
[requirant],
wonende te [woonplaats],
requirant tot tussenkomst,
advocaat mr. Th.J.H.M. Linssen te Tilburg.
Partijen zullen hierna de gemeente, [gedaagden] c.s. en [requirant] worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- —
het tussenvonnis van 7 september 2016
- —
de akte van 21 juni 2017, houdende depot nader deskundigenrapport
- —
het rolbericht van de zijde van [gedaagden] c.s. en [requirant] van 7 november 2017, inhoudende overlegging productie 1
- —
de pleitnota van de zijde van de gemeente
- —
de pleitnota van de zijde van [gedaagden] c.s. en [requirant]
- —
het proces-verbaal van het pleidooi, gehouden op 20 november 2017
- —
de brief van mr. Sluysmans van 30 november 2017 met opmerkingen over het procesverbaal
- —
de brief van mr. Van Mierlo van 30 november 2017 met opgave van de nadere deskundigenkosten
- —
de faxbrief van mr. Linssen van 4 december 2017 met opmerkingen over het procesverbaal
- —
de faxbrief van mr. Linssen van 5 december 2017 met opgave van de nadere deskundigenkosten
- —
de brief van mr. Sluijsmans van 14 december 2017 met reactie op de nadere kostenopgaven
- —
de brief van mr, Linssen van 9 februari 2018 met reactie op de brief van mr. Sluijsmans van 14 december 2017.
1.2.
Bij vonnis van deze rechtbank van 7 september 2016 is aan de deskundigen verzocht een nader rapport uit te brengen.
Bij e-mailbericht van 3 maart 2017 is namens mr. Van Mierlo, voorzitter van de deskundigencommissie, het concept nader deskundigenrapport gedeponeerd.
Namens de gemeente en namens [gedaagden] c.s. en [requirant] is hierop gereageerd bij brieven van 14 april 2017. De zaak is bepleit op 20 november 2017.
2. De verdere beoordeling
2.1.
Bij vonnis van deze rechtbank van 7 september 2016 is aan de deskundigen verzocht een nader rapport uit te brengen, waarbij als uitgangspunt geldt een waardebepaling van de grond in verpachte staat op basis van de vigerende bestemming. Tevens is hen verzocht nader duidelijkheid te verschaffen over de bedrijfsvoering van [requirant], de omvang van het uit het onteigende behaalde inkomen in verhouding tot de met de reconstructie gepaard gaande investeringen en de vraag of [requirant] een dergelijke investering kan financieren.
2.2.
De deskundigen hebben in hun nader rapport de aan [gedaagden] c.s. te betalen schadeloosstelling als volgt begroot:
- | waarde van het onteigende | € | 538.430,00 | |
- | waardevermindering van het overblijvende | € | 4.291,00 | |
- | inkomensschade | nihil | ||
- | bijkomende schade | nihil | ||
- | belastingschade | P.M. | ||
- | rente | P.M. | ||
totaal | € | 542.721,00 | + 2x P.M. | |
2.3.
De schadeloosstelling voor [requirant] is door de deskundigen begroot op:
- | schadeloosstelling | € | 66.186,00 | |
- | rente | P.M. | ||
totaal | € | 66.186,00 | + P.M. | |
2.4.
[gedaagden] c.s. blijft bij zijn standpunt dat het deskundigenrapport onvoldoende grondslag en onderbouwing biedt om de schadeloosstelling voor hem vast te stellen op het door de deskundigen geadviseerde bedrag. [requirant] onderschrijft dit standpunt, Hij stelt dat de aan hem te betalen schadeloosstelling dient te worden vastgesteld op basis van reconstructie.
2.5.
De standpunten van partijen ten aanzien van (de hoogte van) de voor vergoeding in aanmerking komende posten, zullen conform de in het deskundigenrapport onderscheiden paragrafen worden behandeld.
Waarde van het onteigende
2.6.
De deskundigen hebben bij het bepalen van de waarde van het onteigende de in dat verband door partijen aangedragen referentietransacties geanalyseerd. Volgens de deskundigen zijn deze referentietransacties (slechts) deels geschikt voor het begroten van de waarde. Zij lichten dit als volgt toe.
De door [gedaagden] c.s. aangehaalde transactie Bio Glas Terneuzen B.V./Reefresh kwekerijen onroerend goed B.V. d.d. 30 maart 2009 met betrekking tot een perceel bouwgrond met een koopsom van € 31,81/m2 alsmede de transactie Tomaholic B.V. en Zeeland Seaports/[A] B.V. d.d. 29 november 2013 zijn volgens de deskundigen ongeschikt, omdat deze —anders dan het onteigende— betrekking hadden op. objecten die bebouwd waren. Bovendien heeft de eerstgenoemde transactie ver voor de peildatum plaatsgevonden.
De door [gedaagden] c.s. genoemde transactie Huisman/Terneuzen d.d. 29 september 2014, waarbij landbouwgrond werd verkocht voor € 9,80/m2 in verpachte staat, zag volgens de deskundigen op de aankoop van gronden ter voorkoming van onteigening. In dat licht bezien kan niet worden uitgesloten dat er in de koopsom tevens een vergoeding is verdisconteerd voor eventuele andere schadeposten.
De door [gedaagden] c.s. genoemde transactie Bio Glas Terneuzen B.V./[B] van 13 augustus 2013, waarbij de koopsom van een perceel bouwgrond € 14,93/m2 bedroeg, achten de deskundigen enigszins geschikt. Daarbij is volgens hen echter van belang dat dit perceel aanmerkelijk groter was dan het onteigende en dat voor een groot perceel een hogere prijs per m2 wordt betaald dan voor een klein perceel. De deskundigen hebben bij de begroting van de waarde van het onteigende voorts meegenomen dat Zeeland Seaports een bedrag van € 11,-- /m2 als boekwaarde voor glastuinbouwgronden in de Autrichepolder in de jaarrekening heeft opgenomen op basis van een taxatie per 31 december 2012. De bewuste grond moest destijds nog bouwrijp worden gemaakt.
Verder hebben de deskundigen rekening gehouden met het feit dat [gedaagden] c.s. en [naam 1]/[naam 2] op 3 mei 2013 een koopovereenkomst hebben gesloten met betrekking tot het onteigende voor een bedrag van € 11,87/m2. Het feit dat er geen levering heeft plaatsgevonden, laat naar het oordeel van de deskundigen onverlet dat de overeenkomst op zichzelf maatgevend kan zijn. Datzelfde geldt volgens de deskundigen voor de koopovereenkomst tussen [gedaagden] c.s. en [A] van 20/28 februari 2014. Daar speelt volgens de deskundigen echter wel een rol dat in de koopovereenkomst tevens een voor de deskundigen onbekende vergoeding voor de ontpachting was verdisconteerd. Nu er discussie mogelijk is wat de pachtdruk in die situatie was, achten de deskundigen voornoemde transactie niet goed bruikbaar.
Mede gelet op de deels geschikte referentietransacties en overigens op basis van hun ervaring en intuïtie, schatten de deskundigen de waarde van het onteigende in onverpachte staat, uitgaande van een glastuinbouwbestemming, per peildatum op € 11,00/m2. De totale waarde van het onteigende (54.965 m2) bedraagt in dat geval € 604.615,00. De deskundigen begroten de pachtersvergoeding op een bedrag van € 66.185,00, zodat de waarde van het onteigende in verpachte staat uitkomt op € 538.430,00.
2.7.
De gemeente verzoekt de rechtbank primair om terug te komen op haar oordeel dat eliminatie op de voet van artikel 40c Ow in dit geval niet aan de orde is, omdat geen sprake is van een overheidswerk.
De gemeente stelt kort gezegd dat, wanneer, zoals in onderhavig geval, sprake is van een door een openbaar lichaam zoals een gemeenschappelijke regeling (een overheid) geïnitieerd en vervolgens ook al grotendeels ontwikkeld werk dat valt binnen de doelstelling van die overheid en waarin die overheid risico heeft gedragen en blijft dragen en dit werk tijdens de rit wordt overgedragen aan een nieuw opgerichte privaatrechtelijke onderneming die geheel gecontroleerd wordt door een overheid en waarvoor die overheid garant blijft staan, dat opgedragen werk wel degelijk moet worden aangemerkt als een ‘overheidswerk’ waarvoor geldt dat de plannen voor dat werk voor eliminatie in aanmerking komen. In dit geval is er geen sprake van een private initiatiefnemer wiens handelen is ingegeven door eigen belang. Er is sprake van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op de prille en discutabele hoofdregel, zoals de Hoge Raad die onder meer in zijn ‘15-januari arresten’ heeft uiteengezet, rechtvaardigen, aldus de gemeente.
Subsidiair, uitgaande van ‘non-eliminatie’, stelt de gemeente dat de werkelijke waarde van het onteigende in pachtvrije staat aan de (te) hoge kant is. Volgens de gemeente hebben de deskundigen niet (zichtbaar) rekening gehouden met het feit dat per peildatum de ‘stemming’ in de glastuinbouwsector bepaald niet positief was. De gemeente acht een waarde tussen de € 8,00 en € 11,00 per m2 meer realistisch.
2.8.
[gedaagden] c.s. stelt zich op het standpunt dat het oordeel omtrent ‘non-eliminatie’ in het tussenvonnis van de rechtbank van 7 september 2016 in stand moet blijven. Het huidige criterium van de Hoge Raad geldt volgens hem als uitgangspunt; er bestaat geen andersluidende jurisprudentie.
[gedaagden] c.s. stelt verder dat de waarde van het onteigende in pachtvrije staat moet worden gesteld op € 14,69 per m2. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst hij naar door hem overgelegde referentietransacties, waarbij de koopprijs varieert tussen € 11,86 per m2 en € 14,69 per m2. Hij kan de deskundigen niet volgen in hun oordeel dat een deel van de door hem aangedragen referentietransacties niet geschikt is voor het begroten van de waarde van het onteigende. De deskundigen achten enerzijds de transactie [naam 1]/[naam 2] en [gedaagden] c.s. d.d. 3 mei 2013 wel bruikbaar, terwijl zij de transactie [A] en [gedaagden] c.s. d.d. 20/28 februari 2014 niet relevant achten. De omstandigheid dat in de laatstgenoemde transactie tevens een voor de deskundigen onbekende vergoeding voor de pachtschade zou zijn begrepen, maakt niet dat deze transactie niet meer relevant is, aldus [gedaagden] c.s. De deskundigen hebben miskend dat de overeenkomsten tussen [naam 1]/[naam 2] en [gedaagden] c.s. en [A] en [gedaagden] c.s. identiek zijn. Beide transacties geven een duidelijke prijs in onverpachte staat. De deskundigen kunnen eenvoudig het verpachtersaandeel en het pachtersaandeel bepalen.
Ten aanzien van de door [gedaagden] c.s. aangedragen transactie van 29 november 2013 tussen Tomaholic B.V./Zeeland Seaports en [A] zijn de deskundigen van mening dat deze niet maatgevend is, omdat de transactie gronden betreft die bebouwd waren met opstallen. Zij verwijzen daartoe naar de betreffende koopakte. In deze koopakte is volgens [gedaagden] c.s. echter een duidelijke splitsing aangebracht tussen bebouwde grond en onbebouwde grond. Aan onbebouwde grond wordt een waarde toegekend van omgerekend € 14,23 per m2. De deskundigen hadden deze transactie moeten meenemen bij het advies. Bovendien sluit deze transactie aan bij de transactie Bio Glas Terneuzen B.V./[B] d.d. 13 augustus 2013 van € 14,93 per m2 die de deskundigen tevens relevant achten. De deskundigen hebben volgens [gedaagden] c.s. bij die transactie onterecht de kanttekening gemaakt dat die waarde wordt gerechtvaardigd door de (grote) omvang van het perceel en de waarde van onderhavig perceel bijgesteld naar € 11,-- per m2. De omvang van het perceel rechtvaardigt echter niet het verschil van bijna € 4,-- per m2. Een redelijk handelend koper zou gronden met deze bestemming ook met een kleinere omvang willen aankopen, aldus [gedaagden] c.s. De gronden zijn eenvoudig te betrekken bij andere percelen met eenzelfde bestemming en een redelijk handelend koper zal bereid zijn deze prijs te betalen. In die zin ligt het volgens [gedaagden] c.s. voor de hand om uit te gaan van complexwaarde.
[gedaagden] c.s. voert verder aan dat de deskundigen bij hun waardering ten onrechte acht hebben geslagen op de in de jaarrekening van Zeeland Seaports opgenomen boekwaarde van de gronden. De boekwaarde is geen afspiegeling van de werkelijke waarde. Bovendien hebben de deskundigen ten onrechte, althans onvoldoende onderbouwd, overwogen dat de boekwaarde in de periode 2012–2014 zou zijn gestegen in verband met investeringen die Zeeland Seaports zou hebben gedaan.
2.9.
De rechtbank ziet in hetgeen de gemeente heeft aangevoerd geen aanleiding terug te komen op haar beslissing in het tussenvonnis van 7 september 2016 dat eliminatie op de voet van artikel 40c Ow in dit geval niet aan de orde is, omdat geen sprake is van een overheidswerk. De gemeente heeft niet aannemelijk heeft gemaakt dat het werk, de ontwikkeling van glastuinbouw, past binnen de doelstelling van de GR Zeeland Seaports, die immers ziet op de ontwikkeling van een havengebied en de daaraan gerelateerde bedrijvigheid. Vastgesteld is reeds dat het werk wordt gerealiseerd door een private marktpartij, Zeeland Seaports N.V. De omstandigheid dat de ontwikkeling van glastuinbouw in het havengebied is geïnitieerd door een overheid —de GR Zeeland Seaports— maakt niet dat het werk als overheidswerk moet worden aangemerkt. Dat de GR Zeeland Seaports —als aandeelhouder— mede risico van het werk draagt evenmin.
2.10.
De rechtbank zal de waarde van de grond begroten per peildatum 20 mei 2014 op basis van de door partijen aangereikte en door deskundigen becommentarieerde referentietransacties.
De rechtbank is —met de deskundigen— van oordeel dat de transactie Bio Glas Terneuzen B.V./Reefresh kwekerijen onroerend goed B.V. d.d. 30 maart 2009 niet als referentietransactie kan dienen, omdat deze ver voor de peildatum heeft plaatsgevonden. De overeenkomst [gedaagden] c.s. en [A] d.d. 20/28 februari 2014 oordeelt de rechtbank wel relevant voor de waarde in onverpachte staat. Partijen bij die overeenkomst zijn bij de opbouw van de koopsom uitgegaan van € 13,--/m2 voor gronden met glastuinbouwbestemming en € 8,--/m2 voor gronden met agrarische bestemming. Uit de overeenkomst blijkt niet dat een vergoeding voor ontpachting is verdisconteerd in de prijs. Uit de overgelegde overeenkomst Tomaholic B.V./Zeeland Seaports en [A] blijkt dat een onderscheid is gemaakt tussen bebouwde grond en onbebouwde grond. Nu aan onbebouwde grond een aparte waarde is toegekend van € 14,23/m2, kan deze overeenkomst meewegen als referentietransactie.
Met betrekking tot de transactie Bio Glas Terneuzen B.V./[B] d.d. 13 augustus 2013 van € 14,93 per m2, die de deskundigen op zich geschikt achten, hebben zij niet aangegeven welk bedrag in mindering dient te komen in verband met de kleinere omvang perceel. De rechtbank is met [gedaagden] c.s. van oordeel dat —zonder nadere toelichting, die ontbreekt— de kleinere omvang van het perceel niet een verschil van bijna € .4,-- per m2 rechtvaardigt. Het bedrag van € 14,93 per m2 is dan ook relevant voor de waardebepaling.
Bij de berekening van de waarde van de grond op basis van glastuinbouwbestemming dient de boekwaarde die Zeeland Seaports in haar jaarrekening heeft staan buiten beschouwing te blijven, aangezien deze niet bepalend is voor, althans niet gelijk te stellen is aan de werkelijke waarde.
De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om af te wijken van het door de deskundigen begrote bedrag voor de waarde op basis van glastuinbouwbestemming en zal deze waarde in onverpachte staat vaststellen op het gemiddelde van bovenvermelde relevante bedragen, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 13,50 m2, in totaal € 742.027,50. De rechtbank zal de deskundigen volgen in hun systeem de begrote pachtersvergoeding ad € 66.185,00 (de rechtbank komt op de hoogte van dit bedrag terug in r.o. 2.29.) in mindering te brengen op de waarde van het perceel in onverpachte staat om aldus de waarde in verpachte staat vast te stellen. De deskundigen hebben deze methode toegepast en partijen hebben zich kennelijk daarbij aangesloten. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding daarvan af te wijken. De waarde van het onteigende in verpachte staat komt dan uit op € 675.842,50.
Waardevermindering overblijvende
2.11.
Van het perceel (voorheen kadastraal bekend als) [001] blijft na onteigening van 54,965 m2 een perceelsgedeelte over van 9130 m2. Het overblijvende is bestemd voor ‘Agrarische doeleinden’ met dubbelbestemmingen ‘Buisleidingenstrook’ en ‘Buisleidingenstrook Veiligheidsgebied’.
2.12.
De deskundigen hebben de waardevermindering als volgt begroot:
Waarde van het geheel (onteigende en overblijvende tezamen) vóór onteigening:
Waarde onteigende (54.965 m2 à € 9,796 per m2) = | € | 538.430,00 | |
Waarde overblijvende: (9130 m2 à € 5,47 per m2) = | € | 49.941,00 | (verpacht) |
Totaal | € | 588.371,00 |
Som van de waarde van het onteigende en de waarde van het overblijvende na onteigening:
Waarde onteigende = | € | 538.430,00 | |
waarde overblijvende deel: (9130 m2 à € 5,00 per m2) = | € | 45.650,00 | (onverpacht) |
Totaal | € | 584.080,00 |
Waardevermindering overblijvende (€ 588.371,00 minus € 584.080,00) = € 4.291,00
De deskundigen zijn ervan uitgegaan dat het overblijvende geen onderdeel uitmaakt van een complex van gronden dat gezamenlijk in exploitatie wordt gebracht als glastuinbouwgebied. Het overblijvende heeft geen glastuinbouwbestemming gekregen noch een bestemming die daarmee samenhangt. Daarnaast is het overblijvende niet door de gemeente onteigend hetgeen volgens de deskundigen wel logisch was geweest indien het noodzakelijk was voor de uitvoering van het glastuinbouwproject. De deskundigen hebben het overblijvende gewaardeerd op basis van de waarde die het zou kunnen hebben voor een veehouder. De oppervlakte van het overblijvende zou door een veehouder kunnen worden benut als plaatsingsruimte voor mest.
2.13.
De gemeente schaart zich achter de conclusie van de deskundigen op dit punt.
2.14.
[gedaagden] c.s. stelt dat de vorm van het overblijvende aanmerkelijk is verslechterd. Er resteert een zeer smal perceel dat naar zijn aard slecht te bewerken is, waardoor geen optimaal gebruik kan worden gemaakt van het perceel. Als gevolg daarvan kan niet worden uitgegaan van een agrarische waarde van € 5,00 per m2; er moet een afslag op die waarde plaatsvinden. Bovendien hebben de weinige veehouders die er zijn in Zeeuws-Vlaanderen geen belangstelling voor het verwerven van een dergelijk klein perceel ten behoeve van het creëren van extra mestplaatsingsruimte. De hieruit voortvloeiende extra opbrengsten voor [gedaagden] c.s. bedragen voor dit perceel ślechts enkele tientallen euro's per jaar. Het mestoverschot zal bovendien binnen nu en enkele jaren zijn opgehouden te bestaan.
2.15.
De rechtbank neemt het oordeel en de motivering van de deskundigen ten aanzien van de door hen geschatte waardevermindering van het overblijvende over en maakt deze tot de hare. De rechtbank oordeelt een waarde van € 5,00/m2 voor het overblijvende reëel. Ter zitting hebben de deskundigen nader toegelicht dat percelen ten behoeve van extra mestplaatsingsruimte zeer gewild zijn — waarbij niet relevant is dat een veehouder 10 kilometer verderop woont, zoals door [gedaagden] c.s. is gesteld — en dat onderhavige locatie daarvoor uitstekend kan dienen. De vorm van het perceel is daarbij evenmin relevant. Met inachtneming van het voorgaande en de door de rechtbank vastgestelde waarde van de grond en de hierna te vermelden pachtersvergoeding neemt de rechtbank als waardevermindering van het overblijvende het volgende bedrag in aanmerking:
Waarde van het geheel (onteigende en overblijvende tezamen) vóór onteigening:
Waarde onteigende (54.965 m2 à afgerond € 12,30 per m2) = | € | 675.842,50 | |
Waarde overblijvende: (9130 m2 à € 5,47 per m2) = | € | 49.941,00 | (verpacht) |
Totaal | € | 725.783,50 |
Som van de waarde van het onteigende en de waarde van het overblijvende na onteigening:
Waarde onteigende = | € | 675.842,50 | |
waarde overblijvende deel: (9130 m2 à € 5,00 per m2) = | € | 45.650,00 | (onverpacht) |
Totaal | € | 721.492,50 |
Waardevermindering overblijvende (€ 725.783,50 minus € 721.492,50) = € 4.291,00.
Inkomensschade voor [gedaagden] c.s.
2.16.
De deskundigen begroten de inkomensschade voor [gedaagden] c.s. op nihil.
2.17.
[gedaagden] c.s. heeft niet gesteld dat hij inkomensschade lijdt en de gemeente heeft de inkomensschade voor [gedaagden] c.s. eveneens begroot op nihil.
2.18.
De rechtbank neemt het oordeel van de deskundigen dat [gedaagden] c.s. geen inkomensschade lijdt, als door partijen onweersproken over.
Bijkomende schade voor [gedaagden] c.s.
2.19.
De deskundigen begroten de bijkomende schade voor [gedaagden] c.s. op nihil.
2.20.
[gedaagden] c.s. heeft niet gesteld dat hij bijkomende schade lijdt en de gemeente heeft zich niet expliciet uitgelaten over de bijkomende schade voor [gedaagden] c.s.
2.21.
De rechtbank neemt het oordeel van de deskundigen dat [gedaagden] c.s. geen bijkomende schade lijdt, eveneens als door partijen onweersproken over.
Belastingschade
2.22.
De deskundigen verwachten dat [gedaagden] c.s. als gevolg van de onderhavige onteigening geen belastingschade zal lijden. Voor het geval dit anders mocht zijn, gaan de deskundigen ervan uit dat de gemeente zal aanbieden en [gedaagden] c.s. als vergoeding of ter verrekening zal aanvaarden het bedrag dat hij eventueel meer en/of eerder c.q. minder aan belasting zal hebben te betalen dan wanneer de onteigening niet zou hebben plaatsgevonden. Voorshands nemen de deskundigen deze schadepost daarom op als P.M.
2.23.
De gemeente heeft zich niet uitgelaten over de belastingschade.
2.24.
[gedaagden] c.s. stelt dat thans nog niet valt te overzien of er sprake is van belastingschade. Hij verzoekt de gemeente om toe te zeggen dat — na afloop van de onteigening — op haar kosten daaromtrent advies wordt ingewonnen bij de SAOZ.
2.25.
De rechtbank neemt het advies van de deskundigen op dit punt over, met dien verstande dat ervan uit wordt gegaan dat het eventuele bedrag aan belastingschade zal worden vastgesteld door de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken te Rotterdam.
Derde-belanghebbenden
Schadeloosstelling [requirant]
2.26.
Bij de berekening van de schadeloosstelling nemen de deskundigen tot uitgangspunt wat een redelijk handelend ondernemer in de situatie van [requirant] —op basis van zakelijke motieven— zou beslissen.
De deskundigen hebben berekend dat [requirant] over de jaren 2013, 2014 en 2015 met zijn totale areaal van gemiddeld 115.75 hectare een gemiddelde winst heeft gegenereerd van € 24.454,67, hetgeen voor het onteigende —dat een omvang heeft van 5,4965 hectare— neerkomt op een gemiddelde winst van € 1.161,25. Aangezien het overblijvende nutteloos zal zijn voor [requirant] en er geen pachtgronden in de omgeving beschikbaar zijn, gaan de deskundigen ervan uit dat [requirant] 06.40,95 hectare zal moeten aankopen in geval van reconstructie. Daarmee zal naar het oordeel van de deskundigen een bedrag zijn gemoeid van circa € 448.665,00, hetgeen gefinancierd zou kunnen worden. De jaarlijkse rentelasten zullen —uitgaande van een rentepercentage van 5%— € 22.433,25 bedragen, hetgeen veel hoger is dan de winst die [requirant] met de vervangende grond zou kunnen maken. Tegen die achtergrond is de verhouding tussen de investering en het daarmee te verdienen inkomen niet aanvaardbaar voor een redelijk handelend ondernemer om over te gaan tot aankoop van vervangende grond.
De deskundigen beramen de schadeloosstelling voor [requirant] op basis van liquidatie op een bedrag van € 66.185,84.
Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat de schadeloosstelling voor [requirant] dient te worden berekend op basis van aankoop van vervangende grond, hebben de deskundigen deze schadeloosstelling eveneens berekend. Zij beramen de totale kosten van reconstructie op een bedrag van € 171.505,40. De deskundigen merken daarbij op dat in dat geval de aan [requirant] toekomende schadeloosstelling aanmerkelijk hoger is, hetgeen gevolgen heeft voor de schadeloosstelling aan [gedaagden] c.s., in die zin dat deze alsdan afneemt.
2.27.
De gemeente kan zich vinden in de wijze van berekening door de deskundigen van de schadeloosstelling voor [requirant]. Volgens de gemeente is de omvang van de pachtersvergoeding niet zo zeer relevant, in die zin dat sprake is van communicerende vaten. Indien de pachtdruk stijgt, daalt de werkelijke waarde die de eigenaar toekomt en vice versa, aldus de gemeente. Indien de eigenaar wil komen tot de volle waarde van de grond, dient hij met de pachter af te rekenen. De omvang van die afrekening is door de deskundigen becijferd en een redelijk handelend koper die de grond wil gebruiken conform de (glastuinbouw)bestemming zal bij zijn prijsstelling rekening houden met die afkoop van de pachter, aldus de gemeente.
2.28.
[requirant] stelt dat reeds rekening is gehouden met de waarde in verpachte staat, zodat niet relevant is of de schade aan de pachter op basis van liquidatie of reconstructie wordt bepaald. Voor zover het wel relevant is betwist [requirant] dat sprake is van volledig communicerende vaten; er is geen regel die stelt dat de aan de pachter toekomende schadeloosstelling geheel moet worden afgetrokken van de aan een eigenaar toekomende schadeloosstelling.
[requirant] stelt voorts dat de schadeloosstelling voor hem moet worden gebaseerd op basis van reconstructie. [requirant] is nog jong en investeert regelmatig in zijn bedrijf. De deskundigen zijn er ten onrechte vanuit gegaan dat [requirant] 5% rente zou moeten betalen over een ten behoeve van de aankoop van vervangende grond af te sluiten lening.
Bovendien spelen volgens [requirant] bij de aankoop van vervangende grond meer motieven een rol dan alleen de verhouding aankoopkosten versus winst. Van belang is dat een agrarisch ondernemer zonder grond zijn bedrijf niet kan voeren, dat schaalvergroting en de voordelen die daarmee gepaard gaan in de landbouw een belangrijke rol spelen, dat aankoop van bijvoorbeeld 5 hectare het totale rendement wellicht iets zal drukken, maar in zijn geheel niet maakt dat het rendement negatief zal worden en dat op de grond niet wordt afgeschreven, maar dat deze eerder in waarde zal stijgen. Door bij hun berekening alleen naar de (kosten van de) aan te kopen grond te kijken, gaan de deskundigen aan deze motieven voorbij, waardoor [requirant] in zijn belangen wordt geschaad.
2.29.
De rechtbank overweegt dat geen van partijen de berekeningen die de deskundigen ten grondslag hebben gelegd aan hun conclusie dat de schadeloosstelling voor [requirant] dient te worden berekend op basis van liquidatie heeft weersproken. De rechtbank neemt deze berekeningen dan ook tot uitgangspunt en overweegt dat, gelet op de verhouding tussen de investering bij de aankoop van vervangende grond en het daarmee te verdienen inkomen, de schadeloosstelling dient te worden berekend op basis van liquidatie. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat ook bij een lagere rente de investering niet opweegt tegen de kosten. Zij stelt de schadeloosstelling voor [requirant] vast op (afgerond) € 66.186,00.
2.30.
Resumerend zal de rechtbank de totale schadeloosstelling als volgt vaststellen:
Voor [gedaagden] c.s.:
- | waarde van het onteigende | € | 675.842,50 | |
- | waardevermindering van het overblijvende | € | 4.291,00 | |
- | inkomensschade | nihil | ||
- | bijkomende schade | nihil | ||
- | belastingschade | P.M. | ||
- | rente | P.M. | ||
totaal | € | 680.133,50 | + 2x P.M. | |
Voor [requirant]
- | schadeloosstelling | € | 66.186,00 | |
- | rente | P.M. | ||
totaal | € | 66.186,00 | + P.M. | |
Rente
2.31.
De deskundigen hebben geadviseerd de te vergoeden rente aan [gedaagden] c.s. en [requirant] over het verschil tussen het voorschot en de definitief vast te stellen schadeloosstelling over de periode tussen de inschrijving van het onteigeningsvonnis en de datum waarop in dit vonnis de schadeloosstelling wordt vastgesteld te bepalen op 1,5 % per jaar.
2.32.
[gedaagden] c.s. stelt dat hij het verschil tussen het voorschot en de definitieve schadeloosstelling had kunnen gebruiken ter aflossing van de hypotheken. Omdat hij heeft moeten wachten op dit bedrag lijdt hij schade, die niet geheel wordt gedekt door de te vergoeden rente. Het deel van de schade dat niet wordt gedekt dient voor vergoeding in aanmerking te komen. Voorst hebben de deskundigen volgens [gedaagden] c.s. onvoldoende onderbouwd waarom geen rekening wordt gehouden met een percentage van 1,6%, zoals dat blijkt uit de door de gemeente aangedragen jurisprudentie.
2.33.
De rechtbank overweegt dat de vergoeding voor het nadeel dat [gedaagden] c.s. en [requirant] lijden doordat het voorschot lager is dan de definitief vast te stellen schadeloosstelling, moet worden begroot naar de waarde van het gemiste genot, die niet noodzakelijkerwijze gelijk is te stellen aan de wettelijke rente over het gemiste bedrag. Zij stelt dit percentage vast op 1,6%. De gemeente heeft ter zitting aangevoerd dat de bandbreedte van de rente 1,4%-1,6% bedraagt en de deskundigen hebben niet dan wel onvoldoende onderbouwd waarom moet worden uitgegaan van een percentage van 1,5%. Voor zover [gedaagden] c.s. stelt dat moet worden aangesloten bij de hypotheekrente, gaat de rechtbank daaraan voorbij, aangezien de door [gedaagden] c.s. op dit punt overgelegde stukken alleen [gedaagde 2] betreffen.
De gemeente zal voorts op de voet van artikel 55 lid 3 Ow aan [gedaagden] c.s. en [requirant] over het verschil tussen het voorschot en de definitief vast te stellen schadeloosstelling vermeerderd met de vergoeding van de hiervoor genoemde renteschade de wettelijke rente dienen te vergoeden vanaf heden tot de dag der algehele voldoening.
Kosten van juridische en deskundige bijstand
2.34.
[gedaagden] c.s. en [requirant] maken aanspraak op de volgende kosten, waarbij [requirant] zijn kosten niet afzonderlijk heeft gespecificeerd:
kosten van juridische en deskundige bijstand:
periode 19 oktober 2012 t/m 31 mei 2016 | € | 82.626,20 | (incl. btw) |
periode 24 juni 2016 t/m 5 december 2017 | € | 21.746,40 | (incl. btw) |
Totaal | € | 104.372,60 | (incl. btw) |
waarvan aan kosten wegens deskundige bijstand:
- | Gloudemans | € | 3.462,00 | (excl. btw) |
- | Breukers | |||
periode 19 oktober 2012 t/m 31 mei 2016 | € | 18.705,00 | (excl. btw) | |
periode 24 juni 2016 t/m 5 december 2017 | € | 5.879,75 | (excl. btw) | |
Totaal | € | 24.584,75 | (excl. btw) | |
2.35.
De gemeente stelt zich op het standpunt dat de door [gedaagden] c.s. opgevoerde kosten forse matiging behoeven. Als algemeen verweer voert de gemeente aan dat er in dit geval geen aanleiding bestaat voor vergoeding van de kosten van het vergeefs gevoerde verweer tegen de (vervroegde) onteigening. Uit de overgelegde declaraties blijkt dat aan dat verweer (opstellen conclusie van antwoord, redigeren pleitnota en pleidooi) circa 22 uur van mr. Linssen en 6,5 uur van de heer Breukers kunnen worden toegerekend.
Daarnaast vallen de kosten verbonden aan het vergeefs gebleken cassatieberoep tegen het onteigeningsvonnis niet onder artikel 50 Ow, aldus de gemeente. Mr. Linssen heeft veel uren gemaakt na 11 april 2014, de dag waarop de Hoge Raad het cassatieberoep van [gedaagden] c.s. verwierp. Die uren hangen zeer waarschijnlijk samen met (de verwerping van) dat vergeefse cassatieberoep en rechtvaardigen eveneens matiging, aldus de gemeente.
2.36.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de kosten van juridische en deskundige bijstand als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 50 lid 1. Ow wordt de onteigenende partij in beginsel veroordeeld in de kosten van het geding (waaronder de kosten van juridische en deskundige bijstand). De stelling van de gemeente dat [gedaagden] c.s. de kosten die betrekking hebben op de cassatieprocedure zelf dient te dragen, aangezien de Hoge Raad [gedaagden] c.s. bij arrest van 11 april 2014 heeft veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, is op zich juist. Uit de specificatie bij de declaratie van mr. Linssen blijkt echter niet dat daarin uren zijn vermeld die betrekking hebben op de cassatieprocedure. Het verweer van de gemeente dat veel uren gemaakt na 11 april 2014 zeer waarschijnlijk betrekking hebben op de cassatieprocedure is onvoldoende onderbouwd. Het ligt voor de hand dat de uren die in het kader van de cassatieprocedure zijn besteed juist voorafgaand aan de datum van het arrest zijn gemaakt. Het verweer van de gemeente op dit punt wordt gepasseerd.
2.37.
Ingevolge artikel 50 lid 4 Ow en de daarop gebaseerde rechtspraak dient getoetst te worden of het redelijk is dat de kosten van juridische en andere deskundige bijstand zijn gemaakt en of de omvang van de kosten (de hoogte van de declaraties) redelijk is. Daarbij spelen ook het belang van de zaak, zoals dit tot uitdrukking komt in de samenstelling en de hoogte van de toegekende schadeloosstelling, en de mate waarin een zaak juridisch of anderszins ingewikkeld is, een rol.
De vraag of de door [gedaagden] c.s. gedeclareerde kosten deze dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan, zal worden beantwoord aan de hand van de door de gemeente naar voren gebrachte bezwaren.
Ten aanzien van het algemene bezwaar van de gemeente dat de kosten van het vergeefs gevoerde verweer tegen de onteigening niet voor vergoeding in aanmerking komen, overweegt de rechtbank dat naar haar oordeel het door [gedaagden] c.s. gevoerde verweer tegen de vervroegde onteigening niet bij voorbaat kansloos was. De daarmee gemoeid zijnde kosten dienen derhalve niet om die reden buiten vergoeding te blijven.
Kosten mr. Linssen
2.38.
De gemeente stelt dat de kostenopgave van mr. Linssen de toets van artikel 50 Ow niet kan doorstaan.
Ten aanzien van de kosten in de periode 19 oktober 2012 t/m 31 mei 2016 stelt de gemeente dat blijkens de declaraties extreem veel brieven en e-mails aan [gedaagden] c.s. zijn verstuurd. Op sommige dagen wel drie tot vier brieven per dag. De gemeente betwijfelt of een dermate intensieve correspondentie nodig is geweest en daarmee als redelijk kan worden beschouwd. Voor zover. mr. Linssen in zijn brief van 5 december 2017 opmerkt dat het verzenden van meerdere brieven op één dag het gevolg is van het feit dat eenzelfde bericht aan de diverse erven is verzonden, is de gemeente van mening dat het in een dergelijk geval niet aangaat om voor het enkele verzenden van een dergelijk afschrift aan een ander adres steeds zes declarabele (advocaat)minuten in rekening te brengen. Het betreft een louter administratieve handeling die doorgaans door een secretaresse zal worden verricht. De gemeente ziet aanleiding tot matiging van de kosten met circa 10 uur.
Voorts blijkt volgens de gemeente dat circa 150 brieven en/of e-mails zijn gewisseld met zogenaamde ‘derden’. Deze kostenpost is door [gedaagden] c.s. onvoldoende onderbouwd. Voor zover deze post ziet op contacten die samenhangen met de belangstelling van derden de afgelopen jaren voor de grond van [gedaagden] c.s. betreft dit geen kosten die zijn gemaakt in het kader van het onteigeningstraject, maar kosten die zien op (vergeefse) pogingen de grond te verkopen aan een ander dan de (beoogde) onteigenaar. Dit type kosten komt niet voor vergoeding in aanmerking. De gemeente acht een matiging van 10 uur reëel.
Met betrekking tot het uurtarief van mr. Linssen voert de gemeente aan dat een tarief van € 230,00 per uur redelijk is, maar dat bij een dergelijk uurtarief geen opslag voor kantoorkosten past. De gemeente acht die opslag niet redelijk en acht zich niet gehouden om in het kader van de toepassing van artikel 50 Ow ook die opslag te vergoeden.
Ten aanzien van de kosten in de periode 24 juni 2016 t/m 5 december 2017 stelt de gemeente dat deze kosten grotendeels kunnen worden toegerekend aan een buitensporig grote hoeveelheid e-mails en telefoontjes met ‘cliënt’ en ‘derden’. Behoudens nadere toelichting, die ontbreekt, betwist de gemeente de noodzaak, althans de redelijkheid, van een dergelijk veelvuldig contact in een periode waarin enkel nog sprake is geweest van het uitbrengen van een aanvullend advies door deskundigen.
In de nota van mr. Linssen is ten slotte een niet-gespecificeerd bedrag aan verschotten opgenomen. Dit betreft de aanvullende nota van de heer Breukers, die niet dubbel kan worden vergoed.
Concluderend stelt de gemeente dat op de kosten van mr. Linssen een korting van circa 42 uur in mindering moet worden gebracht en dat de kantooropslag volledig onvergoed dient te blijven.
2.39.
In reactie op het verweer van de gemeente heeft mr. Linssen aangevoerd dat hij optreedt namens vier afzonderlijke cliënten die, met uitzondering van [requirant] en zijn echtgenote, op een ander adres wonen. Dat verklaart waarom er soms drie tot vier brieven per dag zijn verstuurd.
Volgens mr. Linssen is voorts van een dubbeltelling van de factuur van de heer Breukers geen sprake. De factuur is in de declaratie opgenomen onder belaste verschotten, de factuur van Breukers is bijgevoegd ter specificatie.
2.40.
De rechtbank is met de gemeente van oordeel dat op de kostenpost correspondentie met [gedaagden] c.s. in de periode 19 oktober 2012 t/m 31 mei 2016 een aantal van 10 uur in mindering moet worden gebracht. Het verzenden van dezelfde brief aan de verschillende cliënten rechtvaardigt geen volledige declaratie van kosten op basis van het uurtarief van de advocaat, maar wordt geacht te vallen onder de post kantoorkosten.
De kostenpost van circa 150 brieven en/of e-mails die zijn gewisseld met zogenaamde ‘derden’ is naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op het bezwaar van de gemeente hiertegen, door [gedaagden] c.s. onvoldoende onderbouwd, ondanks dat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld. De rechtbank ziet aanleiding deze kosten te matigen met 10 uur.
Uit de nadere toelichting door [gedaagden] c.s. blijkt dat van een dubbeltelling van de factuur van de heer Breukers geen sprake is, zodat de rechtbank voorbijgaat aan het verweer van de gemeente op dit punt.
De rechtbank passeert voorts het verweer van de gemeente met betrekking tot de kantoorkosten. Het is redelijk dat naast een uurtarief een vast bedrag aan kantoorkosten wordt opgenomen.
Het door mr. Linssen gedeclareerde aantal van afgerond 49 uur voor de periode 24 juni 2016 t/m 5 december 2017 komt de rechtbank, gelet op de looptijd van de zaak en de ingewikkeldheid daarvan, niet onredelijk hoog voor.
Resumerend zal op de declaratie van mr. Linssen een aantal van 20 uur in mindering worden gebracht.
Kosten dhr, Breukers
2.41.
De gemeente ziet aanleiding voor aanzienlijke matiging van de kosten van dhr. Breukers. Uit de specificatie van zijn werkzaamheden blijkt dat hij veel tijd heeft gestoken in pogingen om — lopende de onteigeningsprocedure — de grond van [gedaagden] C.S. te verkopen aan een derde (niet zijnde de gemeente). De kosten die zien op dit traject vallen niet onder artikel 50 Ow, aldus de gemeente. Het betreft in totaal circa 30 uur.
Verder acht de gemeente het niet redelijk om de kosten van de aanwezigheid van dhr. Breukers bij het pleidooi inzake de vervroegde onteigening te vergoeden. Gelet op diens expertise was zijn aanwezigheid bij het pleidooi, dat louter zag op de vraag of de onteigening doorgang kon vinden, zonder reële toegevoegde waarde. De 6,5 uur die daaraan op 5 maart 2013 zijn toegedeeld komen derhalve niet voor vergoeding in aanmerking.
Ten aanzien van de kosten in de periode 24 juni 2016 t/m 5 december 2017 stelt de gemeente dat zonder nadere toelichting —die ontbreekt— niet duidelijk is welk stuk dhr. Breukers op 5 november 2017 heeft opgesteld en welk rapport hij op 7 november 2017 heeft aangepast. Die kosten, waarvan de redelijkheid niet kan worden beoordeeld, dienen buiten vergoeding te blijven.
Concluderend stelt de gemeente dat op de kosten van dhr. Breukers een korting van circa 36,5 uur in mindering dient te worden gebracht.
2.42.
[gedaagden] c.s. heeft toegelicht dat de heer Breukers op 5 november 2017 een schriftelijke rapportage heeft opgesteld ten behoeve van mr. Linssen voor het redigeren van de pleitnota. Op 7 november 2017 heeft de heer Breukers een notitie opgesteld voor zichzelf ten behoeve van het pleidooi, aldus mr. Linssen.
2.43.
De rechtbank is met de gemeente van oordeel dat de kosten die gemoeid zijn met onderhandelingen met derden in verband met verkoop van de grond van [gedaagden] c.s. niet onder artikel 50 Ow vallen en niet voor vergoeding in het kader van onderhavige procedure in aanmerking komen. Uit de specificatie blijkt dat dit een aantal van circa 30 uur betreft, dat in mindering zal worden gebracht.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de aanwezigheid van de heer Breukers bij het pleidooi over de onteigening niet noodzakelijk was, nu dit een puur juridische aangelegenheid betrof. De aanwezigheid van de heer Breukers wordt geacht geen toegevoegde waarde te hebben gehad. De kosten die daarmee gepaard gaan worden, gelet op de eerder genoemde dubbele redelijkheidstoets, niet in het kader van onderhavige procedure vergoed.
De kostenpost met betrekking tot de periode 24 juni 2016 t/m 5 december 2017 is, gelet op de nadere toelichting door [gedaagden] c.s., voldoende onderbouwd en komt wel voor vergoeding in aanmerking.
Concluderend zal een aantal van 36,5 uur in mindering worden gebracht op de factuur van de heer Breukers.
Kosten Gloudemans
2.44.
De gemeente stelt dat de kosten van Gloudemans buiten vergoeding dienen te blijven. De twee opinies van dhr. [naam 4] voegen niets toe aan het processuele debat. Bovendien valt niet in te zien waarom [gedaagden] c.s., die zich in de gehele procedure heeft voorzien van bijstand door een advocaat, noodzaak ziet om een niet eerder bij deze procedure betrokken rentmeester in te schakelen om zijn licht te laten schijnen over een puur juridische kwestie, namelijk een interpretatie van de conclusies van waarnemend advocaat-generaal Van Oven voorafgaand aan de latere arresten van 15 januari 2016.
2.45.
De rechtbank is met de gemeente van oordeel dat de kosten van Gloudemans buiten vergoeding moeten blijven. Deze kosten zijn niet gespecificeerd. Voor zover deze kosten betrekking hebben op het advies van de heer [naam 4] van 25 september 2015 en de brief van de heer [naam 4] en de heer [naam 5] van 25 mei 2016 aan mr. Linssen, overweegt de rechtbank dat mr. Linssen geen kosten in rekening kan brengen voor juridisch advies dat aan hemzelf is gegeven, nu hij immers geacht wordt deze deskundigheid zelf te bezitten. Dit zou mogelijk anders zijn als mr. Linssen aannemelijk had gemaakt dat hij ten gevolge van dit advies relevant minder uren van hemzelf in rekening heeft kunnen brengen. Dit heeft hij echter niet gedaan.
2.46.
Resumerend dient de gemeente aan [gedaagden] c.s. en [requirant] te vergoeden wegens kosten van juridische en deskundige bijstand een totaalbedrag van
periode 19 oktober 2012 t/m 31 mei 2016 | € | 66.466,65 | (incl. btw) |
periode 24 juni 2016 t/m 5 december 2017 | € | 21.746,40 | (incl. btw) |
Totaal | € | 88.213,05 | (incl. btw). |
Kosten van rechtbankdeskundigen
2.47.
De kosten van de door de rechtbank benoemde drie deskundigen bedragen volgens hun opgaven voor de twee rapporten gezamenlijk € 78.169,23 (incl. btw). De gemeente heeft meegedeeld ten aanzien van deze kostenopgave geen commentaar te hebben. De gemeente zal als onteigenende partij dan ook worden veroordeeld tot betaling van deze kosten.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1.
stelt het bedrag van de te dezer zake door de gemeente aan [gedaagden] c.s. verschuldigde schadeloosstelling vast op € 680.133,50 + P.M.,
3.2.
stelt het bedrag van de te dezer zake door de gemeente aan [requirant] verschuldigde schadeloosstelling vast op € 66.186,00,
3.3.
veroordeelt de gemeente om aan [gedaagden] c.s. te betalen het bedrag waarmee de totale schadeloosstelling het totale voorschot te boven gaat en mitsdien tot betaling van een bedrag van € 240.413,50,--, vermeerderd met een rente van 1,6% daarover vanaf 20 mei 2014 tot 21 februari 2018, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 240.413,50 en het bedrag van de tot 21 februari 2018 vervallen rente vanaf 21 februari 2018 tot aan de dag van voldoening,
3.4.
veroordeelt de gemeente om aan [requirant] te betalen het bedrag waarmee de totale schadeloosstelling het totale voorschot te boven gaat en mitsdien tot betaling van een bedrag van € 66.186,00,--, vermeerderd met een rente van 1,6% daarover vanaf 20 mei 2014 tot 21 februari 2018, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 66.186,00 en het bedrag van de tot 21 februari 2018 vervallen rente vanaf 21 februari 2018 tot aan de dag van voldoening,
3.5.
wijst aan als nieuwsblad waarin door de griffier van deze rechtbank dit vonnis bij uittreksel zal worden geplaatst: de Provinciale Zeeuwse Courant,
3.6.
veroordeelt de gemeente in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagden] c.s. en [requirant] begroot op € 88.213,05 (inclusief BTW) ter zake van kosten van juridische en overige deskundige bijstand en € 1.436,00 ter zake van griffierechten,
3.7.
veroordeelt de gemeente tevens in de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen, vastgesteld op een totaalbedrag van € 78.169,23 (incl. btw),
3.8.
verklaart dit vonnis voor wat de veroordelingen tot betaling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit, mr. H.A. Witsiers en mr. J.A. van Voorthuizen en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2018.
Uitspraak 07‑09‑2016
Inhoudsindicatie
Onteigening. Toepassing eliminatie beginsel, anders dan deskundigen. Schadeloosstelling pachter. Schadeloosstelling op basis van voortzetting of beëindiging van activiteiten:motivering.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Zittingsplaats: Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/12/85941 / HA ZA 12-265
Vonnis van 7 september 2016
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE TERNEUZEN,
zetelend te Terneuzen,
eiseres,
advocaat mr. J.A.M.A. Sluysmans te ‘s-Gravenhage,
tegen
1. [gedaagden] ,
wonende te Hulst,
2. [gedaagden],
wonende te Ossenisse, gemeente Hulst,
3. [gedaagden],
wonende te Rotterdam,
gedaagden,advocaat mr. Th.J.H.M. Linssen te Tilburg,
en
4. [requirant]
wonende te Hulst,
requirant tot tussenkomst,
advocaat mr. Th.J.H.M. Linssen te Tilburg.
Partijen zullen hierna de gemeente, [gedaagden] en [requirant] worden genoemd.
1. 1. De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:- het tussenvonnis van 3 april 2013- de akte van 11 maart 2015, houdende depot deskundigenrapport- de brief van mr. Linssen van 24 september 2015 met producties- het rolbericht van de zijde van [gedaagden] en [requirant] van 26 mei 2016, inhoudende overlegging producties 1 t/m 4- de brief van mr. Van Mierlo van 7 juni 2016 met opgave van de deskundigenkosten- de pleitnota van de zijde van de gemeente- de pleitnota van de zijde van [gedaagden] en [requirant]- het proces-verbaal van het pleidooi, gehouden op 31 mei 2016- de faxbrief van mr. Linssen van 15 juni 2016 met opgave van de deskundigenkosten- de brief van mr. Sluijsmans van 24 juni 2016 met reactie op de kostenopgave.
1.2.
Bij beschikking van de rechtbank Middelburg, thans rechtbank Zeeland-West-Brabant, van 11 oktober 2012 heeft de rechtbank mr. H.J.M. Van Mierlo, J.J. Joziasse en G.N.A. Roovers tot deskundigen benoemd. Bij beschikking van 14 januari 2013 is G.N.A. Roovers van zijn taak als deskundige op te treden ontheven en is in zijn plaats C.B. ten Hove tot deskundige benoemd.Op 4 februari 2013 hebben de deskundigen het onteigende nader opgenomen. Mr. Van Mierlo heeft, als voorzitter van de deskundigencommissie, bij brief van 19 december 2014 het conceptdeskundigenrapport gedeponeerd.Namens de gemeente is hierop gereageerd bij brief van 16 januari 2015, namens [gedaagden] en [requirant] bij brief van 30 januari 2015.De zaak is, nadat aanvankelijk pleidooi was bepaald op 5 oktober 2015, welk pleidooi is aangehouden in afwachting van uitspraken van de Hoge Raad omtrent - kort gezegd - “het eliminatiebeginsel”, bepleit op 31 mei 2016.
1.3.
Ter gelegenheid van het pleidooi heeft de gemeente zich op het standpunt gesteld dat de door [gedaagden] en [requirant] bij rolbericht van 26 mei 2016 overgelegde stukken te laat zijn ingediend. Deze stukken dienen volgens de gemeente buiten beschouwing te blijven.[gedaagden] en [requirant] hebben aangevoerd dat de stukken aansluiten bij eerder ingediende stukken en het eerder ingenomen standpunt van [gedaagden] en [requirant] ondersteunen.De rechtbank heeft geoordeeld dat de betreffende stukken door mr. Linssen weliswaar te laat zijn ingediend, maar dat gesteld noch is gebleken dat de gemeente in haar verdediging is geschaad. De stukken zijn toegelaten.
2. De verdere beoordeling
2.1.
Bij vonnis van 3 april 2013 (hierna: het onteigeningsvonnis) heeft de rechtbank vervroegd de onteigening uitgesproken ten name van de gemeente van het perceel:kadastraal bekend gemeente Sas van Gent, sectie M, nummer 766, (totaal groot 06.40.95 ha) grondplannummer 1, ter grootte van 05.49.65 ha, omschrijving terrein (akkerbouw).Het onteigende is thans kadastraal hernummerd tot sectie M, nummer 1335. Het overblijvende heeft het nummer sectie M 1336 gekregen.
2.2.
In het onteigeningsvonnis is het aan [gedaagden] te betalen voorschot op de schadeloosstelling bepaald op € 439.720,00. Het aan [requirant] te betalen voorschot op de schadeloosstelling is bepaald op nihil.
2.3.
[gedaagden] heeft cassatieberoep ingesteld tegen het onteigeningsvonnis. Dit cassatieberoep is bij arrest van de Hoge Raad van 11 april 2014 verworpen. Het onteigeningsvonnis is op 20 mei 2014 ingeschreven in de openbare registers.2.4. De bij beschikkingen van 11 oktober 2012 en 14 januari 2013 benoemde deskundigen is opgedragen de schadeloosstelling te begroten.
2.5.
De deskundigen hebben in hun rapport de aan [gedaagden] te betalen schadeloosstelling als volgt begroot: - waarde van het onteigende € 178.636,25 - waardevermindering van het overblijvende € 18.260,00 - inkomensschade nihil - bijkomende schade nihil - belastingschade P.M. - rente P.M. totaal € 196.897,00 + 2x P.M.
2.6.
De schadeloosstelling voor [requirant] is door de deskundigen begroot op: - schadeloosstelling € 166.740,00 - rente P.M.totaal € 166.740,00 + P.M.
2.7.
Namens de gemeente is aan [gedaagden] laatstelijk aangeboden als schadeloosstelling een bedrag van € 439.720,00 en aan [requirant] een bedrag van nihil.
2.8.
[gedaagden] stelt zich op het standpunt dat het deskundigenrapport onvoldoende grondslag en onderbouwing biedt om de schadeloosstelling voor hem vast te stellen op het door de deskundigen geadviseerde bedrag.[requirant] heeft de door de deskundigen begrote aan hem te betalen schadeloosstelling (nog) op één punt betwist.
2.9.
De standpunten van partijen ten aanzien van (de hoogte van) de voor vergoeding in aanmerking komende posten, zullen conform de in het deskundigenrapport onderscheiden paragrafen worden behandeld.
Waarde van het onteigende
2.10.
Ter plaatse van het onteigende vigeert het bestemmingsplan “Glastuinbouwgebied Kanaalzone”, vastgesteld op 26 juni 2008 door de raad van de gemeente Terneuzen. Het plan is op 4 november 2008 goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Zeeland. Dit plan voorziet in de komst van een nieuw glastuinbouwgebied in (gedeelten van) de Koegorspolder, de Smidsschorrepolder en de Autrichepolder. Het onteigende is gelegen in de Smidsschorrepolder. Op grond van voornoemd bestemmingsplan rustte op de peildatum op het onteigende de bestemming “glastuinbouwdoeleinden (GL)”, met voor een deel de dubbelbestemming “buisleidingenstrook toetsingsgebied”.Voorafgaand aan de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Glastuinbouwgebied Kanaalzone” gold voor het onteigende het bestemmingsplan “Axelse Vlakte I”, met de bestemming “agrarische doeleinden”.
Wijze van gebruik
2.11.
Het onteigende betreft een rechthoekig perceel van 54.965 m², dat door [requirant] , die is gehuwd met één van de eigenaren, wordt gebruikt ten behoeve van zijn akkerbouwbedrijf.
Pacht
2.12.
[requirant] stelt dat hij het onteigende pacht van [gedaagden] Aanvankelijk heeft hij het onteigende gepacht op basis van een schriftelijke en door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst met [vader] (vader van [gedaagden] ). Deze overeenkomst is aangegaan per 1 januari 2009 en eindigde per 31 december 2014. Op 2 april 2012 heeft [vader] het onteigende overgedragen aan zijn kinderen, [gedaagden] [requirant] stelt dat hij op enig moment een nieuwe mondelinge pachtovereenkomst heeft gesloten met [gedaagden] voor onbepaalde tijd.
2.13.
De gemeente stelt dat op de peildatum geen pachtovereenkomst bestaat, althans dat die overeenkomst per 31 december 2014 is geëindigd.
2.14.
De deskundigen gaan uit van waardering van het onteigende in verpachte staat. Zij stellen dat er op de peildatum een pachtovereenkomst bestond tussen [gedaagden] en [requirant] . De omstandigheid dat het onteigende op 2 april 2012 is overgedragen aan [gedaagden] heeft slechts tot gevolg dat de persoon van de verpachter is gewijzigd; de pachtovereenkomst is in stand gebleven, aldus de deskundigen.
2.15.
De rechtbank onderschrijft de conclusie van de deskundigen op dit punt en maakt dit oordeel tot het hare.
2.16.
Ingevolge artikel 40a Onteigeningswet (Ow) dient de waarde van het onteigende bepaald te worden op basis van de prijs, die zonder onteigening op de peildatum in het vrije economische verkeer tot stand zou zijn gekomen. De waarde van het onteigende dient daarbij in beginsel te worden bepaald met inachtneming van onder meer de bestemming, de ligging en de huidige en toekomstige bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van het onteigende. Indien sprake is van meerdere bouw- of gebruiksmogelijkheden kan [gedaagden] daarbij in beginsel aanspraak maken op de hoogste waarde.Bij de waardering van het onteigende dienen overigens de voorschriften van de artikelen 40b tot en met 40f Ow in acht te worden genomen.
Eliminatie van de bestemming “glastuinbouwdoeleinden”?
2.17.
De deskundigen nemen als uitgangspunt dat ingevolge artikel 40c Ow bij het bepalen van de schadeloosstelling - en als onderdeel daarvan: bij de waardering van het onteigende - geen rekening wordt gehouden met voor- of nadelen, teweeggebracht door (1) het werk waarvoor onteigend wordt, (2) de overheidswerken die daarmee in verband staan en (3) de plannen voor de werken sub 1 en 2.Volgens vaste rechtspraak kan een bestemmingsplan in beginsel niet worden gekwalificeerd als een “plan voor het werk waarvoor onteigend wordt”. Dit is anders indien - kort gezegd - het bestemmingsplan slechts is vastgesteld om de planologische onderbouwing te geven van een al bestaand concreet plan voor het werk, aldus de deskundigen. In een voorkomend geval wordt het bestemmingsplan in zoverre beschouwd als behorende bij het plan voor het werk als bedoeld in artikel 40c onder 1 en 3 Ow (dat moet worden weggedacht).
2.18.
Onder verwijzing naar voornoemd kader stellen de deskundigen vast dat in dit geval bij de waardering van het onteigende het bestemmingsplan “Glastuinbouwgebied Kanaalzone”, en daarmee de ingevolge dit bestemmingsplan op het onteigende rustende bestemming “glastuinbouwdoeleinden”, moet worden geëlimineerd en dat derhalve bij de waardering van het onteigende moet worden teruggevallen op het voorheen geldende bestemmingsplan “Axelse vlakte I” dat ter plaatse de bestemming “agrarische doeleinden” projecteerde.De deskundigen geven in hun rapport (p. 25 en 26) een overzicht van de voorgeschiedenis van het bestemmingsplan “Glastuinbouwgebied Kanaalzone” en de afspraken over de realisering daarvan. Met inachtneming van de door hen geschetste ontwikkelingen concluderen zij dat er - voorafgaand aan de vaststelling van dit bestemmingsplan - al een voldoende concreet plan voor het werk was. In dat kader is volgens de deskundigen relevant dat het plan voor het werk nog niet geheel hoeft te zijn uitgewerkt op het moment dat het bestemmingsplan wordt vastgesteld.Daarnaast is het bestemmingsplan “Glastuinbouwgebied Kanaalzone” volgens de deskundigen vastgesteld om de juridisch planologische onderbouwing te geven voor het plan voor het werk.De deskundigen hebben naar aanleiding van de “15 januari-arresten” van de Hoge Raad hun conclusie dat aan alle vereisten voor eliminatie is voldaan gehandhaafd.Ten aanzien van het vereiste “overheidswerk” hebben de deskundigen nader toegelicht dat blijkens het arrest Goense/Zeeland (ECLI:NL:HR:2016:25) alleen eliminatie van een bestemming kan plaatsvinden, indien het bewuste werk voor rekening en risico van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:1 lid 1 en 2 BW wordt uitgevoerd. In het onderhavige geval zal de op het onteigende geprojecteerde glastuinbouwbestemming worden gerealiseerd door N.V. Zeeland Seaports. Hoewel dit op zichzelf geen publiekrechtelijke rechtspersoon is, is van belang dat 100% van de aandelen van N.V. Zeeland Seaports in eigendom is bij de Gemeenschappelijke Regeling Zeeland Seaports (GR). Deze GR is op haar beurt een samenwerkingsverband tussen de provincie Zeeland, en de gemeenten Terneuzen, Vlissingen en Borssele. Het werk wordt dus uiteindelijk voor rekening en risico van overheden uitgevoerd, aldus de deskundigen. In een dergelijke situatie is er naar het oordeel van de deskundigen voldaan aan het vereiste van een overheidswerk, ook al wordt de bestemming verwezenlijkt door een NV. Indien dit anders zou zijn, kan er bijvoorbeeld bij onteigeningen door de besloten vennootschap ProRail ten behoeve van de aanleg van spoorwegen nimmer sprake zijn van een overheidswerk. Dit zou als consequentie hebben dat de bestemming/aanduiding “spoorweg” nooit kan worden geëlimineerd. Dat kan niet de bedoeling zijn geweest van de Hoge Raad met de “15-januari arresten”, aldus de deskundigen.
2.19.
De gemeente schaart zich achter de conclusie en de overwegingen van de deskundigen op dit punt. Zij stelt dat het vigerende bestemmingsplan “Glastuinbouwgebied Kanaalzone” niet meer is dan de juridisch-planologische onderbouwing van een vóór de vaststelling van dat bestemmingsplan al bestaand concreet plan (zoals kenbaar uit de “Streekplanherziening Glastuinbouw” uit 2003 en de Nota Ruimte uit 2004 en in het bijzonder de “Zoekactie glastuinbouwlocatie Terneuzen” uit 2004 en het Omgevingsplan Zeeland 2006-2012). De omstandigheid dat het onderhavige werk tot stand wordt gebracht voor rekening en risico van N.V. Zeeland Seaports, die niet kwalificeert als een publiekrechtelijke rechtspersoon in de zin van artikel 2:1 lid 1 en 2 BW, staat volgens de gemeente niet aan eliminatie in de weg. De gemeente stelt dat de Hoge Raad in het arrest Goense/Zeeland het begrip overheidswerk koppelt aan de rechtspersonen als bedoeld in artikel 2:1 BW op basis van door hem concreet aangeduide vindplaatsen uit de parlementaire geschiedenis. Volgens de gemeente lijkt de Hoge Raad evenwel te miskennen dat de betreffende vindplaatsen betrekking hebben op een ontwerp van wet dat uiteindelijk – in de toenmalige vorm – de eindstreep niet heeft gehaald. In het ontwerp van 19 december 1979 (Kamerstukken II, 1979-80, 15978, nr. 2) luidde artikel 40c namelijk: “Bij het bepalen van de schadeloosstelling wegens verlies van een onroerende zaak of een beperkt zakelijk recht daarop wordt geen rekening gehouden met de voordelen of nadelen, teweeggebracht door activiteiten van de onteigenaar of van een publiekrechtelijk lichaam”. De passages uit de parlementaire geschiedenis die de Hoge Raad voor ogen heeft verduidelijken wat de wetgever voor ogen stond met het in dat ontwerp gebruikte begrip “publiekrechtelijk lichaam”, aldus de gemeente. Het ontwerp is nadien – bij nota van wijziging van 24 december 1980 – echter ingrijpend gewijzigd, hetgeen resulteerde in de huidige tekst. Hierbij is het oorspronkelijk beoogde artikel 40c in delen geknipt. Het “werk waarvoor onteigend wordt” is niet per definitie een werk dat door een publiekrechtelijk lichaam wordt uitgevoerd. Die eis geldt alleen ten aanzien van de werken als bedoeld in art. 40c onder 2 (en de plannen voor die werken). De ingevolge art. 40c onder 1 eventueel te elimineren werken (en – op grond van sub 3 – plannen voor die werken) kunnen “gewoon” door een willekeurige derde worden uitgevoerd. Als dat toevallig geen publiekrechtelijk lichaam is, staat dat niet in de weg aan de mogelijkheid van eliminatie. Bepalend is of aan die partij de uitvoering van een werk, dat in het publiek belang onteigening vordert, is toegestaan. De focus die de Hoge Raad legt op de uitvoering door een publiekrechtelijk lichaam, vindt dus – anders dan de Hoge Raad kennelijk meent – geen grondslag in de wetsgeschiedenis, aldus de gemeente. Zelfs als dit anders zou zijn, en toch zou moeten worden vastgehouden aan het “overheidswerk”, dan ziet de gemeente aanleiding om (ook) het glastuinbouwgebied als zodanig aan te merken. Weliswaar is N.V. Zeeland Seaports geen publiekrechtelijk lichaam, zij is wel een naamloze vennootschap waarvan alle aandelen worden gehouden door een rechtspersoon die kwalificeert als een publiekrechtelijk lichaam, namelijk de Gemeenschappelijke Regeling Zeeland Seaports; een samenwerkingsverband tussen andere publiekrechtelijke lichamen, de provincie Zeeland en de gemeenten Terneuzen, Vlissingen en Borssele. De ontwikkeling van het glastuinbouwgebied is een publiek werk dat aan N.V. Zeeland Seaports is toegestaan en opgedragen en ter verwezenlijking waarvan in voorkomend geval kan en mag worden onteigend. Dat is een andere situatie dan die waarin het werk wordt gerealiseerd door bijvoorbeeld een projectontwikkelaar. De gemeente stelt dat de deskundigen terecht de vergelijking trekken met ProRail. ProRail is evenmin een publiekrechtelijk lichaam, maar wel - net als N.V. Zeeland Seaports - een privaatrechtelijke rechtspersoon, waarvan de aandelen worden gehouden door de overheid, de Staat. Het is niet goed voorstelbaar dat de Hoge Raad in zijn arrest Goense/Zeeland een einde heeft willen maken aan de eliminatie van bestemmingen voor bijvoorbeeld spoorwegdoeleinden. Die moeten gewoon als “overheidswerk” blijven worden beschouwd, ook al worden zij door een privaatrechtelijke rechtspersoon als hiervoor beschreven gerealiseerd. Het voorgaande brengt naar de mening van de gemeente met zich dat bij de waardering van het onteigende, de huidige bestemming “glastuinbouwdoeleinden (GL)” moet worden weggedacht. In plaats daarvan dient te worden teruggevallen op de voorheen geldende bestemming “agrarische doeleinden”.
2.20.
[gedaagden] stelt dat de deskundigen bij de begroting van de schadeloosstelling ten onrechte het huidige bestemmingsplan “Glastuinbouwgebied Kanaalzone” en de bestemming “glastuinbouwdoeleinden” hebben geëlimineerd.Volgens [gedaagden] is er geen plaats voor eliminatie, nu er geen sprake is van een overheidswerk en een concreet plan waarvoor wordt onteigend.Ten aanzien van het vereiste “overheidswerk” voert van [gedaagden] aan dat N.V. Zeeland Seaports weliswaar een gemeenschappelijke regeling als aandeelhouder heeft, maar dat dat de NV nog geen overheid maakt. De GR heeft er bewust voor gekozen om een NV op te richten en daarmee de financiële risico’s buiten de overheid te plaatsen. Daarmee is geen sprake meer van een publiekrechtelijke rechtspersoon als bedoeld door de Hoge Raad in de “15 januari-arresten”. De GR kan in haar positie van aandeelhouder geen invloed uitoefenen op het beleid van de NV. De NV is in het rechtsverkeer een zelfstandig opererende privaatrechtelijke entiteit, niet zijnde een overheid. Reeds om die reden kunnen de deskundigen niet worden gevolgd in hun redenering, aldus [gedaagden]stelt verder dat de vergelijking die de deskundigen maken met de situatie rond ProRail mank gaat. Ten eerste heeft ProRail zelf de bevoegdheid om de (vervroegde) onteigening te vorderen en heeft zij om die reden al een bijzondere positie ten opzichte van (in dit geval) N.V. Zeeland Seaports, die deze bevoegdheid niet heeft. Daarnaast vinden onteigeningen door ProRail plaats in het algemeen (niet lucratief) belang (goede spoorverbindingen), terwijl de onderhavige ontwikkeling slechts is ingezet om lucratieve doeleinden (waardeverhogende bestemmingen benutten door gronduitgifte). De gemeente is slechts een doorgeefluik, zij ontwikkelt (als overheid) zelf niets. Een beroep op eliminatie van het lucratieve bestemmingsplan past niet in zo’n situatie, en is juist niet wat de Hoge Raad heeft bedoeld met zijn 15 januari-arresten. Uit die arresten volgt dat, alleen als er in het algemeen belang onteigend en ontwikkeld wordt, de grondeigenaren niet de waarde van de lucratieve bestemming krijgen.voert verder aan dat, nu sprake is van een bewuste verzelfstandiging van N.V. Zeeland Seaports, het werk waarvoor onteigend wordt niet meer voor rekening en risico van de overheid wordt uitgevoerd en dus geen overheidswerk is. Daarnaast is inmiddels duidelijk geworden dat de feitelijke verwezenlijking van de glastuinbouwbestemming niet door de gemeente maar door N.V. Zeeland Seaports wordt gerealiseerd. Deze is overgegaan tot het bouwrijp maken van de gronden en het uitgeven van de kavels aan particuliere marktpartijen. In het 15-januari arrest “Perkpolder” is bevestigd dat voorbereidingswerkzaamheden als het bouwrijp maken van gronden ten behoeve van een werk waarvoor wordt onteigend, nog niet maakt dat wordt onteigend ten behoeve van een overheidswerk.Voor zover de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een overheidswerk, stelt [gedaagden] gemotiveerd dat voor toepassing van de eliminatieregel alsnog onvoldoende grondslag is, nu een concreet plan daarvoor ontbreekt.
2.21.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 40c Ow wordt bij het bepalen van de werkelijke waarde van het onteigende geen rekening gehouden met voor- en nadelen veroorzaakt door het werk waarvoor onteigend wordt en door de plannen voor dit werk. Een bestemmingsplan is niet een plan voor het werk als bedoeld in artikel 40c sub 3 Ow en wordt dus in beginsel niet geëlimineerd. Dit is anders als de in het bestemmingsplan gegeven bestemming is bepaald door een ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan bestaand (concreet) plan voor een werk ter plaatse van het onteigende, zodat de vastgestelde bestemming slechts de juridisch-planologische onderbouwing en regeling geeft om de beoogde realisering van het werk mogelijk te maken. In het arrest Goense/Provincie Zeeland (“Perkpolder”) van 15 januari 2016 (ECLI:NL:HR2016:25) heeft de Hoge Raad ten aanzien van het criterium “het werk waarvoor onteigend wordt” als volgt overwogen. “Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 40c Ow volgt dat art. 40c, aanhef en onder 1°, Ow betrekking heeft op werken die tot stand worden gebracht voor rekening en risico van rechtspersonen als bedoeld in artikel 2:1 lid 1 en 2 BW (hierna: overheidswerken). Zie de passages uit de parlementaire geschiedenis geciteerd in de conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal onder (het tweede) 3.12, in samenhang met de daaraan voorafgaande Kamerstukken II 1979-1980, 15 978 nrs. 3-4, p. 7 en 10. Ook bij de toepassing van art. 40c, aanhef en onder 1°, Ow geldt dus de beperking van het daarmee samenhangende art. 40c, aanhef en onder 2°, Ow. Dat de eliminatieregel alleen betrekking heeft op overheidswerken, volgt ook uit de rechtspraak (…).” Hieruit volgt dat eliminatie alleen betrekking heeft op overheidswerken. Het verweer van de gemeente dat de Hoge Raad ten onrechte het begrip “overheidswerk” koppelt aan de rechtspersonen als bedoeld in artikel 2:1 lid 1 BW kan haar niet baten. De Hoge Raad heeft uitdrukkelijk aldus in zijn arrest overwogen. Hij stelt buiten twijfel dat eliminatie alleen betrekking heeft op overheidswerken. Ook de rechtbank gaat daarvan uit. Een overheidswerk is volgens de Hoge Raad een werk dat tot stand wordt gebracht voor rekening en risico van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:1 lid 1 en 2 BW. Daarmee is bedoeld dat dit werk feitelijk voor rekening en risico van deze overheids-rechtspersoon tot stand is of wordt gebracht. De regel is niet beperkt tot die werken die slechts voor rekening en risico van een overheidsrechtspersoon tot stand kunnen worden gebracht. Wil sprake zijn van een voor de toepassing van de eliminatieregel relevant “overheidswerk”, moet het werk volledig en uitsluitend voor rekening en risico van de overheid gerealiseerd worden. In gevallen waarin rekening en risico tenminste in enige mate buiten de overheid liggen, leidt dit niet tot eliminatie.
2.22.
Vast staat dat het werk in onderhavig geval tot stand wordt gebracht door N.V. Zeeland Seaports. Naar het oordeel van de rechtbank is N.V. Zeeland Seaports geen overheidsorgaan. Het is geen publiekrechtelijke rechtspersoon. De omstandigheid dat alle aandelen worden gehouden door de GR Zeeland Seaports maakt dit niet anders. Door oprichting van N.V. Zeeland Seaports heeft de GR er kennelijk bewust voor gekozen om de financiële risico’s van het uit te voeren werk niet voor rekening en risico van de overheid te laten komen.De rechtbank is met [gedaagden] van oordeel dat de vergelijking met ProRail niet opgaat. ProRail heeft - in tegenstelling tot N.V. Zeeland Seaports - zelf de bevoegdheid om (vervroegde) onteigening te vorderen. Bovendien vinden de onteigeningen door ProRail plaats in het algemeen belang (goede spoorwegverbindingen).In onderhavig geval fungeert de onteigenende partij, de gemeente, slechts als doorgeefluik- zij heeft ter zitting erkend dat zij geen activiteiten op de grond heeft ondernomen, voordat zij deze doorverkocht aan N.V. Zeeland Seaports - , terwijl het door N.V. Zeeland Seaports aan te leggen glastuinbouwgebied een ontwikkeling in verband met lucratieve doeleinden betreft.
2.23.
De rechtbank volgt dan ook niet de conclusie van de deskundigen dat sprake is van een overheidswerk in de zin van artikel 40c Ow. Voor toepassing van de eliminatieregel is geen plaats. De aan [gedaagden] in het kader van onderhavige onteigening te betalen schadeloosstelling kan daarom niet worden vastgesteld aan de hand van de uitgangspunten in het huidige rapport.Aan de deskundigen wordt verzocht een nader rapport uit te brengen, waarbij als uitgangspunt geldt een waardebepaling van de grond in verpachte staat op basis van de vigerende bestemming.
Derde-belanghebbenden
Schadeloosstelling [requirant] 2.24. Volgens de deskundigen is de vraag of er al dan niet sprake is van een mondelinge pachtovereenkomst voor onbepaalde tijd niet zonder meer relevant. Ook indien deze overeenkomst er niet zou zijn, zou er op grond van artikel 42a lid 2 Ow immers – bij het bepalen van de schadeloosstelling – rekening moeten worden gehouden met de mogelijkheid dat de pachtovereenkomst zou worden verlengd. Een dergelijke verlenging ligt, naar het oordeel van de deskundigen, mede gelet op de familieverhoudingen en het feit dat [requirant] sinds 2001 pacht, in de rede.
2.25.
De deskundigen gaan ervan uit dat [requirant] vervangende grond moet aankopen.Ten aanzien van het verweer van de gemeente dat zij geen inzicht hebben gegeven in hun overwegingen voor hun keuze voor reconstructie in plaats van liquidatie, hebben de deskundigen toegelicht dat [requirant] al langere tijd pachter is en dat niet is gebleken dat zijn activiteiten verliesgevend zouden zijn. Zij zien niet in waarom liquidatie aan de orde zou zijn. Zij hebben de indruk dat [requirant] op deze wijze, mede door zijn relatie met [gedaagden] , een fatsoenlijk bestaan in de maatschappij heeft opgebouwd en dat hij dat wil voortzetten. Verder is volgens de deskundigen van belang dat er in de omgeving van het onteigende geen gronden beschikbaar zijn om te pachten. Om die reden moet volgens de deskundigen worden uitgegaan van de situatie dat [requirant] genoodzaakt is om vervangende grond aan te kopen. De daarmee verband houdende kosten hebben zij berekend op € 166.740,00.
2.26.
De gemeente stelt dat aan [requirant] geen schadeloosstelling toekomt. Volgens de gemeente bestaat er op de peildatum ofwel geen pachtrelatie meer, ofwel zou die relatie pas eind 2014 aflopen, waardoor [requirant] zijn oogst van 2014 nog van het land kon halen. Er hoeft bij het bepalen van de schadeloosstelling geen rekening te worden gehouden met de mogelijke verlenging van de pachtovereenkomst.De gemeente stelt voorts dat de deskundigen (nog steeds) geen inzicht hebben gegeven in hun overwegingen voor hun keuze voor reconstructie in plaats van liquidatie. Zij acht het oordeel van de deskundigen onvoldoende begrijpelijk en stelt een nadere toelichting op prijs.
2.27.
[requirant] stelt dat aan hem als pachter een schadeloosstelling moet worden betaald. In gevolge artikel 42a Ow heeft een pachter recht op volledige schadeloosstelling. Bovendien moet bij het bepalen van de schadeloosstelling rekening worden gehouden met een verlenging van de pachtovereenkomst. Zulks geldt te meer, nu [requirant] het perceel al sinds twaalf jaar pacht en bovendien getrouwd is met één van de huidige eigenaren. [requirant] stelt dat moet worden uitgegaan van de situatie dat er vervangende grond moet worden aangekocht. Hij heeft de door de deskundigen berekende schadeloosstelling niet langer betwist, met uitzondering van de post “financieringsrente”.
2.28.
De rechtbank is met de deskundigen en [requirant] van oordeel dat op grond van artikel 42a lid 2 Ow jo artikel 7:325 BW moet worden uitgegaan van een verlenging van de pachtrelatie tussen [gedaagden] en [requirant] .Voorts is de rechtbank met de gemeente van oordeel dat de deskundigen hun uitgangspunt voor de berekening van de schadeloosstelling, te weten schadeloosstelling op basis van aankoop van vervangende grond, onvoldoende hebben gemotiveerd.In het algemeen geldt dat bij de onteigening van een onroerende zaak die is verpacht de inkomenspositie van de pachter zoveel mogelijk in tact dient te blijven. De rechtbank beoordeelt of deze regel wordt nageleefd door de schadeloosstelling te berekenen hetzij op grond van verplaatsing, hetzij op grond van liquidatie. Zij kiest de oplossing die het meest in de rede ligt. Wanneer beide oplossingen even redelijk zijn, dient de goedkoopste te worden gekozen. Het is derhalve niet zo dat als uitgangspunt geldt een recht op vergoeding gebaseerd op verplaatsing van het bedrijf.De rechtbank zou aan de hand van het huidige advies van de deskundigen moeten kunnen beoordelen of het in de rede ligt dat [requirant] als redelijk handelend ondernemer vervangende grond zou aankopen. Daarbij is - naast de door de deskundigen genoemde omstandigheden - van belang of de investering in verhouding tot de te behalen winst redelijk is. De gegevens die nodig zijn voor die beoordeling ontbreken in het rapport. Er dient meer duidelijkheid te worden verschaft over de bedrijfsvoering van [requirant] , de omvang van het uit het onteigende behaalde inkomen in verhouding tot de met de reconstructie gepaard gaande investeringen en de vraag of [requirant] een dergelijke investering kan financieren.Aan de deskundigen wordt verzocht op dit punt eveneens een nader rapport uit te brengen.
2.29.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1.
verzoekt de deskundigen een nader rapport uit te brengen op basis van de uitgangspunten zoals genoemd in r.o. 2.23 en 2.28, en verwijst de zaak daartoe naar de rol van 14 december 2016,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit, mr. H.A. Witsiers en mr. J.A. van Voorthuizen en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2016.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑09‑2016
Uitspraak 03‑04‑2013
Mrs. S.M.J. van Dijk, H.A. Witsiers, E.K. van der Lende-Mulder Smit
Partij(en)
Vonnis van 3 april 2013
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE TERNEUZEN,
zetelend te Terneuzen,
eiseres,
advocaat mr. J.A.M.A, Sluysmans te 's‑Gravenhage,
tegen
- 1.
[requirante 1],
wonende te [woonplaats],
- 2.
[requirant 2],
wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
- 3.
[requirant 3],
wonende te [woonplaats],
gedaagden,
en
- 4.
[requirant 4],
wonende te [woonplaats],
requirant tot tussenkomst,
advocaat mr. Th.J.H.M. Linssen te Tilburg.
Partijen zullen hierna de gemeente. [requiranten] c.s. en [requirant 4] worden genoemd.
1. Het verloop van de procedure
De dagvaarding waarbij de vervroegde onteigening wordt gevorderd is op 24 oktober 2012 uitgebracht.
Op 8 oktober 2012 is ter griffie een exemplaar van de Staatscourant waarin het aan de onteigening ten grondslag liggende Koninklijk Besluit is openbaar gemaakt, alsmede een door de burgemeester van de gemeente Terneuzen afgegeven verklaring dat de uitgewerkte plannen met de daarbij behorende kaarten en grondtekeningen binnen de betrokken gemeente ter inzage hebben gelegen, gedeponeerd.
Bij dagvaarding heeft de gemeente gesteld:
1.
Bij Koninklijk Besluit van 3 september 2012, nr. 12.002028, gepubliceerd in de Staatscourant van 20 september 2012 (nr. 18749), is gedeeltelijk goedgekeurd het besluit van de raad van de gemeente Terneuzen van 14 april 2011 tot onteigening in verband met de uitvoering van het bestemmingsplan ‘Glastuinbouwgebied Kanaalzone’.
2.
In het hiervoor genoemde Koninklijk Besluit is ter onteigening aangewezen het volgende perceelsgedeelte:
Nr. grondplan | Te onteigenen grootte | van het perceel bij het kadaster bekend gemeente Sas van Gent | ||||||
Als: | Ter grootte van | Sectie en nummer | ||||||
ha | a | ca | ha | a | ca | |||
1 | 05 | 49 | 65 | Terrein (akkerbouw) | 06 | 40 | 95 | [A] [001] |
3.
In het Koninklijk Besluit zijn als eigenaren van voornoemd perceelsgedeelte met grondplannummer 1 aangewezen gedaagden [requirante 1], [requirant 2] en [requirant 3], ieder voor een derde.
4.
Ten aanzien van de onroerende zaak bestaat een groot aantal zakelijk gerechtigden, namelijk:
- (i)
De Staat der Nederlanden (ministerie van Infrastructuur en Milieu) te 's‑Gravenhage (gedoogbeschikking krachtens de Belemmeringenwet privaatrecht);
- (ii)
de naamloze vennootschap N.V. Nederlandse Gasunie te Groningen (opstalrecht nutsvoorzieningen);
- (iii)
het Waterschap Scheldestromen te Middelburg (opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel);
- (iv)
de Association Coöperative Zélandaise de Carbonisation U.A. te Sluiskil (opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel);
- (v)
de besloten vennootschap Delta Pipe BV te Middelburg (opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel);
- (vi)
de besloten vennootschap Entrade Pipe BV te Tilburg (opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel) en
- (vii)
de besloten vennootschap Air Products Leasing BV te Utrecht (opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel).
5.
Verder wordt de onroerende zaak gepacht door de heer [requirant 4], wonende aan de [a-straat] [01] te ([postcode]) [a-plaats], zulks op basis van een geliberaliseerde pachtovereenkomst
6.
7.
Afschrift van onderhavig exploot wordt ter voldoening aan artikel 18 Onteigeningswet aan de voornoemde rechthebbenden overbetekend;
8.
De gemeente is er, ondanks pogingen daartoe, nog niet in geslaagd om de eigendom van genoemde onroerende zaak krachtens minnelijke overeenkomst, vrij van alle rechten en lasten, in eigendom te verkrijgen.
9.
In verband met de uitvoering van de werkzaamheden (de te onteigenen grond ligt midden in het glastuinbouwgebied) heeft de gemeente er belang bij spoedig te beschikken over genoemde onroerende zaken. De gemeente vordert daarom een vervroegde onteigening.
10.
De gemeente biedt aan [requiranten] c.s, als gezamenlijke (onverdeelde) eigenaren ten titel van schadeloosstelling aan een bedrag van € 439.720,00 voor alle schaden en kosten hoe ook genaamd.
11.
Daarnaast heeft de gemeente het bijkomend aanbod gedaan om het na onteigening overblijvende gedeelte van het sub 2 genoemde perceel in eigendom over te nemen, vrij van alle lasten en rechten tegen betaling van een bedrag van € 6,00 per m2. De gemeente doet voormeld aanbod en bijkomend aanbod gestand en herhaalt het.
12.
De kabels en leidingen van de hiervoor sub 4 genoemde zakelijk gerechtigden bevinden zich alle in dat deel van het perceel [A] [001] ten aanzien waarvan de Kroon niet tot onteigening heeft besloten. Deze partijen lijden mitsdien geen schade als gevolg van de onteigening.
13.
De gemeente biedt aan pachter [requirant 4] aan een bedrag van nihil.
14.
De gemeente heeft op grond van artikel 54a van de Onteigeningswet verzocht om een vervroegde descente. Inmiddels is bij beschikking van 11 oktober 2012 tot een dergelijke descente besloten, zij het dat daarvoor nog een datum moet worden bepaald.
Vervolgens heeft de gemeente geconcludeerd voor eis dat bij vonnis van deze rechtbank:
- I.
vervroegd wordt uitgesproken de onteigening ten name van de gemeente en ten algemenen nutte van het perceelsgedeelte zoals hiervoor onder sub 2 genoemd, zulks met bepaling van een voorschotten belope van 100% van het hiervoor opgenomen aanbod bij dagvaarding;
- II.
het bedrag van de schadeloosstelling wordt bepaald;
- III.
ingevolge artikel 54j, tweede lid, van de Onteigeningswet de datum voor nederlegging van het (concept)deskundigenrapport wordt vastgesteld;
- IV.
de nieuws- of advertentiebladen worden aangewezen, waarin het vonnis bij uittreksel door de griffier van de rechtbank zal worden geplaatst, alle kosten rechtens.
[requiranten] c.s. heeft geconcludeerd voor antwoord, [requirant 4] heeft geconcludeerd voor eis in de tussenkomst. Zij concluderen:
- 1.
primair, de dagvaarding tot vervroegde onteigening nietig te verklaren, althans de vordering van de gemeente niet-ontvankelijk te verklaren, althans de gemeente haar vordering te ontzeggen als zijnde onbewezen en/of ongegrond en
- 2.
subsidiair, de reeds benoemde deskundigen opdracht te geven de rechtbank te adviseren met betrekking tot de aan [requiranten] c.s. en [requirant 4] toekomende schadeloosstelling en vergoeding van gemaakte (proces)kosten, zulks op de wijze als omschreven in de Onteigeningswet.
De zaak is op 5 maart 2013 bepleit. De pleitnotities zijn in het geding gebracht.
2. Het geschil en de beoordeling daarvan
2.1.
De onderhavige onteigening wordt gevorderd ten behoeve van de realisering van een deel van het bestemmingsplan Glastuinbouwgebied Kanaalzone.
Bij Koninklijk Besluit van 3 september 2012, nr. 12.002028, gepubliceerd in de Staatscourant van 20 september 2012 (nr. 18749), is gedeeltelijk goedgekeurd het besluit van de raad van de gemeente Terneuzen van 14 april 2011 tot onteigening van genoemde onroerende zaak van [requiranten] c.s. Conform artikel 56h juncto 23 van de Onteigeningswet is een exemplaar van voornoemde Staatscourant op 8 oktober 2012 gedeponeerd.
Het exploot van dagvaarding is op 26 oktober 2012 betekend aan [requirant 4] en op respectievelijk 26,29 en 30 oktober 2012 aan de overige zakelijk gerechtigden genoemd in sub 4.
2.2.
De gemeente legt aan haar vordering tot het vervroegd uitspreken van de onteigening van voornoemde onroerende zaak ten grondslag dat zij daar belang bij heeft nu zij die zaak niet bij minnelijke overeenkomst heeft kunnen verkrijgen ondanks pogingen daartoe, zodat onteigening daarvan nodig is.
2.3.
[requiranten] c.s. en [requirant 4] stellen dat de gemeente niet-ontvankelijk is in haar vordering, althans dat deze haar ontzegd dient te worden, om reden dat het Koninklijk Besluit niet rechtmatig is en, voor zover dit verweer wordt gepasseerd, om reden dat de onteigening niet noodzakelijk is.
[requiranten] c.s. en [requirant 4] voeren hiertoe het volgende aan.
2.3.1.
In het verzoek tot het nemen van het Koninklijk Besluit is de vader van [requiranten] c.s., de heer [de vader], als eigenaar van het te onteigenen perceelsgedeelte aangewezen. Dit was terecht omdat op het moment van de tervisielegging van de stukken [de vader] volgens de kadastrale registers eigenaar was. Gedurende de periode van terinzagelegging — van 9 tot en met 21 maart 2012 — heeft [de vader] als belanghebbende gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen.
Bij akte van 30 maart 2012 heeft [de vader] het betreffende perceel aan zijn drie kinderen geschonken, thans gedaagden. Op 2 april 2012 is [requiranten] c.s. juridisch eigenaar geworden van het perceel, ieder voor een derde. Deze wijziging is aan de orde geweest tijdens de hoorzitting op het gemeentehuis op 21 mei 2012. De Kroon heeft hierop in het Koninklijk Besluit tot onteigening ten onrechte niet [de vader] als eigenaar aangewezen, maar zijn kinderen, [requiranten] c.s. Hiermee heeft de Kroon het systeem van de Onteigeningswet doorkruist. Uit dit systeem volgt dat voor de eigendomssituatie relevant is de toestand op het moment waarop het verzoek tot onteigening met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure ex afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage wordt gelegd. Dit volgt tevens uit de strekking van artikel 39 Onteigeningswet.
Dat de Kroon de zienswijze van [de vader] inhoudelijk niet meer heeft beoordeeld en in plaats daarvan zijn kinderen als eigenaar heeft aangewezen maakt dat het Koninklijk Besluit in strijd met de wet tot stand is gekomen. Om deze reden zal de administratieve procedure opnieuw moeten worden gevoerd en kan het Koninklijk Besluit niet als grondslag dienen voor de vordering tot vervroegde onteigening.
2.3.2.
[requiranten] c.s. en [requirant 4] voeren voorts aan dat op grond van het bestemmingsplan de gronden van het te onteigenen perceelsgedeelte de bestemming ‘Glastuinbouwdoeleinden’ hebben. De gronden aangewezen voor deze bestemming zijn bestemd voor de uitoefening van volwaardige glastuinbouwbedrijven en bijbehorende voorzieningen. Deze gronden zijn momenteel in gebruik voor akker- en tuinbouw.
Omzetting van de bedrijfsvoering naar glastuinbouw is door [requirant 4] en [requiranten] c.s. eenvoudig te realiseren. De pachtovereenkomst en het verkavelingsplan staan niet aan de mogelijkheid tot zelfrealisatie in de weg.
Zelfrealisatie biedt momenteel zelfs meer zekerheid met betrekking tot de uitvoering van het bestemmingsplan dan het oorspronkelijk plan van de gemeente. Bio Glas Terneuzen B.V., de partij die de tuinbouwkassen zou exploiteren, is failliet verklaard. Derhalve is momenteel onzeker op welke wijze de bestemming, waarvoor thans de vervroegde onteigening wordt gevorderd, gerealiseerd zal worden. Een en ander maakt dat de noodzaak tot onteigening ten aanzien van onderhavig perceelsgedeelte ontbreekt.
Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad stellen [requiranten] c.s. en [requirant 4] dat in casu niet meer gezegd kan worden dat de onteigening geschiedt ter uitvoering daarvan. Nu er voorts geen redelijke twijfel bestaat over de mogelijkheid tot zelfrealisatie, ontbreekt aan de gevorderde onteigening elk redelijk belang.
2.4.
De gemeente heeft de stellingen van [requiranten] c.s. en [requirant 4] gemotiveerd weersproken.
2.5.
Ten aanzien van de rechtmatigheid van het Koninklijk Besluit overweegt de rechtbank als volgt.
Door [requiranten] c.s. en [requirant 4] is niet betwist dat de betreffende aanduidingen in het ontwerp-KB en het definitieve KB op zichzelf feitelijk juist zijn. De rechtbank gaar hier dan ook vanuit.
De stelling van [requiranten] c.s. en [requirant 4] dat [de vader] in het definitieve KB als eigenaar had moeten worden aangeduid, volgt niet uit de Onteigeningswet en evenmin uit het systeem van die wet.
Uit de Onteigeningswet noch uit het systeem daarvan blijkt dat — in geval van een wisseling van eigenaar van het betreffende perceel tijdens de administratieve procedure — voor de eigendomssituatie zoals die in het definitieve KB dient te worden vermeld, relevant is de situatie zoals die geldt ten tijde van de tervisielegging. Evenmin volgt dit uit de strekking van artikel 39 Onteigeningswet. De strekking van artikel 39 Onteigeningswet is te voorkomen dat de onteigenaar schadevergoeding moet betalen als gevolg van bepaalde handelingen, die door de onteigende in het vooruitzicht van de onteigening zijn verricht.
Niet valt in te zien dat op grond van dit artikel geen rekening zou mogen worden gehouden met (feitelijke of juridische) veranderingen tot stand gebracht ná de tervisielegging, die geen invloed hebben op de uiteindelijk toe te kennen schadeloosstelling.
Gesteld noch gebleken is dat de omstandigheid dat de Onteigeningswet niet voorziet in de situatie van een ‘eigenaarswissel’ gedurende de administratieve procedure, in het onderhavige geval onredelijke consequenties heeft voor de onteigende partij.
[de vader] heeft het betreffende perceel geschonken aan zijn kinderen. Zij moeten geacht worden destijds op de hoogte te zijn geweest van de onteigeningsprocedure. Het moet dan ook voor hun eigen risico blijven dat zij als nieuwe eigenaar geen zienswijzen hebben ingediend. Dit geldt temeer omdat [de vader] in die fase reeds beschikte over bijstand door een advocaat.
De gemeente heeft overigens gemotiveerd betwist dat de zienswijzen ingesteld door [de vader] niet door de Kroon zijn beoordeeld.
[requirant 4] was in de betreffende periode al pachter, zodat wat hem betreft een zelfde situatie bleef bestaan.
De rechtbank verwerpt dan ook de stelling dat sprake is geweest van gebreken in de administratieve procedure die zouden moeten leiden tot niet ontvankelijkheid van de gemeente.
2.6.
Met betrekking tot het verweer van zelfrealisatie overweegt de rechtbank als volgt. De Kroon heeft het onteigeningsbesluit van de gemeente (gedeeltelijk) goedgekeurd. De rechtbank heeft met betrekking tot dit onteigeningsbesluit een beperkte toetsingsmogelijkheid. De onteigeningsrechter is bevoegd de goedkeuring van het onteigeningsbesluit inhoudelijk te toetsen, als de stellingen van de te onteigenen partij daartoe aanleiding geven. Voorwaarde voor toetsing is dat de te onteigenen partij haar bezwaren al in de administratieve procedure heeft kenbaar gemaakt. Gesteld noch gebleken is dat [de vader], [requiranten] c.s. en/of [requirant 4] in een eerder stadium van de onteigeningsprocedure een beroep hebben gedaan op zelfrealisatie. Het beroep is derhalve tardief en moet reeds om die reden worden verworpen.
Het voorgaande zou alleen anders zijn als het betrokken verweer inhoudelijk zozeer aan de rechtmatigheid van de onteigening in de weg staat, dat voor een afweging daarvan tegen de belangen die de gemeente bij uitvoering van het bestemmingsplan heeft geen plaats is. Van dit laatste is in onderhavig geval geen sprake.
Voorzover [requiranten] c.s. en [requirant 4] hebben aangevoerd dat de vordering moet worden afgewezen bij gebrek aan belang, omdat Bio Glas Terneuzen BV failliet is verklaard, slaagt dit verweer evenmin nu de gemeente onbetwist heeft gesteld dat Zeeland Seaports de partij zal zijn die het glastuinbouwgebied tot ontwikkeling gaat brengen.
2.7.
De verweren tegen de vordering tot vervroegde onteigening falen. De bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten zijn in acht genomen, zodat de vordering voor toewijzing vatbaar is.
2.8.
[requiranten] c.s. heeft het aanbod tot schadeloosstelling verworpen, zodat omtrent de begroting van de schadeloosstelling een bericht van deskundigen dient te worden ingewonnen. Dit geldt eveneens voor de aan de pachter [requirant 4] te betalen schadeloosstelling. Hiertoe zijn reeds drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd. De descente heeft plaatsgevonden op 4 Februari 2013, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.
2.9.
Nu de gemeente heeft gevorderd het bedrag van het voorschot als bedoeld in artikel 54j van de Onteigeningswet voor [requiranten] vast te stellen op 100% van het aangeboden bedrag en dit door [requiranten] c.s. niet gemotiveerd is betwist, zal het voorschot op het door de gemeente aangeboden bedrag worden vastgesteld.
Nu de gemeente bij dagvaarding heeft aangeboden aan [requirant 4] een schadeloosstelling van nihil te betalen, en geen voorschot heeft aangeboden, en [requirant 4] de betaling van een voorschot niet heeft gevorderd, zal het aan [requirant 4] te betalen voorschot op nihil worden vastgesteld.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1.
spreekt vervroegd uit de onteigening ten name van de gemeente en ten algemenen nutte vrij van alle bestaande lasten en rechten, van het volgende perceelsgedeelte:
Nr. grondplan | Te onteigenen grootte | Van het perceel bij het kadaster bekend gemeente Sas van Gent | ||||||
Als: | Ter grootte van | Sectie en nummer | ||||||
ha | a | ca | ha | a | ca | |||
1 | 05 | 49 | 65 | Terrein (akkerbouw) | 06 | 40 | 95 | [A] [001] |
3.2.
bepaalt het bedrag van het voorschot op de schadeloosstelling te betalen aan [requiranten] c.s. op € 439.720.00.
3.3.
bepaalt het bedrag van het voorschot op de schadeloosstelling te betalen aan [requirant 4] op nihil.
3.4.
wijst de Provinciale Zeeuwse Courant aan als het nieuwsblad waarin een uittreksel van dit vonnis geplaatst dient te worden:
3.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen, door mr. S.M.J. van Dijk, mr. H.A. Witsiers en mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2013.