HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. N. Jörg, r.o. 2.5.2.
HR, 18-03-2025, nr. 24/01591
ECLI:NL:HR:2025:217
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-03-2025
- Zaaknummer
24/01591
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:217, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑03‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:26
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:587
ECLI:NL:PHR:2025:26, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑01‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:217
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑07‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0108
EeR 2025/16, p.77
NJ 2025/175 met annotatie van J.M. Reijntjes
Uitspraak 18‑03‑2025
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. OM n-o in vervolging t.z.v. zwaar lichamelijk letsel door schuld in verkeer (art. 6 WVW 1994) en gevaar op weg veroorzaken (art. 5 WVW 1994) door als politieagent in dienstvoertuig met zeer hoge snelheid achterop stilstaande bestelbus te rijden, art. 359a Sv. Kon hof OM n-o verklaren in vervolging wegens ontbreken van mogelijkheid voor tegenonderzoek, nu dienstvoertuig na afronding van verkeersongeval-analyse is verkocht? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:1889 m.b.t. gevallen waarin n-o verklaring OM aan de orde kan zijn. Hof heeft vastgesteld dat verdachte als politieagent met dienstvoertuig achterop bestelbus is gereden, waarna onderzoek is gedaan aan dienstvoertuig. Daarna is dienstvoertuig verkocht, waardoor verzoeken van verdediging tot tegenonderzoek niet konden worden toegewezen. Verdachte heeft zich telkens op standpunt gesteld dat remmen van dienstvoertuig niet (naar behoren) functioneerden. Hof heeft overwogen dat (tegen)onderzoek aan dienstvoertuig cruciaal “verdedigingsmiddel” was dat door toedoen van politie en justitie definitief niet meer ter beschikking van verdachte staat en dat waarheidsvinding door rechter over standpunt van verdachte niet meer mogelijk is. Op grond hiervan heeft hof geoordeeld dat door handelen van politie en OM sprake is van ernstige en onherstelbare inbreuk op recht op eerlijk proces die niet op een aan eisen van behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende manier is of kan worden gecompenseerd. Verstrekkend oordeel van hof, waarin besloten ligt dat “the proceedings as a whole were not fair”, is niet toereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat tijdens hoger beroep o.m. op verzoek verdediging nog wel uiteenlopende onderzoekshandelingen m.b.t. dienstvoertuig en verkeersongeval zijn verricht en dat deze stukken ttz. in h.b. aan de orde zijn gesteld. Verder is van belang dat als onmogelijkheid om nader technisch onderzoek aan dienstvoertuig te verrichten complicatie vormt bij bewijsgaring of waardering van bewijs, rechter daarmee rekening kan houden en, als bewijsvoering anders op gespannen voet zou komen met “fairness of the proceedings as a whole”, tot vrijspraak kan komen. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01591
Datum 18 maart 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 april 2024, nummer 22-000387-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De raadsman van de verdachte, Th.J. Kelder, advocaat in Den Haag, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte.
2.2.1
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 21 mei 2019 te [plaats] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (politie-/personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [a-straat] welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl hij, verdachte, reed met optische- en geluidsignalen (in verband met een spoedmelding)
- met een zeer hoge snelheid, althans met een (veel) hogere snelheid dan de maximum toegestane snelheid van 50 km/u heeft gereden, en/of
- in ieder geval met groot snelheidsverschil ten opzichte van het overige verkeer heeft gereden en/of
- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij het voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- (aldus rijdende) niet tijdig heeft opgemerkt dat de bestuurder van een bestelauto, genaamd [slachtoffer 1] , op die weg stil stond en/of
- (vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met dat door die [slachtoffer 1] bestuurde voertuig, waardoor die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel (te weten rugklachten, vergeetachtigheid, concentratie verlies en voor 100% arbeidsongeschikt tot 26 november 2019) en/of de bijrijder van de politieauto [slachtoffer 2] (slijtage en peesontsteking in de schoudergordel (pees niet gespecificeerd) en milde slijtage in de wervelkolom thv de borstkas en/of oogletsel (blijvend brildragend), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 mei 2019 te [plaats] als bestuurder van een voertuig (politie-personenauto), daarmee rijdende op de weg, [a-straat] , terwijl hij, verdachte, reed met optische- en geluidsignalen in verband met een spoedmelding)
- met een zeer hoge snelheid, althans met een (veel) hogere snelheid dan de maximum toegestane snelheid van 50 km/u heeft gereden, en/of
- in ieder geval met groot snelheidsverschil ten opzichte van het overige verkeer heeft gereden en/of
- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij het voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- (aldus rijdende) niet tijdig heeft opgemerkt dat de bestuurder van een bestelauto, genaamd [slachtoffer 1] , op die weg stil stond en/of
- (vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met dat door die [slachtoffer 1] bestuurde voertuig,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.”
2.2.2
Het hof heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte. Daartoe heeft het hof overwogen:
“Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities – op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Zij heeft daartoe – kort gezegd – het volgende naar voren gebracht. De verdachte heeft direct na het ongeval aangegeven dat de remmen van het voertuig waarin hij reed niet goed functioneerden. Doordat dit dienstvoertuig is vrijgegeven zonder dat de verdediging de mogelijkheid heeft gehad om onderzoek uit te laten voeren, is het beslag op juridisch onjuiste wijze afgewikkeld en is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv.). Omdat er concrete aanwijzingen bestaan dat er iets mis is geweest met de remmen van het voertuig, is de verdachte daardoor in zijn verdedigingsbelang geschaad. Hierdoor is er sprake van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) (in het bijzonder het daaruit voortvloeiende recht van ‘equality of arms’), hetgeen volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient te leiden.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
(...)
In de onderhavige zaak heeft er op 21 mei 2019 een ongeval plaatsgevonden, waarbij de verdachte, politieman, met zijn dienstvoertuig, een zogenoemd SIV (Snel Interventie Voertuig) met hoge snelheid achterop een bestelbus is gereden, ten gevolge waarvan de inzittende van de bestelbus en de bijrijder van de verdachte, tevens collega, letsel hebben opgelopen. De gewonden zijn vervolgens naar het ziekenhuis overgebracht en het dienstvoertuig waarin de verdachte reed is op deze datum in beslag genomen waarna onderzoek is verricht aan het voertuig. Op 25 mei 2019 heeft het Digitaal Voertuig Onderzoek plaatsgevonden. Uit het dossier blijkt dat het voertuig vervolgens op 3 juni 2019 is vrijgegeven en vervolgens op 27 juni 2019 is overgeschreven en aldus is verkocht, terwijl de beslissing van de officier van justitie om de auto vrij te geven dateert van 1 juli 2019.
De verdediging heeft op 2 juli 2019 verzocht om technisch onderzoek aan het dienstvoertuig te laten verrichten, welk verzoek op 6 februari 2020 en 14 februari 2020 is herhaald. Op 27 februari 2020 werd de verdediging medegedeeld dat het dienstvoertuig zou zijn verkocht.
De verdachte is in de onderhavige zaak voor het eerst gehoord op 3 november 2020. Tijdens dit verhoor heeft de verdachte gewezen op een door hem opgestelde schriftelijke verklaring van 5 augustus 2020, waarin hij heeft aangegeven dat de remmen van het dienstvoertuig niet naar behoren werkten.
Beoordeling
Uit het dossier volgt dat de verdachte van meet af aan en ook reeds in het ziekenhuis heeft aangegeven dat de remmen van het voertuig volgens hem niet, of in elk geval niet naar behoren functioneerden. De verdachte is echter, hoewel hij direct na het ongeval, dus op 21 mei 2019, als verdachte werd aangemerkt (zie proces-verbaal Aanrijding misdrijf PL1700-2019150079-1 p. 3), pas anderhalf jaar nadat het ongeval had plaatsgevonden, gehoord. De raadsvrouw heeft zich eind juni 2019 gesteld en heeft direct daarna (2 juli 2019) verzocht om technisch onderzoek aan de auto te laten verrichten. Dit verzoek is nadien – bij het uitblijven van een reactie daarop – meerdere malen herhaald.
Op 27 februari 2020 – circa 8 maanden na het eerste verzoek van de verdediging om onderzoek aan het voertuig te mogen verrichten – werd de verdediging voor het eerst, in reactie op haar verzoeken, medegedeeld dat onderzoek zijdens de verdediging aan het dienstvoertuig niet (meer) mogelijk zou zijn, omdat het voertuig uit dienst zou zijn genomen en zou zijn verkocht. Vast staat dat door de verkoop van het betreffende voertuig, dat onder de verantwoordelijkheid van de officier van justitie heeft plaatsgevonden, het door de verdediging verzochte (tegen)onderzoek niet meer mogelijk was.
Naar het oordeel van het hof heeft de verdediging tijdig, te weten binnen circa 6 weken na het ongeval, om voornoemd onderzoek verzocht. Voorts is het hof van oordeel dat niet kan worden gezegd dat er – gelet op de inhoud van het dossier – geen enkele indicatie was dat er mogelijk iets mis zou kunnen zijn geweest met de functionaliteit van de remmen, zoals het onvolledig functioneren van het remsysteem als gevolg van oververhitting. De onderzoeken die aan de auto zijn verricht sluiten dit (nog steeds) niet volledig uit.
Anders dan de rechtbank is het hof derhalve van oordeel dat – gelet op de stukken in het dossier – niet kan worden uitgesloten dat nader technisch onderzoek aan de remmen van het voertuig een resultaat zou kunnen hebben opgeleverd, dat reële betekenis had kunnen hebben bij het beoordelen van de vraag of de verdachte schuld had aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet.
De officier van justitie heeft er echter voor gekozen om het voertuig te vervreemden, zonder dat de verdachte was gehoord en kennis was genomen van diens standpunt (en dat van zijn raadsvrouw). Naar het oordeel van het hof is het zeer aannemelijk dat als de verdachte kort na het ongeval als verdachte was gehoord en er eerder een advocaat bij de zaak betrokken was geweest, dit er – mede gelet op de verklaring van de verdachte en de vele verzoeken die de raadsvrouw heeft gedaan – met grote waarschijnlijkheid toe had geleid dat de auto niet al was vervreemd en dat het door de verdediging gewenste (tegen)onderzoek aan de auto verricht had kunnen worden.
Het (tegen)onderzoek aan de auto betreft een cruciaal verdedigingsmiddel dat de verdachte had en waarmee hij zijn stelling dat de remmen van het dienstvoertuig niet goed werkten, had kunnen onderbouwen. Dit verdedigingsmiddel staat door toedoen van politie en justitie definitief niet meer ter beschikking van de verdachte. Bovendien is waarheidsvinding door de rechter met betrekking tot de stelling van verdachte over de staat van de remmen van het voertuig niet meer mogelijk.
Het hof is – gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang en in het geheel bezien – van oordeel dat door het handelen van de politie en het Openbaar Ministerie sprake is van een zodanig ernstige en onherstelbare inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, dat met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.
Nu deze onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces voorts niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd, is de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie het enige juiste rechtsgevolg.
Het hof zal derhalve het Openbaar Ministerie ter zake van het primair en subsidiair tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.”
2.2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 februari 2023 houdt onder meer in:
“De voorzitter deelt mede dat het hof bij brief van 1 februari 2023 een verzoek van de verdediging heeft ontvangen tot het voegen van stukken, waaronder een nader deskundigenrapport van Baan Hofman Ongevallenanalyse d.d. 14 september 2022. Naar aanleiding van dit nadere deskundigenrapport heeft de advocaat-generaal op 15 februari 2023 per e-mail een aanvullend proces-verbaal d.d. 14 februari 2023, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , aan het hof en de raadsvrouw toegestuurd. (...)
De voorzitter deelt mede dat het hof van de verdediging op 1 februari 2023 een e-mail heeft ontvangen met daarin het verzoek een drietal stukken toe te voegen aan het dossier, te weten:
- De antwoorden van [verbalisant 3] op aan hem gestelde vragen inclusief zijn proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 september 2022;
- Een deskundigenrapport van Baan Hofman Ongevallenanalyse d.d. 14 september 2022;
(...)
Daarnaast deelt de voorzitter mede dat de verdediging in e-mails van 14 februari 2023 heeft verzocht om ook de volgende stukken nog te voegen aan het dossier:
(...)
- Een e-mail met als onderwerp ‘VSV controle aanhaalmoment remklauwen voorzijde’ d.d. 10 februari 2023 en
- een e-mail van de verdachte aan [betrokkene 1] d.d. 29 juni 2019 betreffende de remmen van het voertuig.
Tot slot deelt de voorzitter mede dat door de advocaat-generaal is verzocht een aanvullend proces-verbaal d.d. 14 februari 2023 aan het dossier toe te voegen.
(...)
De voorzitter deelt mede dat de stukken bij deze zijn toegevoegd aan het dossier.
(...)
Het gerechtshof, gehoord de raadsvrouw van de verdachte en de advocaat-generaal, schorst hierop het onderzoek voor onbepaalde tijd;
Verwijst de zaak naar de raadsheer-commissaris bij dit gerechtshof teneinde, in onderstaande volgorde:
- Aan de heren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te verzoeken om nader aan te geven welk technisch onderzoek precies heeft plaatsgevonden aan – kort gezegd – het gehele remsysteem van het SIV voertuig waarin de verdachte reed (Audi A6) en dat – zo mogelijk – nader te onderbouwen met de onderliggende aantekeningen die zij daarvan destijds hebben gemaakt;
- Aan de opstellers van de VOA te verzoeken om de betekenis van de zes meldingen van opgetreden storingen aan het SIV voertuig waarin de verdachte reed (Audi A6) nader te duiden en daarbij, indien mogelijk, de datering van de meldingen weer te geven;
- Aan de opstellers van de VOA te verzoeken om de algemene gegevens van de remweg van een SIV voertuig weer te geven, en dit te bezien in relatie tot de bekend zijnde gegevens rond de lengte van de remweg van het specifieke voertuig waarin de verdachte reed (SIV Audi A6), en zulks mede afgezet tegen de gegevens zoals weergegeven in de grafiek welke is opgenomen als bijlage in het aanvullend proces-verbaal d.d. 14 februari 2023. Daarbij wordt de opstellers van de VOA verzocht zich uit te laten over de vraag of de remweg van het voertuig van de verdachte bij het ongeval, zoals daarvan blijkt uit de grafiek, al dan niet passend is bij wat gebruikelijk is voor dergelijke voertuigen, of dat daarin mogelijk aanknopingspunten zitten die kunnen duiden op problemen met de remmen ten tijde van het ongeval;
- Aan Baan Hofman Ongevallenanalyse te verzoeken om nader schriftelijk te reageren op de bovenvermelde nader uit te voeren onderzoeksopdrachten en op het aanvullend proces-verbaal d.d. 14 februari 2023 zoals reeds ingebracht door de advocaat-generaal;
Wijst toe het verzoek om – in beginsel – te horen de verbalisanten. [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 4] .
Verzoekt de raadsheer-commissaris om in dat kader – eerst na ontvangst van de nadere schriftelijke reactie van Baan Hofman – op voorhand contact op te nemen met zowel de verdediging als de advocaat-generaal, teneinde te vernemen of (een van) beide procespartijen het nog noodzakelijk acht dat een of meer van deze toegewezen getuigen nog dienen te worden gehoord.”
2.2.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 maart 2024 houdt onder meer in:
“De advocaat-generaal draagt de zaak voor en maakt melding van de volgende stukken die sinds de regiezitting van 16 februari 2023 aan het dossier zijn toegevoegd:
- Een aanvullend proces-verbaal van 27 april 2023, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 4] ;
- Een rapport van Baan Hofman Ongevallenanalyse van 2 juni 2023;
- Getuigenverhoren van [verbalisant 4] en [verbalisant 1] tegenover de raadsheer-commissaris van 5 september 2023;
- Een e-mailbericht van [verbalisant 1] van 13 maart 2024 met als bijlage een remwegtabel.
(...)
De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van:
(...)
- de stukken van het voorbereidend onderzoek en alle overige stukken van onderzoek, voor zover van belang met het oog op enige door het hof te nemen beslissing.”
2.3
In zijn arrest van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
“2.5.1 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, rechtsoverweging 3.6.5 de volgende maatstaf geformuleerd met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie:
“Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.”
2.5.2
De Hoge Raad verduidelijkt de toepassing van deze maatstaf als volgt. De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair”. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelt de Hoge Raad de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden. Aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring op deze grond kan bijvoorbeeld bestaan in het geval dat de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet al daarop was gericht (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0655), of waarin gedragingen van politie en justitie ertoe hebben geleid dat de waarheidsvinding door de rechter onmogelijk is gemaakt (vgl. HR 8 september 1998, ECL:NL:HR:1998:ZD1239).
2.5.3
In gevallen waarin zich een of meerdere vormverzuimen hebben voorgedaan die aanvankelijk het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang hebben gebracht, maar die in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen, biedt de onder 2.5.2 besproken maatstaf in beginsel geen ruimte voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Het is echter niet uitgesloten, zoals onder 2.3.4 is overwogen, dat in zo’n geval strafvermindering ter compensatie van het daadwerkelijk ondervonden nadeel plaatsvindt.”
2.4
Het hof heeft de volgende vaststellingen gedaan. De verdachte is op 21 mei 2019 als politieagent met zijn dienstvoertuig achterop een bestelbus gereden, waarna onderzoek is verricht aan het dienstvoertuig. Op 25 mei 2019 heeft het “Digitaal Voertuig Onderzoek” plaatsgevonden, waarna het dienstvoertuig op 3 juni 2019 is vrijgegeven en op 27 juni 2019 is verkocht. Verzoeken van de verdediging die daarna zijn gedaan om technisch (tegen)onderzoek aan het dienstvoertuig te laten verrichten, konden daarom niet worden toegewezen. De verdachte heeft zich telkens op het standpunt gesteld dat de remmen van het dienstvoertuig niet (naar behoren) functioneerden.Daarnaast heeft het hof overwogen dat het (tegen)onderzoek aan de auto een cruciaal “verdedigingsmiddel” voor de verdachte is waarmee hij zijn standpunt had kunnen onderbouwen. Verder heeft het hof overwogen dat dit “verdedigingsmiddel” door toedoen van politie en justitie definitief niet meer ter beschikking van de verdachte staat en dat waarheidsvinding door de rechter over het standpunt van de verdachte niet meer mogelijk is.Op grond hiervan heeft het hof geoordeeld dat door het handelen van de politie en het openbaar ministerie sprake is van een ernstige en onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende manier is of kan worden gecompenseerd.
2.5
In het licht van wat onder 2.3 is vooropgesteld, heeft het hof zijn verstrekkende oordeel – waarin besloten ligt dat “the proceedings as a whole were not fair” – niet toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad mede in aanmerking dat, zoals onder 2.2.3 en 2.2.4 naar voren kwam, in de fase van het hoger beroep – dus toen aan het dienstvoertuig zelf geen nader (technisch) onderzoek meer kon worden verricht – onder meer op verzoek van de verdediging nog wel uiteenlopende onderzoekshandelingen met betrekking tot het dienstvoertuig en het verkeersongeval zijn verricht, en op de terechtzitting in hoger beroep van 15 maart 2024 de stukken aan de orde zijn gesteld die op die onderzoekshandelingen betrekking hebben. Verder is van belang dat als de onmogelijkheid om nader technisch onderzoek aan het dienstvoertuig te verrichten een complicatie vormt bij de bewijsgaring of de waardering van het bewijs, de rechter daarmee rekening kan houden en, als de bewijsvoering anders op gespannen voet zou komen met de “fairness of the proceedings as a whole”, tot een vrijspraak kan komen.
2.6
De klacht is gegrond. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2025.
Conclusie 07‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. OM-cassatie. Art. 6 WVW 1994. Middel klaagt over n-o verklaring OM in vervolging verdachte (politieagent) i.v.m. verloren gaan van bewijsmateriaal doordat dienstauto is verkocht, waardoor verdediging geen tegenonderzoek heeft kunnen doen verrichten. Middel slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01591
Zitting 7 januari 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 12 april 2024 het openbaar ministerie ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging verklaard.
1.2
Namens het openbaar ministerie heeft G.K. Schoep, plaatsvervangend advocaat-generaal, één middel van cassatie voorgesteld. Namens de verdachte heeft Th.J. Kelder, advocaat in Den Haag, een schriftuur houdende tegenspraak ingediend.
2. Het middel
2.1
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Het middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het hof heeft miskend dat niet-ontvankelijkheid pas aan de orde komt als kan worden gezegd dat the proceedings as a whole niet eerlijk zijn geweest, althans dat het hof voor zover het tot uitdrukking heeft willen brengen dat dit in de onderhavige zaak het geval is, dit oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd. De tweede deelklacht houdt in dat het hof met zijn oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie het enige juiste rechtsgevolg is, het uitgangspunt van subsidiariteit heeft miskend, althans dit oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.
2.2
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 21 mei 2019 te Hendrik-Ido-Ambacht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (politie-/personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Noordeinde welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl hij, verdachte, reed met optische- en geluidsignalen (in verband met een spoedmelding)
- met een zeer hoge snelheid, althans met een (veel) hogere snelheid dan de maximum toegestane snelheid van 50 km/u heeft gereden, en/of
- in ieder geval met groot snelheidsverschil ten opzichte van het overige verkeer heeft gereden en/of
- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij het voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- (aldus rijdende) niet tijdig heeft opgemerkt dat de bestuurder van een bestelauto, genaamd [slachtoffer 1] , op die weg stil stond en/of
- (vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met dat door die [slachtoffer 1] bestuurde voertuig, waardoor die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel (te weten rugklachten, vergeetachtigheid, concentratie verlies en voor 100% arbeidsongeschikt tot 26 november 2019) en/of de bijrijder van do politieauto [slachtoffer 2] (slijtage en peesontsteking in de schoudergordel (pees niet gespecificeerd) en milde slijtage in de wervelkolom thv de borstkas en/of oogletsel (blijvend brildragend), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 mei 2019 te Hendrik-Ido-Ambacht als bestuurder van een voertuig (politie-personenauto), daarmee rijdende op de weg, het Noordeinde, terwijl hij, verdachte, reed met optische- en geluidsignalen in verband met een spoedmelding)
- met een zeer hoge snelheid, althans met een (veel) hogere snelheid dan de maximum toegestane snelheid van 50 km/u heeft gereden, en/of
- in ieder geval met groot snelheidsverschil ten opzichte van het overige verkeer heeft gereden en/ of
- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij het voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- (aldus rijdende) niet tijdig heeft opgemerkt dat de bestuurder van een bestelauto, genaamd [slachtoffer 1] , 1 op die weg stil stond en/of
- (vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met dat door die [slachtoffer 1] bestuurde voertuig, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/ of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.”
2.3
Ten aanzien van de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie bevat het arrest de volgende overwegingen:
“Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities - op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Zij heeft daartoe - kort gezegd - het volgende naar voren gebracht. De verdachte heeft direct na het ongeval aangegeven dat de remmen van het voertuig waarin hij reed niet goed functioneerden. Doordat dit dienstvoertuig is vrijgegeven zonder dat de verdediging de mogelijkheid heeft gehad om onderzoek uit te laten voeren, is het beslag op juridisch onjuiste wijze afgewikkeld en is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv.). Omdat er concrete aanwijzingen bestaan dat er iets mis is geweest met de remmen van het voertuig, is de verdachte daardoor in zijn verdedigingsbelang geschaad. Hierdoor is er sprake van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) (in het bijzonder het daaruit voortvloeiende recht van ‘equality of arms’), hetgeen volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad tot niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient te leiden.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Juridisch kader Hoge Raad
Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a Sv. voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan (HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533).
De Hoge Raad heeft de toepassing van deze maatstaf als volgt verduidelijkt (zie ECLI:NL:HR:2020:1889 en ECLI:NL:HR:2020:1890). De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat - in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens - “the proceedings as a whole were not fair.”
In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet - in zoverre stelt de Hoge Raad de eerder gehanteerde maatstaf bij - daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden. In gevallen waarin zich een of meerdere vormverzuimen hebben voorgedaan die aanvankelijk het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang hebben gebracht, maar die in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen, biedt de hierboven besproken maatstaf in beginsel dus geen ruimte voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.
De onderhavige zaak
In de onderhavige zaak heeft er op 21 mei 2019 een ongeval plaatsgevonden, waarbij de verdachte, politieman, met zijn dienstvoertuig, een zogenoemd SIV (Snel Interventie Voertuig) met hoge snelheid achterop een bestelbus is gereden, ten gevolge waarvan de inzittende van de bestelbus en de bijrijder van de verdachte, tevens collega, letsel hebben opgelopen. De gewonden zijn vervolgens naar het ziekenhuis overgebracht en het dienstvoertuig waarin de verdachte reed is op deze datum in beslag genomen waarna onderzoek is verricht aan het voertuig. Op 25 mei 2019 heeft het Digitaal Voertuig Onderzoek plaatsgevonden. Uit het dossier blijkt dat het voertuig vervolgens op 3 juni 2019 is vrijgegeven en vervolgens op 27 juni 2019 is overgeschreven en aldus is verkocht, terwijl de beslissing van de officier van justitie om de auto vrij te geven dateert van 1 juli 2019.
De verdediging heeft op 2 juli 2019 verzocht om technisch onderzoek aan het dienstvoertuig te laten verrichten, welk verzoek op 6 februari 2020 en 14 februari 2020 is herhaald. Op 27 februari 2020 werd de verdediging medegedeeld dat het dienstvoertuig zou zijn verkocht.
De verdachte is in de onderhavige zaak voor het eerst gehoord op 3 november 2020. Tijdens dit verhoor heeft de verdachte gewezen op een door hem opgestelde schriftelijke verklaring van 5 augustus 2020, waarin hij heeft aangeven dat de remmen van het dienstvoertuig niet naar behoren werkten.
Beoordeling
Uit het dossier volgt dat de verdachte van meet af aan en ook reeds in het ziekenhuis heeft aangegeven dat de remmen van het voertuig volgens hem niet, of in elk geval niet naar behoren functioneerden. De verdachte is echter, hoewel hij direct ha het ongeval, dus op 21 mei 2019, als verdachte werd aangemerkt (zie proces-verbaal Aanrijding misdrijf PL1700-2019150079-1 p. 3), pas anderhalf jaar nadat het ongeval had plaatsgevonden, gehoord. De raadsvrouw heeft zich eind juni 2019 gesteld en heeft direct daarna (2 juli 2019) verzocht om technisch onderzoek aan de auto te laten verrichten. Dit verzoek is nadien - bij het uitblijven van een reactie daarop - meerdere malen herhaald.
Op 27 februari 2020 - circa 8 maanden na het eerste verzoek van de verdediging om onderzoek aan het voertuig te mogen verrichten - werd de verdediging voor het eerst, in reactie op haar verzoeken, medegedeeld dat onderzoek zijdens de verdediging aan het dienstvoertuig niet (meer) mogelijk zou zijn, omdat het voertuig uit dienst zou zijn genomen en zou zijn verkocht. Vast staat dat door de verkoop van het betreffende voertuig, dat onder de verantwoordelijkheid van de officier van justitie heeft plaatsgevonden, het door de verdediging verzochte (tegen) onderzoek niet meer mogelijk was.
Naar het oordeel van het hof heeft de verdediging tijdig, te weten binnen circa 6 weken na het ongeval, om voornoemd onderzoek verzocht. Voorts is het hof van oordeel dat niet kan worden gezegd dat er - gelet op de inhoud van het dossier - geen enkele indicatie was dat er mogelijk iets mis zou kunnen zijn geweest met de functionaliteit van de remmen, zoals het onvolledig functioneren van het remsysteem als gevolg van oververhitting. De onderzoeken die van de aan remmen de auto zijn verricht sluiten dit (nog steeds) niet volledig uit.
Anders dan de rechtbank is het hof derhalve van oordeel dat - gelet op de stukken in het dossier - niet kan worden uitgesloten dat nader technisch onderzoek aan de remmen van het voertuig een resultaat zou kunnen hebben opgeleverd, dat reële betekenis had kunnen hebben bij het beoordelen van de vraag of de verdachte schuld had aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet.
De officier van justitie heeft er echter voor gekozen om het voertuig te vervreemden, zonder dat de verdachte was gehoord en kennis was genomen van diens standpunt (en dat van zijn raadsvrouw). Naar het oordeel van het hof is het zeer aannemelijk dat als de verdachte kort na het ongeval als verdachte was gehoord en er eerder een advocaat bij de zaak betrokken was geweest, dit er - mede gelet op de verklaring van de verdachte en de vele verzoeken die de raadsvrouw heeft gedaan - met grote waarschijnlijkheid toe had geleid dat de auto niet al was vervreemd en dat het door de verdediging gewenste (tegen) onderzoek aan de auto verricht had kunnen worden.
Het (tegen)onderzoek aan de auto betreft een cruciaal verdedigingsmiddel dat de verdachte had en waarmee hij zijn stelling dat de remmen van het dienstvoertuig niet goed werkten, had kunnen onderbouwen. Dit verdedigingsmiddel staat door toedoen van politie en justitie definitief niet meer ter beschikking van de verdachte. Bovendien is waarheidsvinding door de rechter met betrekking tot de stelling van verdachte over de staat van de remmen van het voertuig niet meer mogelijk. Het hof is - gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang en in het geheel bezien - van oordeel dat door het handelen van de politie en het Openbaar Ministerie sprake is van een zodanig ernstige en onherstelbare inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, dat met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.
Nu deze onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces voorts niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd, is de niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie het enige juiste rechtsgevolg.
Het hof zal derhalve het Openbaar Ministerie ter zake van het primair en subsidiair tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.”
2.4
In de toelichting op het middel wordt ten aanzien van de eerste deelklacht aangevoerd dat weliswaar geen nader technisch onderzoek aan het voertuig heeft kunnen plaatsvinden, maar dat wel nader onderzoek is verricht naar de volledigheid en kwaliteit van het reeds door de politie aan het voertuig verrichte onderzoek. De verdediging heeft ook de kans gehad een deskundigenrapport en aanvullend rapport in te brengen en door hen kon worden gereageerd op de onderzoeksbevindingen die van de zijde van het openbaar ministerie zijn ingebracht. Verder wordt aangevoerd dat, voor zover het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat de onderzoeken die wel aan de auto zijn verricht volledig dienen uit te sluiten dat er iets mis zou kunnen zijn geweest met de remmen, aan dat oordeel een motiveringsgebrek kleeft, althans dat dit oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
2.5
Ten aanzien van de tweede deelklacht wordt aangevoerd dat het hof gezien het beginsel van subsidiariteit het minst verstrekkende rechtsgevolg had moeten kiezen. Het hof had dienen te motiveren dat in het onderhavige geval niet kon worden volstaan met een ander gevolg dan het uitspreken van de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Juridisch kader
2.6
Het in art. 359a Sv genoemde rechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden uitgesproken. De strekking van de door de Hoge Raad gehanteerde maatstaf is dat alleen indien “een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging plaatsvindt”. Volgens de Hoge Raad moet het dan gaan “om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair””.1.
2.7
Specifiek met betrekking tot zoekgeraakt of vernietigd bewijsmateriaal waaraan door de verdediging potentieel ontlastend (tegen)onderzoek had kunnen worden verricht, volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad dat het in het ongerede raken hiervan onder omstandigheden een zodanig ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde kan opleveren dat dit tot niet-ontvankelijkheid moet leiden.2.
2.8
Dit is echter niet al te snel het geval. Ter illustratie hiervan wijs ik op een arrest uit 2013.3.In die zaak ging het, net als in het onderhavige geval, om een verdachte aan wie overtreding van art. 6 WVW 1994 ten laste was gelegd. Hij zou met een te hoge snelheid in regenachtig weer en met een auto voorzien van – zo bleek uit de ongevallenanalyse – banden met onvoldoende profiel uit de bocht zijn gevlogen. Met betrekking tot de staat van de banden wilde de verdediging een tegenonderzoek doen om hun stelling dat de slijtage aan de banden het gevolg, en niet de oorzaak, van het ongeval was, kracht bij te zetten. Dit bleek echter onmogelijk, omdat de banden reeds waren vernietigd. Het hof verwierp het op deze omstandigheid gestoelde beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en overwoog in dit verband dat de verdediging in de gelegenheid was gesteld de verkeersongevalanalisten ter terechtzitting als getuige-deskundigen te horen en hen aan de hand van foto’s om commentaar omtrent de staat van de banden te vragen. Daarmee achtte het hof het gebrek afdoende gecompenseerd. De Hoge Raad liet dit oordeel in stand.4.
2.9
Het antwoord op de vraag of het bezigen van bewijsmateriaal ondanks de onmogelijkheid van tegenonderzoek in de weg staat aan een eerlijke procesvoering als bedoeld in art. 6 EVRM is zeer casuïstisch van aard, maar aan de hand van jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden gesteld dat bij de vraag of de onmogelijkheid van tegenonderzoek aan een eerlijke procesvoering in de weg staat onder meer van belang kan zijn:
“(a) de gronden waarop de wens van de verdediging tot het doen verrichten van een tegenonderzoek steunt en (b) het belang van het gewenste tegenonderzoek in het licht van – bijvoorbeeld – de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal dan wel de overtuigende kracht die pleegt te worden toegekend aan het bestreden onderzoeksresultaat”.5.
De bespreking van het middel
2.10
Het hof heeft geoordeeld dat (i) de omstandigheid dat het door toedoen van het openbaar ministerie niet meer mogelijk is nader onderzoek te verrichten aan de remmen van de politieauto een onherstelbaar vormverzuim oplevert, (ii) dit tegenonderzoek aan de remmen van de auto een cruciaal verdedigingsmiddel betreft en (iii) de onmogelijkheid van dit tegenonderzoek niet kan worden gecompenseerd op een wijze die beantwoordt aan de uit art. 6 EVRM voortvloeiende eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging. Het hof heeft geoordeeld dat daarom door het handelen van het openbaar ministerie en de politie sprake is van een zodanig ernstige en onherstelbare inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, dat met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan en dat de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie het enige juiste rechtsgevolg is.
2.11
Uit de vaststellingen van het hof en de aan de Hoge Raad toegezonden stukken leid ik af dat sprake is geweest van een aantal compenserende factoren voor het niet hebben kunnen verrichten van het tegenonderzoek. Ik wijs hierbij op het volgende.
- Ten eerste heeft de verdediging zelf een rapport van hun eigen ongevallenanalist (Hofman) kunnen inbrengen waarin onder meer de rapportage van de VOA wordt geanalyseerd, welk rapport blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 februari 2023 aan de stukken is toegevoegd.
- Ten tweede is door de advocaat-generaal naar aanleiding van het door de verdediging ingebrachte ongevallenrapport aan de opstellers van het VOA-rapport verzocht nadere vragen te beantwoorden over het onderzoek dat zij hebben verricht aan de remmen, wat zij in een aanvullend proces-verbaal van 14 februari 2023 hebben gedaan.
- Ten derde is door het hof op de terechtzitting van 16 februari 2023 aanvullend onderzoek bevolen dat onder meer bestond uit het bevragen van de opstellers van het rapport van de VOA over het onderzoek dat zij hebben verricht aan het remsysteem, de betekenis van de storingsmeldingen die in de boordcomputer van de auto zijn opgeslagen, de in het rapport genoemde gegevens inzake de remweg van de auto en of deze gegevens aanknopingspunten bieden voor het scenario dat er problemen waren met de remmen van het voertuig ten tijde van het ongeluk. Ook heeft het hof bevolen dat de opsteller van het rapport van de verdediging de mogelijkheid diende te krijgen om te reageren op de antwoorden van de opstellers van het VOA-rapport op de vragen van het hof, hetgeen ook zo is geschied. Het aanvullende proces-verbaal waarin de verbalisanten reageren op de door het hof geformuleerde vragen en het rapport waarin Hofman reageert op hun antwoorden zijn blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting op 15 maart 2024 aan het dossier toegevoegd.
- Ten vierde blijkt uit dit proces-verbaal dat de verbalisanten die het rapport hebben opgesteld door de raadsheer-commissaris zijn gehoord op 5 september 2023 en ook dit proces-verbaal is bij de stukken gevoegd.
- Tot slot volgt uit het vonnis van de rechtbank dat de bijrijder van de verdachte als getuige is gehoord omtrent zijn waarnemingen ten tijde van het ongeluk. Deze getuige heeft verklaard dat hij net voor het ongeluk in de riemen werd gedrukt.
2.12
Het hof heeft geen van deze omstandigheden kenbaar betrokken bij een oordeel over de fairness van de procedure. Het lijkt me dat het hof daartoe wel was gehouden, nu deze ‘compenserende’ factoren maken dat het gewenste tegenonderzoek aan belang inboet.6.Derhalve meen ik dat de in het arrest weergegeven motivering dat de onmogelijkheid van het tegenonderzoek de eerlijkheid van de procedure zodanig aantast dat moet worden overgegaan tot de zeer zware sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie tekortschiet. Dat het hof heeft overwogen dat de onderzoeken die wel zijn verricht aan de auto nog steeds niet volledig uitsluiten dat de remmen onvolledig functioneerden, maakt dit wat mij betreft niet anders. Het staat de rechter vrij deze omstandigheid bij zijn waardering van het bewijsmateriaal te betrekken, maar dat een bepaald scenario niet volledig kan worden uitgesloten op basis van het verrichte onderzoek betekent nog niet dat de verdediging geen eerlijk proces heeft gehad. Dit tast de begrijpelijkheid van de motivering van het hof aan.
2.13
De eerste deelklacht slaagt. Daarmee behoeft de tweede deelklacht geen bespreking meer.
3. Slotsom
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑01‑2025
HR 20 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1309, r.o. 5.4-5.5. Zie voorts R. Kuiper, Vormfouten: Juridische consequenties van vormverzuimen in strafzaken (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2014, p. 378 e.v. en J.S. Nan, Vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, Den Haag: Sdu Uitgevers 2015, p. 78.
HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7150.
Vgl. met betrekking tot bewijsmateriaal dat in het ongerede is geraakt HR 27 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD1074; HR 20 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1309; HR 14 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9038, NJ 2003/288 m.nt. Y. Buruma en HR 15 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2318.
HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1451, NJ 2014/341 m. red. aant., r.o. 2.4.1.
Vgl. het in randnummer 2.9 van deze conclusie weergegeven citaat onder b.
Beroepschrift 18‑07‑2024
CASSATIESCHRIFTUUR
Parketnummer: 22-000387-22
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen het arrest van het gerechtshof 's‑Gravenhage van 12 april 2024, waarbij het hof het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam van 3 februari 2022 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats],
heeft vernietigd en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging ter zake het primair en subsidiair tenlastegelegde.
Rekwirant kan zich met deze uitspraak en de motivering daarvan niet verenigen en stelt daarom één middel van cassatie voor.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in artikel 79 lid 1 RO, meer in het bijzonder schending van artikel 359 lid 2, eerste volzin, Sv en/of artikel 359a lid 1 en lid 2 Sv jo artikel 349 lid 1 Sv en artikel 415 Sv, doordat het hof met zijn oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte, omdat sprake is van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd en dat de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie het enige juiste rechtsgevolg is, blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting, omdat
- —
het hof met zijn oordeel heeft miskend dat sprake moet zijn van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die het verstrekkende oordeel moet kunnen dragen dat — in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens — ‘the proceedings as a whole were not fair’, althans dat, voor zover het hof tot uitdrukking heeft gebracht dat dit het geval is, dit oordeel — in aanmerking genomen de zware motiveringseisen die voor een dergelijk oordeel gelden — ontoereikend is gemotiveerd en/of
- —
het hof met zijn oordeel dat de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie het enige juiste rechtsgevolg is, het in het toepasselijke toetsingskader besloten liggende uitgangspunt van subsidiariteit heeft miskend, althans dit oordeel — in aanmerking genomen de zware motiveringseisen die voor een dergelijk oordeel gelden, ontoereikend heeft gemotiveerd en/of dat dit oordeel zonder nadere motivering — die ontbreekt — niet zonder meer begrijpelijk is.
Toelichting
1.
Bij vonnis van 3 februari 2022 heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld wegens overtreding van artikel 6 WVW 1994. In het daartegen door de verdachte ingestelde hoger beroep heeft het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.
Het gaat in deze zaak om het volgende.
Op 21 mei 2019 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij de verdachte, een politieman, met hoge snelheid met zijn dienstvoertuig achterop een bestelbus is gereden. Als gevolg daarvan hebben de inzittenden van die bus en de bijrijder van de verdachte letsel opgelopen.
De verdachte heeft verklaard dat hij ter voorkoming van deze aanrijding weliswaar heeft geremd, maar dat hij tijdens de aanrijding voelde dat er niets gebeurde met de remmen en dat het erop leek alsof het voertuig helemaal niet remde. Nader technisch (tegen) onderzoek aan het voertuig zelf bleek echter niet meer mogelijk. Het voertuig was, kort na onderzoek daaraan door de politie, vervreemd en vrijgegeven door de officier van justitie.
2.
Het hof heeft het Openbaar Ministerie in deze vervolging niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft het, voor zover van belang, het volgende overwogen:
‘Beoordeling
Uit het dossier volgt dat de verdachte van meet af aan en ook reeds in het ziekenhuis heeft aangegeven dat de remmen van het voertuig volgens hem niet, of in elk geval niet naar behoren functioneerden. De verdachte is echter, hoewel hij direct na het ongeval, dus op 21 mei 2019, als verdachte werd aangemerkt (zie proces-verbaal Aanrijding misdrijf PL1700-2019150079-1 p. 3), pas anderhalf jaar nadat het ongeval had plaatsgevonden, gehoord. De raadsvrouw heeft zich eind juni 2019 gesteld en heeft direct daarna (2 juli 2019) verzocht om technisch onderzoek aan de auto te laten verrichten. Dit verzoek is nadien — bij het uitblijven van een reactie daarop — meerdere malen herhaald.
Op 27 februari 2020 — circa 8 maanden na het eerste verzoek van de verdediging om onderzoek aan het voertuig te mogen verrichten — werd de verdediging voor het eerst, in reactie op haar verzoeken, medegedeeld dat onderzoek zijdens de verdediging aan het dienstvoertuig niet (meer) mogelijk zou zijn, omdat het voertuig uit dienst zou zijn genomen en zou zijn verkocht. Vast staat dat door de verkoop van het betreffende voertuig, dat onder de verantwoordelijkheid van de officier van justitie heeft plaatsgevonden, het door de verdediging verzochte (tegen) onderzoek niet meer mogelijk was.
Naar het oordeel van het hof heeft de verdediging tijdig, te weten binnen circa 6 weken na het ongeval, om voornoemd onderzoek verzocht. Voorts is het hof van oordeel dat niet kan worden gezegd dat er — gelet op de inhoud van het dossier — geen enkele indicatie was dat er mogelijk iets mis zou kunnen zijn geweest met de functionaliteit van de remmen, zoals het onvolledig functioneren van het remsysteem als gevolg van oververhitting van de remmen.
De onderzoeken die aan de auto zijn verricht sluiten dit (nog steeds) niet volledig uit.
Anders dan de rechtbank is het hof derhalve van oordeel dat — gelet op de stukken in het dossier — niet kan worden uitgesloten dat nader technisch onderzoek aan de remmen van het voertuig een resultaat zou kunnen hebben opgeleverd, dat reële betekenis had kunnen hebben bij het beoordelen van de vraag of de verdachte schuld had aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet.
De officier van justitie heeft er echter voor gekozen om het voertuig te vervreemden, zonder dat de verdachte was gehoord en kennis was genomen van diens standpunt (en dat van zijn raadsvrouw). Naar het oordeel van het hof is het zeer aannemelijk dat als de verdachte kort na het ongeval als verdachte was gehoord en er eerder een advocaat bij de zaak betrokken was geweest, dit er — mede gelet op de verklaring van de verdachte en de vele verzoeken die de raadsvrouw heeft gedaan — met grote waarschijnlijkheid toe had geleid dat de auto niet al was vervreemd en dat het door de verdediging gewenste (tegen) onderzoek aan de auto verricht had kunnen worden.
Het (tegen) onderzoek aan de auto betreft een cruciaal verdedigingsmiddel dat de verdachte had en waarmee hij zijn stelling dat de remmen van het dienstvoertuig niet goed werkten, had kunnen onderbouwen. Dit verdedigingsmiddel staat door toedoen van politie en justitie definitief niet meer ter beschikking van de verdachte. Bovendien is waarheidsvinding door de rechter met betrekking tot de stelling van verdachte over de staat van de remmen van het voertuig niet meer mogelijk.
Het hof is — gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang en in het geheel bezien — van oordeel dat door het handelen van de politie en het Openbaar Ministerie sprake is van een zodanig ernstige en onherstelbare inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, dat met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.
Nu deze onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces voorts niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd, is de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie het enige juiste rechtsgevolg.
Het hof zal derhalve het Openbaar Ministerie ter zake van het primair en subsidiair tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.’;
3.
Blijkens zijn arrest heeft het hof toepassing gegeven aan het beoordelingskader van artikel 359a Sv. Daarover klaagt het middel niet. De Hoge Raad stelt naar vaste rechtspraak voorop dat niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, afgezien van de in de wet geregelde gevallen, slechts in uitzonderlijke situaties in aanmerking komt. Daarbij maakt de Hoge Raad onderscheid tussen, enerzijds, de situatie waarin sprake is van een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv en, anderzijds, inbreuken op de verdedigingsrechten van de verdachte die niet onder het bereik van art. 359a Sv vallen.
Met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de situatie waarin sprake is van een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376, m.nt. Y. Buruma, r.o. 3.6.5 de volgende maatstaf geformuleerd:
‘Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.’
In HR 1 december 2021, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. Jörg, heeft de Hoge Raad de toepassing van de hierboven genoemde maatstaf verduidelijkt. De Hoge Raad overwoog als volgt:
‘2.5.2
De Hoge Raad verduidelijkt de toepassing van deze maatstaf als volgt. De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat — in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens — ‘the proceedings as a whole were not fair’. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet — in zoverre stelt de Hoge Raad de eerder gehanteerde maatstaf bij — daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden. Aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring op deze grond kan bijvoorbeeld bestaan in het geval dat de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet al daarop was gericht (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0655 (NJ 2010/440, m.nt. T.M. Schalken; red.)),
of waarin gedragingen van politie en justitie ertoe hebben geleid dat de waarheidsvinding door de rechter onmogelijk is gemaakt (vgl. HR 8 september 1998, ECL:NL:HR:1998:ZD1239 (NJ 1998/879, m.nt. T.M. Schalken; red.)).
2.5.3
In gevallen waarin zich een of meerdere vormverzuimen hebben voorgedaan die aanvankelijk het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang hebben gebracht, maar die in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen, biedt de onder 2.5.2 besproken maatstaf in beginsel geen ruimte voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Het is echter niet uitgesloten, zoals onder 2.3.4 is overwogen, dat in zo'n geval strafvermindering ter compensatie van het daadwerkelijk ondervonden nadeel plaatsvindt.’
Eerste deelklacht
1.
Het hof heeft naar de mening van rekwirant miskend dat de vastgestelde inbreuk het verstrekkende oordeel moet kunnen dragen dat — in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens — ‘the proceedings as a whole were not fair’. Voor zover het oordeel van het hof aldus moet worden begrepen dat daarin wel tot uitdrukking komt dat die inbreuk dit verstrekkende oordeel moet kunnen dragen, dan is dat oordeel, gelet op de hoge eisen die worden gesteld aan de motivering van dergelijke beslissingen, ontoereikend gemotiveerd. Daartoe is het volgende van belang.
2.1
In het onderhavige geval heeft het hof vastgesteld dat op 25 mei 2019 onderzoek is verricht aan het voertuig, dat de officier van justitie op 1 juli 2019 heeft beslist de auto vrij te geven en dat de verdediging voor het eerst op 2 juli 2019 heeft verzocht technisch onderzoek aan het dienstvoertuig te laten verrichten, welk verzoek op 6 februari 2020 en 14 februari 2020 is herhaald. Op 27 februari 2020 werd de verdediging medegedeeld dat het dienstvoertuig was verkocht.
Het hof heeft voorts overwogen dat de verdachte in de onderhavige zaak voor het eerst is gehoord op 3 november 2020. Tijdens dit verhoor heeft de verdachte gewezen op een door hem opgestelde schriftelijke verklaring van 5 augustus 2020, waarin hij heeft aangeven dat de remmen van het dienstvoertuig niet naar behoren werkten.
Het hof heeft vastgesteld dat door de verkoop van het betreffende voertuig het door de verdediging verzochte (tegen) onderzoek niet meer mogelijk was.
Het hof heeft bovendien overwogen dat niet kan worden gezegd dat er — gelet op de inhoud van het dossier — geen enkele indicatie was dat er mogelijk iets mis zou kunnen zijn geweest met de functionaliteit van de remmen.
Het hof heeft vastgesteld dat er weliswaar onderzoeken zijn verricht aan de auto, maar heeft ook overwogen dat dit (nog steeds) niet volledig uitsluit dat er mogelijk iets mis zou kunnen zijn geweest met de functionaliteit van de remmen. Ook heeft het hof overwogen dat niet kan worden uitgesloten dat nader technisch onderzoek aan de remmen van het voertuig een resultaat zou kunnen hebben opgeleverd, dat reële betekenis had kunnen hebben bij het beoordelen van de vraag of de verdachte schuld had aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. Ook de waarheidsvinding door de rechter met betrekking tot de stelling van verdachte over de staat van de remmen van het voertuig is, zo heeft het hof vastgesteld, niet meer mogelijk.
2.2
Met betrekking tot het onderzoek aan het voertuig blijkt uit het proces-verbaal van de zitting bij het hof op 16 februari 2023 het volgende.
Het hof heeft op verzoek van de verdediging besloten tot het voegen van een deskundigenrapport van Baan Hofman Ongevallenanalyse d.d. 14 september 2022. Naar aanleiding van dit deskundigenrapport heeft de advocaat-generaal op 15 februari 2023 een aanvullend proces-verbaal d.d. 14 februari 2023, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], aan het hof en de raadsvrouw toegestuurd. Ook deze stukken heeft het hof aan het dossier gevoegd.
Het hof besliste de zaak die dag niet, zoals oorspronkelijk was voorzien en door de verdediging alsnog werd voorgestaan, inhoudelijk te behandelen. Daarbij hield het hof rekening met de conflicterende conclusies van het nadere deskundigenrapport enerzijds en het naar aanleiding daarvan opgestelde aanvullend proces-verbaal anderzijds. Het hof gaf de verdediging wel gelegenheid tot het voeren van een preliminair verweer. Daarvan stelde het hof uiteindelijk vast dat dit ontijdig was, waarna de behandeling van de zaak werd voortgezet als een regiezitting.
In het verband van deze regiezitting is vervolgens de vraag aan de orde geweest of en zo ja, op welke wijze nader onderzoek zou moeten plaatsvinden naar de vraag of de remmen van het betreffende voertuig al dan niet goed werkten. Het hof heeft naar aanleiding van hetgeen is besproken op de regiezitting besloten dat nader onderzoek diende te worden verricht. Dat onderzoek bestond er uit dat nader zou worden geverbaliseerd welk technisch onderzoek precies heeft plaatsgevonden aan het gehele remsysteem van het SIV voertuig waarin de verdachte reed, dat de opstellers van de VOA de betekenis van zes meldingen van opgetreden storingen aan het SIV voertuig waarin de verdachte reed (Audi A6) nader dienden te duiden, dat (kort gezegd) de opstellers van de VOA de algemene gegevens van de remweg van een SIV voertuig dienden weer te geven en deze te bezien in relatie tot de bekend zijnde gegevens rond de lengte van de remweg van het specifieke voertuig waarin de verdachte reed.
Tenslotte heeft het hof bevolen dat de door de verdediging in de arm genomen deskundige van Baan Hofman Ongevallenanalyse diende te reageren op de bevindingen van deze onderzoeken en op die van de door de advocaat-generaal bij aanvullend proces-verbaal d.d. 14 februari 2023 ingebrachte onderzoeken. Het hof heeft ook, mede op verzoek van de verdediging, besloten tot het horen van drie verbalisanten.
Ter zitting van het hof op 15 maart 2024 zijn de resultaten van deze onderzoeken gevoegd aan het dossier.
2.3
Op de zitting van 15 maart 2024 is in het requisitoir, kort gezegd, aangevoerd dat het niet aannemelijk is dat de remmen heet zijn geworden en dat er kans op remfading is. Ook is aangevoerd dat de conclusie van Baan Hoffman dat het onderzoek de mogelijkheid niet uitsluit dat de remwerking eventueel verminderd is geweest, berust op de aanname dat verdachte in de laatste vier seconden een noodremming heeft gemaakt, terwijl uit de remgrafiek juist blijkt dat verdachte niet voluit heeft geremd. Ook heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat er geen objectieve vaststellingen zijn dat er iets mis was. De advocaat-generaal heeft voorts aangevoerd dat zelfs in het geval er sprake was van een verminderde remwerking, het ongeluk ook dan vermijdbaar was geweest.
Bij repliek heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat het opheffen van het beslag en de verkoop van de Audi de mogelijkheid tot tegenonderzoek van de verdediging weliswaar hebben doorkruist, maar dat er geen sprake is van een doelbewuste schending van de belangen. Daarbij verwijst de advocaat-generaal naar hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld op pagina 2–4 van het vonnis.
De advocaat-generaal heeft tevens naar voren gebracht dat het door haar ingebrachte aanvullend proces-verbaal d.d. 14 februari 2023 een reactie was op het laat voegen van stukken door de verdediging. De verdediging heeft volgens de advocaat-generaal inmiddels voldoende de gelegenheid gehad te reageren op dit proces-verbaal en wel middels een aanvullend rapport van Baan Hoffman en het horen van beide verbalisanten van de VOA. Om die reden is volgens de advocaat-generaal geen sprake van strijdigheid met de beginselen van een behoorlijke procesorde.
3.
Bij deze stand van zaken getuigt het oordeel van het hof dat sprake is van een zodanig ernstige en onherstelbare inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, dat met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan en die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd van een verkeerde rechtsopvatting.
Daargelaten dat het hof naar geldend recht niet behoefde vast te stellen dat met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan, heeft het hof immers miskend dat die inbreuk het verstrekkende oordeel moet kunnen dragen — in de bewoordingen van het EHRM — dat ‘the proceedings as a whole were not fair’. Dit oordeel is in elk geval ontoereikend gemotiveerd, mede gelet op hetgeen hierboven onder 2.1 – 2.3 naar voren is gebracht over het verloop van het onderzoek ter zitting in hoger beroep en op hetgeen ter zitting door de advocaat-generaal is aangevoerd.
Hierbij dient in het bijzonder in aanmerking te worden genomen dat is gebleken dat ook zonder nader technisch onderzoek aan het voertuig zelf het nodige onderzoek heeft plaatsgevonden. Het hof heeft daartoe op de zitting van 16 februari 2023 besloten. In dat onderzoek is de volledigheid en de kwaliteit van het reeds door de politie verrichte onderzoek aan het voertuig uitgebreid aan de orde geweest. Van belang daarbij is ook dat de verdediging een deskundigenrapport en een aanvullend rapport van Baan Hofman Ongevallenanalyse heeft kunnen inbrengen. Bij het genoemde aanvullend rapport kon bovendien worden gereageerd op onderzoeksbevindingen die van de zijde van het OM waren ingebracht in reactie op het deskundigenrapport van Baan Hofman Ongevallenanalyse d.d. 22 september 2022.
Van hetgeen de advocaat-generaal naar voren heeft gebracht is in het bijzonder van belang dat is aangevoerd dat zelfs in het geval er sprake was van een verminderde remwerking, het ongeluk ook dan vermijdbaar was geweest. Tegen die achtergrond is niet zonder meer begrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat niet kan worden uitgesloten dat nader technisch onderzoek aan de remmen van het voertuig een resultaat zou kunnen hebben opgeleverd, dat reële betekenis had kunnen hebben bij het beoordelen van de vraag of de verdachte schuld had aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. Het hof heeft niet gereageerd op hetgeen de advocaat-generaal op dit punt naar voren heeft gebracht en, in zoverre, in het midden gelaten wat de relevantie zou zijn van het nadere technisch onderzoek aan het voertuig voor de vraag of de verdachte schuld had aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994. Het oordeel dat mede daarom sprake is van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd, is om die reden niet zonder meer begrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
Voor zover het hof bij zijn oordeel als uitgangspunt heeft genomen dat de onderzoeken die wel aan de auto zijn verricht volledig dienen uit te sluiten dat er iets mis zou kunnen zijn geweest met de functionaliteit van de remmen, zoals het onvolledig functioneren van het remsysteem als gevolg van oververhitting van de remmen, dan kleeft daaraan in elk geval een motiveringsgebrek. Het kennelijk daarin besloten liggende oordeel van het hof dat slechts in dat geval (nog) sprake zou kunnen zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
Tweede deelklacht
1.
Het hof heeft geoordeeld dat de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie het enige juiste rechtsgevolg is. Rekwirant meent dat het hof daarmee het uitgangspunt van subsidiariteit heeft miskend nu, waar mogelijk, moet worden volstaan met het — vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien — minst verstrekkende rechtsgevolg. In elk geval heeft het hof dit oordeel, gelet op het in dit verband in het toetsingskader besloten liggende uitgangspunt van subsidiariteit, ontoereikend gemotiveerd.
2.1
In HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 (m.nt. N. Jörg), nr. 2.1.3 heeft de Hoge Raad in dat verband het volgende overwogen:
‘Toepassing van artikel 359a Sv kan ertoe strekken dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) wordt gewaarborgd. Daarnaast berust de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg aan een vormverzuim moet worden verbonden, en zo ja de wijze waarop dat gebeurt, in de kern op een afweging van belangen. Daarbij gaat het om de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen — waaronder de belangen van waarheidsvinding en van de bestraffing van de daders van strafbare feiten — en de belangen die verband houden met de handhaving van grondrechten en de bevordering van een normconform verloop van het voorbereidend onderzoek.
Artikel 359a Sv formuleert een bevoegdheid en niet een plicht om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek, en biedt de mogelijkheid te volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan. Aan de rechtspraak over de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen ligt als uitgangspunt ten grondslag dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim geleden nadeel.
Dat betekent tevens dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het — vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien — minst verstrekkende rechtsgevolg. Ook aan dit in de conclusie van de advocaat-generaal onder 120 benoemde uitgangspunt van subsidiariteit houdt de Hoge Raad vast.’
Binnen het kader en de systematiek van artikel 359a Sv wordt de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging beschouwd als meest verstrekkend rechtsgevolg op een geconstateerd vormverzuim. In dat verband zij verwezen naar de eerder genoemde rechtsoverwegingen 2.5.1 en 2.5.2 uit HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169.
2.2
Met betrekking tot het uitgangspunt van subsidiariteit is de ontnemingszaak van belang die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059, NJ 2017/51 m.nt. Kooijmans. In deze zaak verzocht de verdediging het Hof Arnhem-Leeuwarden om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de ontnemingsvordering omdat door het forse tijdsverloop een adequate verdediging niet langer mogelijk zou zijn. Het hof verwierp dit verweer met de overweging dat overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM niet kan leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Daarmee miskende het hof — zo oordeelde de Hoge Raad — de strekking van het gevoerde verweer: het strekte er immers toe dat het flinke tijdsverloop het de verdachte en zijn raadsman onmogelijk had gemaakt om een adequate verdediging te voeren. Dit leidde evenwel niet tot cassatie, omdat het hof het verweer naar het oordeel van de Hoge Raad slechts had kunnen verwerpen. Ter zake overwoog de Hoge Raad het volgende:
‘2.3.4.
Bij een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die niet onder het bereik van art. 359a Sv valt, komt de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging niet in aanmerking, behoudens in het uitzonderlijke geval dat die inbreuk van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. Bovendien moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen — in de bewoordingen van het EHRM — dat ‘the proceedings as a whole were not fair’. Uit een en ander volgt dat de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in beeld kan komen. Aan de motivering van die beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring worden hoge eisen gesteld.
Andere gevolgen dan de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging liggen meer in de rede indien sprake is van een — onherstelbare en niet voor (procedurele) compensatie vatbare — schending van de verdedigingsrechten. Ingeval bijvoorbeeld het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde uitsluitend steunt op een hem belastende tegenover de politie afgelegde getuigenverklaring, terwijl op de gronden als vermeld in HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539, NJ 2013/145 moet worden aangenomen dat de verdachte niet het bij art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM voorziene recht heeft kunnen uitoefenen die getuige te (doen) horen omtrent die verklaring, en verdachtes betrokkenheid bij het hem tenlastegelegde ook niet wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal dan wel bedoeld steunbewijs geen betrekking heeft op die onderdelen van de verklaring die door de verdachte zijn betwist, ligt het in de rede dat die betwiste getuigenverklaring niet voor het bewijs wordt gebezigd en dat de verdachte bij gebreke van ander bewijsmateriaal wordt vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, en in een ontnemingszaak dat de ontnemingsvordering wordt afgewezen. Dat is niet anders indien het tijdsverloop een complicatie heeft gevormd bij de vergaring en de waardering van het bewijsmateriaal.’
In de ook voor onderhavig geval van belang zijnde zaak die leidde tot HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1009, NJ 2022/281 had het hof geoordeeld dat geen sprake was van enkel tijdsverloop, maar van bijkomende, uitzonderlijke omstandigheden waardoor de waarheidsvinding ernstig in het gedrang was gekomen, nu onderzoekshandelingen — bestaande uit het doen opmaken van aanvullende processen-verbaal en de oproeping van een tolk als getuige — niet meer uitgevoerd konden worden. Als gevolg daarvan deed zich volgens het hof de situatie voor dat, door het tijdsverloop, voor de vaststelling van feiten noodzakelijk geachte informatie is uitgewist, wat betekende dat er van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake meer kon zijn. De Hoge Raad liet dat oordeel niet in stand en overwoog in dat verband als volgt:
‘2.4.2
Dit verstrekkende oordeel is niet toereikend gemotiveerd. In dat verband is van belang dat uit wat hiervoor onder 2.3 is weergegeven volgt dat als — onevenredig — tijdsverloop een complicatie vormt bij de bewijsgaring of de waardering van het bewijs, de rechter daarmee rekening kan houden en, indien de bewijsvoering anders op gespannen voet zou komen met de ‘fairness of the proceedings as a whole’, tot een vrijspraak kan komen. De door het hof vastgestelde gang van zaken kan zijn kennelijke oordeel dat sprake was van een niet voor (procedurele) compensatie vatbare schending van de verdedigingsrechten die meebrengt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard in de vervolging van de verdachte, daarom niet dragen.’
3.
Zoals hierboven in de paragrafen 2.1 en 2.3 is vooropgesteld, wordt bij beantwoording van de vraag welk rechtsgevolg aan een vormverzuim moet worden verbonden, waar mogelijk, volstaan met het — vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien — minst verstrekkende rechtsgevolg.
Bij de bespreking van de eerste deelklacht is in de paragrafen 2.1 – 2.3 toegelicht dat ook zonder nader technisch onderzoek aan het voertuig zelf in de fase van het onderzoek ter zitting het nodige aanvullend onderzoek heeft plaatsgevonden.
Uit de hierboven genoemde rechtspraak volgt dat, in geval van complicaties bij de bewijsgaring of de waardering van het bewijs, compensatie voor schending van de verdedigingsrechten kan worden geboden door deze te betrekking bij de bewijsvraag.
Het hof heeft, mede tegen deze achtergrond, verzuimd inzichtelijk te maken dat toepassing is gegeven aan het beginsel van subsidiariteit, alsook duidelijk te maken waarom in het onderhavige geval niet kon worden volstaan met een ander gevolg dan de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Dat leidt primair tot de conclusie dat het hof dit uitgangspunt heeft miskend. In elk geval schiet 's hofs onderbouwing van dit oordeel tekort — mede in het licht van het voorgaande en tegen de achtergrond van de zware motiveringseisen die voor een dergelijk oordeel gelden.
4.
Gelet op het voorgaande heeft het hof met zijn oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte, omdat sprake is van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd en, dus, de niet- ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie het enige juiste rechtsgevolg is, blijk gegeven van een verkeerde rechtsopvatting, althans dit oordeel — in aanmerking genomen de zware motiveringseisen die voor een dergelijk oordeel gelden, ontoereikend gemotiveerd en/of is dit oordeel zonder nadere motivering — die ontbreekt — niet begrijpelijk.
Indien het cassatiemiddel, dan wel een onderdeel daarvan, doel treft, zal het bestreden arrest van het gerechtshof 's‑Gravenhage van 12 april 2024 niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook dit arrest te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 18 juli 2024
mr. G.K. Schoep
plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket