Rb. Den Haag, 17-03-2015, nr. 09/900303-10
ECLI:NL:RBDHA:2015:4134
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
17-03-2015
- Zaaknummer
09/900303-10
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2015:4134, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 17‑03‑2015; (Beschikking)
Uitspraak 17‑03‑2015
Inhoudsindicatie
Gegrondverklaring DNA-bezwaarschrift
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Parketnummer: 09/900303-10
Kenmerk RK: 14/5365
Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het bezwaar ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedag] 1971 te Amsterdam,
adres: [adres],
te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van advocaat mr. T.M.D. Buruma,
Keizersgracht 560-562, 1017 EM Amsterdam,
tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel.
De rechtbank heeft dit bezwaar op 17 maart 2015 in raadkamer behandeld.
Veroordeelde, bijgestaan door mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam, is in raadkamer gehoord.
De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd tot gegrondverklaring van het bezwaar nu er sprake is van een bijzonder geval en de bezwaarschriften van de medeveroordeelden gegrond zijn verklaard.
Beoordeling van het bezwaar.
Veroordeelde is bij uitspraak van 15 september 2010 door de politierechter van deze rechtbank ter zake van – kort gezegd – vernieling en huisvredebreuk, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week, met een proeftijd van twee jaren. De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot behandeling van het bezwaar.
Bij veroordeelde is, ingevolge het bevel van de officier van justitie van 24 mei 2011, op 17 december 2014 op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: Wet DNA), celmateriaal afgenomen.
Blijkens een daarvan opgemaakte akte is het bezwaarschrift op 29 december 2014 ter griffie van deze rechtbank ingediend. Het bezwaarschrift is derhalve tijdig ingekomen.
Het DNA-profiel van veroordeelde is nog niet bepaald.
De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot vernietiging van het DNA-materiaal, aangezien de afname, het bepalen en verwerken van het DNA-materiaal in strijd zijn met artikel 8 van het EVRM en het vertrouwensbeginsel. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd.
De afname van DNA-materiaal is niet noodzakelijk in een democratische samenleving en disproportioneel, bezien in het licht van de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, het verloop van tijd sindsdien en de persoon van bezwaarde.
Een situatie als omschreven in artikel 2, eerste lid, onder b van de Wet DNA doet zich voor.
Het vertrouwensbeginsel is geschonden nu in gelijkluidende zaken van enkele medeverdachten het door hen ingediende bezwaarschrift gegrond is verklaard vanwege de situatie als omschreven in artikel 2 onder b van de Wet DNA, en veroordeelde daaraan, gekoppeld aan de lange duur die inmiddels is verstreken sinds het geven van het bevel, het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat het bevel niet langer van toepassing was. Uiterst subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de vormvoorschriften niet zijn nageleefd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Uit de stukken van het strafdossier komt naar voren dat veroordeelde en zijn mededaders het terrein van de ambassade van Iran zijn binnengedrongen, waarna zij op dat terrein openlijk geweld tegen goederen hebben gepleegd, waardoor enkele voorwerpen zijn beschadigd. De politierechter heeft, daar het een eenmalig en tamelijk uitzonderlijk incident betrof, een korte, geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf aan veroordeelde opgelegd.
De rechtbank stelt vast dat, hoewel ieder bezwaar dient te worden beoordeeld op grond van de eigen individuele merites, zij bij de beoordeling van het bezwaar van belang acht dat de bezwaarschriften van de drie medeveroordeelden, te weten [medeveroordeelde 1], [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 3] gegrond zijn verklaard.
De overwegingen van de politierechter en het blanco strafblad van veroordeelde in aanmerking nemend, is de rechtbank, gelet op de aard van het misdrijf en de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is begaan, van oordeel dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging of berechting van strafbare feiten, zodat de uitzonderinggrond van artikel 2, eerste lid, onder b van de Wet DNA van toepassing is.
De rechtbank zal het bezwaar daarom gegrond verklaren. De officier van justitie dient op grond van artikel 7, vijfde lid, Wet DNA ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal van bezwaarde terstond wordt vernietigd.
Beslissing.
De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond en beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal terstond wordt vernietigd.
Aldus gedaan te Den Haag door mr. E.C.M. Bouman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.B.M. Nohl, griffier, en uitgesproken ter zitting van 17 maart 2015.