Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/3.2:3.2 Rechtspraak Burgerlijk Wetboek (oud)
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/3.2
3.2 Rechtspraak Burgerlijk Wetboek (oud)
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS489659:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 10 december 1869, W 3171; HR 17 januari 1896, W 6766.
Zie hierover uitgebreider: Van Acht 1990, p. 100-102.
HR 5 juni 1914, NJ 1914, 845; HR 1 maart 1967, NJ 1968,76. Zie uitgebreid over deze arresten: Van Acht 1990, p. 103-106.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de rechtspraak is de vraag naar de aard van het burenrecht aan de orde gekomen in verband met de buurweg. In twee arresten uit de negentiende eeuw heeft de Hoge Raad1 bepaald dat de vordering tot het hebben en houden van een buurweg zou moeten worden aangemerkt als
‘een persoonlijke, omdat zij, gelijk art. 129 B.R. het uitdrukt, tot onderwerp heeft de vervulling eener persoonlijke verbintenis, en wel van eene zodanige, die uit de wet voortvloeit.’2
In de vorige eeuw heeft de Hoge Raad zich nog twee keer in verband met de buurweg over de aard van het burenrecht kunnen uitspreken.3 In deze arresten komt de Hoge Raad evenwel niet verder dan de constatering dat het recht is verbonden met de ‘eigendom der goederen’.