Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.3.4
3.3.4 Verkrijging onder opschortende voorwaarde
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS478045:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. art. 3:38 lid 2 BW.
Vgl. de art. 3:38 lid 1, 3:84 lid 4 en 3:92 lid 1 BW. Zie over de overdracht onder opschortende voorwaarde onder anderen Reehuis 2010/102-106; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/242; Snijders & Rank-Berenschot 2012/410-411 en 413-414; en Faber 2007, p. 31-41 en 43-45.
Vgl. art. 3:38 lid 2 BW. Zie ook Snijders & Rank-Berenschot 2012/416; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/242.
Art. 3:92 lid 1 BW. De rechtspositie van de verkrijger onder opschortende voorwaarde, in het bijzondere de vraag in hoeverre de verkrijger – hangende de voorwaarde – reeds een goederenrechtelijke aanspraak heeft op het goed, is hiervoor reeds aan bod gekomen. Zie nr. 50.
Zie Asser/Perrick 4 2013/193-209, over makingen onder voorwaarde of tijdsbepaling.
Art. 4:138 lid 1 BW.
Vgl. art. 4:141 BW. De termijn van art. 4:140 BW geldt niet voor dit type voorwaardelijke making. Ook de bestaanseis voor de erfgenaam wordt voor dit geval opgerekt, zie art. 4:56 leden 2 en 3 BW. Zie hierover Asser/Perrick 4 2013/223-229.
Strikt genomen wordt de titel van de overdracht geconverteerd. Krachtens het causale stelsel werkt deze conversie door in het rechtsgevolg. Zo ook Struycken 2007, p. 561.
Art. 4:136 BW.
59. De verkrijging zal niet steeds zijn gekoppeld aan het tijdstip waarop de wettelijke vereisten voor de rechtsovergang zijn vervuld. Zo is het mogelijk dat de overgang krachtens rechtshandeling wordt uitgesteld tot een later moment. Hierbij valt te denken aan het verbinden van een opschortende voorwaarde aan de verkrijging. De vervulling van de voorwaarde, het plaatsvinden van een bepaalde onzekere toekomstige gebeurtenis, vormt in dit geval het voor de verkrijging noodzakelijke feit. Eerst wanneer de voorwaarde wordt vervuld, is de verwerving van het goed – ex nunc – voltooid.1 Voorbeelden hiervan bestaan bij zowel erfopvolging als overdracht.
60. Een overdracht kan plaatsvinden onder een opschortende voorwaarde.2 De rechtsovergang vindt in dat geval niet plaats met de levering, maar met de vervulling van de opschortende voorwaarde. Hierdoor blijft het goed vooralsnog in het vermogen van de vervreemder. De verkrijger verwerft het geleverde goed zodra de opschortende voorwaarde is vervuld. De vervulling van de voorwaarde, en daarmee de verkrijging krachtens overdracht, heeft geen terugwerkende kracht.3 Een typisch voorbeeld van een overdracht onder opschortende voorwaarde is het eigendomsvoorbehoud. De wet hanteert immers het vermoeden dat een beding waarbij de eigendom van een zaak wordt voorbehouden een verbintenis oplevert tot overdracht onder opschortende voorwaarde van voldoening van de door de verkrijger verschuldigde tegenprestatie.4
61. Ook het erfrecht staat toe dat het tijdstip van de verkrijging door erfopvolging van een andere gebeurtenis dan de dood van de erflater afhankelijk wordt gemaakt.5 Een uiterste wil kan bijvoorbeeld een voorwaardelijke erfstelling bevatten. Een erflater kan krachtens zijn uiterste wilsbeschikking bepalen dat de verkrijging door erfopvolging afhankelijk is van de vervulling van een bepaalde (toekomstige onzekere) gebeurtenis.6 Is de erfstelling voorwaardelijk dan wordt tot de vervulling van de voorwaarde de erfgenaam onder ontbindende voorwaarde als de uitsluitend rechthebbende aangemerkt.7 De erfgenaam onder opschortende voorwaarde verkrijgt de goederen van de nalatenschap niet eerder dan – en zonder terugwerkende kracht – op het moment dat de voorwaarde wordt vervuld. De onzekerheid over vervulling van de voorwaarde wordt door art. 4:140 BW beperkt tot een periode van dertig jaar na het overlijden van de erflater. Na die termijn vervalt de voorwaardelijke erfstelling. De verkrijging onder opschortende voorwaarde door de erfgenaam is daarmee definitief van de baan.
Een bijzondere toepassing van de voorwaardelijke erfstelling is een zogenaamde making over de hand, ook wel tweetrapsmaking of fideïcommis genoemd. In dat geval wordt een benoeming van een erfgenaam onder ontbindende voorwaarde (de bezwaarde) gecombineerd met een benoeming van een erfgenaam onder een aansluitende opschortende voorwaarde (de verwachter). In de regel zal de voorwaarde bestaan in het overlijden van de bezwaarde. De verwachter verkrijgt (het onverteerde deel) van het vermaakte op het tijdstip van de vervulling van de voorwaarde, mits hij dit tijdstip overleeft.8 Het moment van verkrijging door de verwachter is ook in dit geval niet gelijk aan het overlijdensmoment van de erflater.
62. In tegenstelling tot een opschortende voorwaarde, is uitstel van een verkrijging door haar te verbinden aan een opschortende tijdsbepaling niet mogelijk. Een rechtsovergang kan daardoor niet afhankelijk worden gemaakt van een enkel verloop van de tijd. De wetgever koestert een kennelijke weerzin tegen deze vorm van tijdelijke eigendom. Voor overdracht volgt dit uit art. 3:85 lid 2 BW. Een overdracht onder opschortende tijdsbepaling wordt op de voet van deze bepaling van rechtswege geconverteerd in een onmiddellijke overdracht met gelijktijdige vestiging van een vruchtgebruik voor de vervreemder voor de gestelde tijd.9 De verkrijger verwerft het goed terstond met de levering, zij het bezwaard met een vruchtgebruik voor de vervreemder. Een vergelijkbare conversiebepaling vindt men voor het erfrecht in art. 4:136 BW. Wordt een erfstelling afhankelijk gemaakt van een tijdsbepaling, dan verkrijgt de erfgenaam die onder opschortende tijdsbepaling is benoemd terstond de nalatenschap of het aandeel daarin. De erfgenaam onder ontbindende tijdsbepaling verkrijgt slechts een legaat van vruchtgebruik op dit erfdeel.10