Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/5.2.5.2
5.2.5.2 Rechtsmacht rechter
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192793:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de wetgever voornemens is een daartoe strekkend verzoek aan de Europese Commissie te doen, zie Kamerstukken II 2018/19, 35 249, nr. 3, p. 6; 32; 54.
Met uitzondering van Denemarken, vgl. considerans 88 IVO II.
Art. 371 lid 14 Fw bepaalt dit voor het geval dat de openingsbeslissing de benoeming van een herstructureringsdeskundige inhoudt. Dit artikellid is van overeenkomstige toepassing verklaard in art. 376 lid 12 Fw (de bepaling over de afkoelingsperiode), art. 378 lid 10 Fw (de geschillenregeling), art. 384 lid 8 Fw (de beslissing over het homologatieverzoek), art. 379 lid 2 Fw (de maatwerkbepaling), art. 380 lid 4 Fw (benoeming van een observator). Zie hierover Kamerstukken II 2018/19, 35 249, nr. 3, p. 33; 40; 70.
Kamerstukken II 2018/19, 35 249, nr. 3, p. 32. De Nederlandse wetgever veronderstelt – terecht – dat de besloten akkoordprocedure niet onder het toepassingsbereik van EEX-Verordening valt. Vgl. Veder 2019, §4. Anders: Nijnens 2019. Zie over dit punt uitgebreider §10.8.
Art. 3 sub a Rv.
Art. 1:10 lid 2 BW, waarover Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/56.
Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 89. In de toelichting is ook vermeld dat het woord ‘voldoende’ de rechter een zekere afwegingsruimte biedt, maar dat art. 3 sub c Rv noodgedwongen “een wat vage beschrijving” is.
Zie daarover nr. 85.
De Engelse rechter gaat bij de beoordeling van zijn rechtsmacht na of de scheme erkend zal worden in het land of de landen waarin het ten uitvoer moet worden gelegd, zie nr. 86.
202. Het antwoord op de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is ter zake van een WHOA-akkoord is afhankelijk van het type akkoordprocedure dat wordt gekozen.1 In geval van de openbare akkoordprocedure die op bijlage A van de Herziene Insolventieverordening zal komen te staan,2 is relevant of de schuldenaar zijn centrum van voornaamste belangen (‘COMI’) in een van de EU-lidstaten3 heeft. Is dat het geval, dan is de Nederlandse rechter bevoegd wanneer de COMI van de schuldenaar in Nederland is gelegen4 of wanneer de schuldenaar in Nederland een vestiging heeft.5 Bij rechtspersonen wordt het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn. Voor zover het gaat om een natuurlijke persoon die als zelfstandige een beroep of bedrijf uitoefent, wordt de plaats van diens hoofdvestiging vermoed het centrum van voornaamste belangen te zijn.6
Op grond van IVO II dienen schuldeisers de mogelijkheid te hebben om de internationale bevoegdheid van de rechter te betwisten.7 Diverse beslissingen die de rechter in het kader van een WHOA-procedure neemt kunnen als openingsbeslissing gelden, bijvoorbeeld de beslissing op het homologatieverzoek, de beslissing om een herstructureringsdeskundige aan te stellen, de beslissing om een afkoelingsperiode af te kondigen, het treffen van voorzieningen op grond van de maatwerkbepaling en het geven van een tussentijds oordeel in de geschillenprocedure van art. 378 Fw. Op diverse plaatsen in de voorgestelde regeling is dan ook opgenomen dat schuldeisers acht dagen na publicatie van de openingsbeslissing in verzet kunnen komen op grond van het ontbreken van internationale bevoegdheid.8
203. Ligt de COMI van de schuldenaar buiten de EU of in Denemarken, dan dient aan de hand van art. 3 Rv te worden bepaald of de Nederlandse rechter bevoegd is, zo volgt expliciet uit de memorie van toelichting.9 Op grond van art. 3 Rv is de Nederlandse rechter ten eerste bevoegd wanneer de verzoeker zijn woonplaats heeft in Nederland.10 Daarvan is sprake wanneer de schuldenaar zijn (statutaire) zetel in Nederland heeft.11 Ook wanneer een of meer van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden woonplaats in Nederland hebben, kan de Nederlandse rechter zich bevoegd achten op grond van art. 3 sub a Rv. Op grond van deze ruime regel zal de Nederlandse rechter bevoegd zijn wanneer een in het akkoord betrokken vermogensverschaffer zijn woonplaats in Nederland heeft.
De rechter kan zich ook bevoegd achten op grond van de zogenaamde ‘forum conveniens’-bepaling van art. 3 sub c Rv. De rechter kan bevoegdheid aannemen wanneer de zaak “anderszins voldoende verbonden is met de rechtssfeer van Nederland”. Deze bepaling is ingevoerd bij de herziening van het Burgerlijke Procesrecht in 2002. Voor deze herziening gold de veronderstelling dat de Nederlandse rechter steeds rechtsmacht had, tenzij er onvoldoende verband met de Nederlandse rechtssfeer bestond (‘forum non conveniens’). Als gevolg van de herziening geldt thans als uitgangspunt dat de rechtsmacht in beginsel op limitatief in de wet opgenomen gronden wordt gebaseerd, aangevuld met een ‘vangnetbepaling’. Dit systeem zou de rechtspraktijk meer houvast verschaffen. De rechter dient van geval tot geval te beoordelen of de aanknopingspunten, ook internationaal gezien, voldoende substantieel zijn om rechtsmacht aan te nemen op grond van art. 3 sub c Rv.12
In de Memorie van Toelichting bij de WHOA noemt de wetgever vijf situaties waarin volgens hem in ieder geval sprake is van het door art. 3 sub c Rv vereiste voldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer:
de schuldenaar die het akkoord aanbiedt, heeft zijn COMI of een vestiging in Nederland;
de schuldenaar die het akkoord aanbiedt, heeft (substantiële) activa in Nederland;
een (substantieel) deel van de door middel van het akkoord te herstructureren schulden vloeit voort uit verbintenissen die zijn onderworpen aan het Nederlands recht of waarbij een forumkeuze is gemaakt voor de Nederlandse rechter;
een (substantieel) deel van de groep waarvan de schuldenaar deel uitmaakt, bestaat uit in Nederland gevestigde vennootschappen, of
de schuldenaar is aansprakelijk voor schulden van een andere schuldenaar ten aanzien waarvan de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.
Deze opsomming is niet-limitatief.13 Deze rechtsmachtregeling bij de besloten akkoordprocedure lijkt op het eerste gezicht sterk op het door de Engelse rechters gehanteerde criterium dat zij bevoegd zijn wanneer er sprake is van “sufficient connection” met het Verenigd Koninkrijk.14 De toekomst zal uitwijzen hoe ruimhartig Nederlandse rechters rechtsmacht ter zake van pre-insolventieakkoorden zullen aannemen op grond van art. 3 sub c Rv, en in hoeverre rechters bij deze beslissing meewegen hoe waarschijnlijk het is dat het WHOA-akkoord in het buitenland erkend zal worden.15