Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/14.4.2
14.4.2 Opvattingen in de literatuur over het uitoefenen van andermans afhankelijke zekerheidsrecht
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS298023:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De vruchtgebruiker is bevoegd om de vordering waar zijn vruchtgebruik op rust te innen op basis van art. 3:210 BW. De beslaglegger heeft recht op betaling van de vordering doordat de derdenbeslagene op grond van art. 477 Rv verplicht is betaling te doen aan de deurwaarder die namens de beslaglegger het beslag heeft gelegd.
Door de termen ‘actief’ en ‘passief’ te gebruiken kunnen zo veel mogelijk casusposities worden beschreven. Andere termen hebben te weinig onderscheidend vermogen; zo zijn in de casus van het arrest ABN Amro/Marell zowel het actieve als het passieve recht afhankelijke beperkte zekerheidsrechten.
HR 18 december 2015, JOR 2016/105 (ABN Amro/Marell) m. nt. N.E.D. Faber en N.S.G.J. Vermunt. Ik laat met opzet het laatste gedeelte van het citaat weg – dat gaat over het beloop waartoe A zijn vordering mag verhalen – omdat ik die discussie (zie de noot van Faber en Vermunt) hier verder niet bespreek.
Zie bijvoorbeeld Verdaas 2008, p. 284; Biemans 2011, p. 245; Rongen 2012, p. 1288; Steneker 2012, para. 54; Krzemi/ski 2013, p. 248. Een uitzondering vormt Vriesendorp 1991, p. 767.
Veelal wordt alleen onderscheiden tussen de overdrachtsopvatting en de inningsbevoegdheidsopvatting; zie bijvoorbeeld Kortmann 2005, p. 68-69 en de Conclusie van A.-G. Wissink bij HR 18 december 2015, JOR 2016/105 (ABN Amro/Marell) onder 2.3. Veel van de argumenten vóór de inningsbevoegdheidsopvatting zijn vooral gericht tégen de overdrachtsopvatting (zie randnummer 625); deze argumenten doen geen afbreuk aan de strekkingsopvatting.
Deze opvatting is afkomstig uit het Romeinse recht; zie Out 2005, p. 123. Meer recentelijk is deze opvatting onder meer te vinden bij Heyman 1992; Asser/Mijnssen & de Haan 1992, para. 366; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, para. 825; Asser/van Mierlo 2016, para. 211.
Ook deze opvatting is al oud; zie bijvoorbeeld Eggens 1936, p. 227. Onder deze opvatting vallen zowel schrijvers die menen dat op het passieve beperkte recht zelf een beperkt recht komt te rusten, zoals Snijders 1999, p. 584, als schrijvers die – mijns inziens juister – per analogie redeneren, zoals Molenaar 1991, p. 349; Rongen 2012, p. 1288; Hartkamp/van Leuken, van de Moosdijk & Tweehuysen 2017, para. 45; Snijders & Rank-Berenschot 2017, para. 507; H.J. Snijders, annotatie bij HR 11 maart 2005, NJ 2006/362 (Rabobank/Stormpolder) en – schijnbaar – Hartkamp in vroegere edities van de Asser verbintenissenrecht, zoals Asser/ Hartkamp 2004, para. 563.
Kortmann 2005; verder ook in S.C.J.J. Kortmann, annotatie bij HR 11 maart 2005, JOR 2005/131 (Rabobank/Stormpolder).
Kortmann was in zijn opvatting onder meer al bijgevallen door A.I.M. van Mierlo, annotatie bij Gerechtshof ’s-Gravenhage 30 juli 2003, JOR 2004/53 (Rabobank/Stormpolder); Guillaume 2006, p. 724; Verdaas 2008, p. 287-288; Wibier 2009a, para. 11, p. 13; Biemans 2011, p. 245; Rongen 2012, p. 1286-1287; Steneker 2012, para. 54, p. 134; Asser/Hartkamp & Sieburgh 2013, para. 257. Na het arrest ABN Amro/Marell zijn daar aan toe te voegen ter Hart 2015, p. 72; Ferwerda 2016, p. 95; Krzemi/ski 2018, p. 504; N.E.D. Faber en N.S.G.J. Vermunt, annotatie onder HR 18 december 2015, JOR 2016/105 (ABN Amro/Marell).
614. Om de verschillende opvattingen in de literatuur over het uitoefenen van andermans afhankelijke zekerheidsrecht te bespreken, zal ik gebruik maken van een casus. Deze is ontleend aan het arrest ABN Amro/Marell, waarin de Hoge Raad werd gevraagd om zich te buigen over de vraag wie gerechtigd was om een pandrecht uit te winnen.
A heeft een vordering op B. Ter zekerheid van terugbetaling verkrijgt A van B een openbaar (gemaakt) pandrecht (‘pandrecht A’) op de vordering die B op C heeft. A wordt daardoor bevoegd om de vordering die B op C heeft te innen (artikel 3:246 lid 1 BW) om zijn vordering op B voldaan te krijgen. Zowel B als C zijn dus gehouden aan A te betalen. C had zelf ten gunste van B een openbaar (gemaakt) pandrecht (‘pandrecht B’) gevestigd op de vordering die hij op D heeft. B is daardoor bevoegd de vordering die C op D heeft te innen om zijn vordering op C voldaan te krijgen. Omdat zowel B als C niet aan A betalen, wenst A het pandrecht van B op de vordering die C op D heeft (pandrecht B) uit te oefenen door de vordering van C op D te innen.
615. Een complicerende factor bij het bespreken van de bovenstaande casus is dat er niet één, maar twee pandrechten zijn gevestigd: één voor A en één voor B. Aangezien A de pandhouder is die het pandrecht van B wenst uit te oefenen, duid ik zijn positie hierna aan als de ‘actieve’ gerechtigde (c.q. het ‘actieve’ recht). Dezelfde terminologie gebruik ik indien A niet een pandrecht heeft verkregen, maar hij een recht van vruchtgebruik heeft verkregen of beslag heeft gelegd.1 B is de ‘passieve’ gerechtigde (c.q. het ‘passieve’ afhankelijke recht).2 Steeds is het de vraag of de actief gerechtigde het afhankelijke recht van de passief gerechtigde kan uitoefenen.
616. De Hoge Raad beantwoordt deze vraag voor de bovenstaande casus bevestigend:
“De bevoegdheid van [A] om de vordering van [B] op [C] te innen omvatte tevens de bevoegdheid tot uitwinning van de aan die vordering verbonden zekerheidsrechten (vgl. HR 11 maart 2005, ECLI:NL:2005:AS2619, NJ 2006/362 [Rabobank/Stormpolder]). [A] was dus uit hoofde van de uit haar [Pandrecht A] voortvloeiende inningsbevoegdheid tevens gerechtigd [Pandrecht B] op de vorderingen van [C] op [D] uit te oefenen, dat wil zeggen dat zij, na mededeling van [Pandrecht B] aan die derden, die vorderingen mocht innen.”3
617. A mag dus het pandrecht van B uitoefenen dat is gevestigd op de vordering van C op D, ter verzekering van de vordering die B op C heeft. Op deze uitkomst werd in de literatuur al veelvuldig vooruitgelopen, mede op basis van het in de overweging van de Hoge Raad genoemde arrest Rabobank/Stormpolder.4 Wel bestond er discussie over de vraag hoe moet worden verklaard dat A het pandrecht van B kan uitoefenen. Grofweg zijn daarbij drie opvattingen verdedigd, die ik aan zal duiden als de ‘overdrachtsopvatting’, de ‘strekkingsopvatting’ en de ‘inningsbevoegdheidsopvatting’.5 De overdrachtsopvatting gaat ervan uit dat het vestigen van een beperkt recht is te zien als een ‘overdracht’ van een deel van de bevoegdheden die met het moederrecht samenhangen.6 Doordat B ten gunste van A een pandrecht vestigde op de vordering die B op C had, heeft hij in deze opvatting de bevoegdheid om ten gunste van deze vordering gevestigde zekerheidsrechten uit te oefenen ‘overgedragen’ aan A. De ‘strekkingsopvatting’ gaat ervan uit dat een beperkt recht dat op het hoofdrecht van een afhankelijk recht wordt gevestigd, zich ook over het afhankelijke recht uitstrekt.7 Daardoor kan A bij uitwinning van zijn pandrecht niet alleen verhaal nemen op de vordering van B op C, maar ook het daarvan afhankelijke pandrecht op de vordering van C op D uitoefenen. De inningsbevoegdheidsopvatting stelt ten slotte dat de bevoegdheid om een zekerheidsrecht uit te oefenen is gekoppeld aan de inningsbevoegdheid van de vordering waarvoor dat zekerheidsrecht is gevestigd.8 Op het moment dat A uit hoofde van zijn actieve pandrecht bevoegd wordt om de vordering van B op C te innen, wordt hij dus ook bevoegd om het voor deze vordering gevestigde pandrecht op de vordering van C op D uit te oefenen. De inningsbevoegdheidsopvatting kon vóór het arrest ABN Amro/Marell al als de heersende leer worden aangeduid en heeft daarna nog meer bijval gekregen.9 De bewoordingen die de Hoge Raad in de hierboven geciteerde overweging gebruikt, lijken daar ook aanleiding toe te geven, waar hij overweegt: “de bevoegdheid […] om de vordering […] te innen omvatte tevens de bevoegdheid tot uitwinning van de aan die vordering verbonden zekerheidsrechten”.