Arbeidsrecht en insolventie
Einde inhoudsopgave
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/4.6.2:4.6.2 Aanzegverplichting
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/4.6.2
4.6.2 Aanzegverplichting
Documentgegevens:
Mr. J. van der Pijl, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. J. van der Pijl
- JCDI
JCDI:ADS304760:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Insolventierecht / Faillissement
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 94-95 (MvT).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij het einde van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd geldt ook de verplichting een maand voor de afloop van het contract "aan te zeggen", aldus artikel 668 BW. Dat betekent dat uiterlijk een maand voor het van rechtswege eindigen van de arbeidsovereenkomst de werknemer schriftelijk moet worden geïnformeerd over de vraag of de arbeidsovereenkomst wel of niet wordt verlengd, en, zo ja, onder welke voorwaarden. De sanctie hierop is het loon over (dat deel van) de maand waarvoor de verplichting niet is nagekomen. In lid 3 is echter opgenomen dat deze vergoeding "niet langer" verschuldigd is als de werkgever in staat van faillissement is verklaard of aan hem surseance is verleend.
In de memorie van toelichting is dit als volgt (kort) gemotiveerd:1
"(...) Deze vergoeding is niet langer verschuldigd, indien de werkgever failliet gaat, indien aan hem surseance van betaling is verleend, of wanneer de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op hem wordt toegepast, dit om te voorkomen dat de verschuldigde vergoeding op grond van Hoofdstuk IV van de WW door UWV moet worden overgenomen."
Strikt genomen luidt de conclusie dan: de curator zelf heeft op zichzelf genomen wel net als iedere werkgever een aanzegverplichting, maar de vergoeding is hij niet verschuldigd, of het nu gaat om een reeds ten tijde van het faillissement verschuldigde vergoeding, of een vergoeding die – als zij niet in deze bepaling was uitgezonderd – zou zijn ontstaan wegens een schending door de curator zelf van de aanzegverplichting. Dit geldt ook in surseance.
Ik ben van mening dat het onder omstandigheden toch redelijk is als ook de curator een vergoeding is verschuldigd als hij niet tijdig aanzegt, namelijk in de gevallen dat de einddatum meer dan een maand na de faillietverklaring (en dus meer dan een maand na zijn benoeming) ligt. Dan is het immers de curator zelf geweest die verzuimd heeft aan deze verplichting te voldoen. De tekst van zo'n bepaling, naar mijn voorkeur op te nemen in de Faillissementswet, zou als volgt kunnen luiden:
"De vergoeding, bedoeld in artikel 668 lid 3 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet langer verschuldigd indien de werkgever in staat van faillissement is verklaard, tenzij de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd meer dan een maand nadat de werkgever in staat van faillissement is verklaard afloopt en de curator de uit artikel 668 lid 1 voortvloeiende verplichting niet, althans niet tijdig is nagekomen."
Voor de situatie van surseance zou een vergelijkbare bepaling kunnen worden opgenomen.
Tot slot werp ik in dit verband de vraag op, meer ter signalering en zonder deze hier uitputtend te beantwoorden, waarom een aanzegvergoeding die betrekking heeft op een eerder (dan een maand na de faillietverklaring) eindigende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet zou moeten leiden tot een voor verificatie vatbare concurrente faillissementsvordering. Deze zou dan niet onder de loongarantieregeling vallen (en dus niet tot extra belasting van (de middelen van) UWV leiden) en evenmin bevoorrecht zijn, maar wel gewoon meedelen in het eventueel voor alle andere concurrente schuldeisers beschikbare actief in de boedel. De hiermee vergelijkbare vraag ten aanzien van de transitievergoeding is in hoofdstuk 3 aan de orde geweest.