Het EVRM en het materiële omgevingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.5:4.5 Conclusie
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.5
4.5 Conclusie
Documentgegevens:
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS443807:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien de overheid weet of behoort te weten van een reëel en onmiddellijk gevaar voor het leven, de lichamelijke integriteit en/of de verwoesting of beschadiging van de woning en/of eigendom, heeft de overheid de positieve verplichting om ter voorkoming van de verwezenlijking van dat gevaar (voorkoming van een toekomstige aantasting) die concrete handelingen te verrichten die redelijk zijn en waartoe zij bevoegd is. Uit de rechtspraak van het ehrm volgt bovendien dat de overheid onder omstandigheden de positieve verplichting heeft om ter beëindiging van een bestaande aantasting van de door artikel 2evrm, artikel 8evrm en/of artikel 1ep beschermde belangen concrete handelingen te verrichten. Dat is het geval, indien de overheid weet of behoort te weten van zo’n bestaande aantasting, zij tot het verrichten van die concrete handeling(en) bevoegd is én een afweging van de door artikel 2 evrm, artikel 8 evrm en/of artikel 1 ep beschermde belangen van een of meer burgers enerzijds en de belangen van derden en de overheid anderzijds daartoe noopt. Indien de voorkoming of beëindiging van de aantasting van een beschermd belang door middel van verschillende (soorten) concrete handelingen kan plaatsvinden, hebben de nationale autoriteiten een ‘margin of appreciation’ op grond waarvan zij in beginsel zelf mogen kiezen met welke concrete handeling(en) zij de aantasting voorkomen of beëindigen.