Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/18.5.2.4.1:18.5.2.4.1 Bestaande opvattingen
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/18.5.2.4.1
18.5.2.4.1 Bestaande opvattingen
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500764:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wortel 1992, p. 388 e.v.
HR 30 september 1997, NJ 1998, 104, inzake de niet-toepasselijkheid van art. 6 EVRM op wilsonafhankelijk materiaal dat in de controlesfeer wordt verstrekt en nadien tot het punitief bewijs dient.
HR 19 september 2006, NJ 2007, 39 (m.nt. Reijntjes).
Valkenburg 2007, p. 93 e.v.
Van der Vegt 2009, p. 26 e.v.
Thomas, aant. onder EHRM 21 april 2009 (Marttinen t. Finland), FED 2009/69, pt. 10.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De verhouding tussen de inbeslagnemingsbevoegdheid ex art. 81 AWR en het recht tegen gedwongen zelfbelasting in art. 6 EVRM respectievelijk het nemo tenetur-beginsel, is in de literatuur enkele keren ter sprake gekomen. Zie bijvoorbeeld Wortel die (vóór Funke) van mening is dat de verdachte aan de vordering ex art. 81 moet voldoen. Indachtig de overweging van de strafkamer van de HR in haar uitspraak van 15 februari 1977, nr. 68 586, dat in het Nederlandse recht ‘niet is opgenomen een onvoorwaardelijk recht of beginsel dat de verdachte op generlei wijze kan worden verplicht tot het verlenen van medewerking aan het verkrijgen van voor hem mogelijk bezwarend bewijsmateriaal’1, mag de wetgever volgens Wortel van de nemo tenetur-uitwerkingen uit Sv afwijken.2 Ook Valkenburg lijkt aan te nemen dat art. 81 AWR niet wordt beperkt door het recht tegen gedwongen zelfbelasting. Hij verwijst naar de uitspraken van 30 september 1997, nr. 1042463 en 19 september 2006, nr. 00895/05E4. Hij legt de zaak J.B. zo uit, dat de klager, nadat hij had geweigerd documenten te overleggen, gebruik maakte van zijn verklaringsvrijheid door niet op vragen van de autoriteiten over de herkomst van een bepaald niet aangegeven bedrag, te antwoorden.5
Zie meer recent Van der Vegt. Ten aanzien van de bevoegdheden op grond van de art. 81 en 83 AWR meent zij dat die verder gaan dan de controlebevoegdheden en dat er geen toetsing vooraf door een onafhankelijke rechter bestaat. Het is daarom maar zeer de vraag, aldus Van der Vegt, of deze regeling de toets van art. 6 EVRM kan doorstaan.6 Ik wijs tot besluit op Thomas. In zijn aantekening onder Marttinen merkt hij met verwijzing naar § 69 van het Saunders-arrest op dat een verzoek van de FIOD tot uitlevering van informatie op grond van art. 81 AWR, niet strijdig lijkt met art. 6, lid 1 EVRM. Hij spreekt over ‘lijkt’, omdat het EHRM rept over informatie die het gevolg is van een ‘warrant’. In Nederlandse verhoudingen zou van een ‘warrant’ gesproken kunnen worden, wanneer een gerechtelijk vooronderzoek is geopend en documenten worden gevraagd die bestaan onafhankelijk van de wil van de verdachte.7