Vgl. HR 11 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1605 en HR 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1540.
HR, 21-11-2025, nr. 25/02805
ECLI:NL:HR:2025:1725
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-11-2025
- Zaaknummer
25/02805
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1725, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑11‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1061
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2024:3505
ECLI:NL:PHR:2025:1061, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑10‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1725
- Vindplaatsen
Uitspraak 21‑11‑2025
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/02805
Datum 21 november 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: verzoekster,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats].
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/15/336672 / FA RK 23-651 van de rechtbank Noord-Holland van 20 maart 2024;
b. de beschikking in de zaak 200.342.599/01 van het gerechtshof Amsterdam van 17 december 2024.
Verzoekster heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid
Het cassatieberoep is niet ingesteld op de in art. 397 lid 1 Rv voorgeschreven wijze, te weten door indiening van een procesinleiding langs elektronische weg. Ook is de procesinleiding niet, zoals vereist door art. 426a lid 1 Rv, ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Deze verzuimen konden worden hersteld door dezelfde procesinleiding met inachtneming van de vereisten van de art. 397 lid 1 en 426a lid 1 Rv opnieuw in te dienen. Verzoekster heeft evenwel geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de verzuimen binnen twee weken te herstellen. Dit brengt mee dat zij in haar beroep niet ontvankelijk is. De door verzoekster aangevoerde omstandigheid dat zij niet erin is geslaagd een advocaat bij de Hoge Raad bereid te vinden de procesinleiding te ondertekenen en in te dienen, maakt dit niet anders.1.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, F.J.P. Lock en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 21 november 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑11‑2025
Conclusie 03‑10‑2025
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02805
Zitting 3 oktober 2025
CONCLUSIE
G.R.B. van Peursem
In de zaak
[verzoekster]
verzoekster in cassatie
tegen
[verweerder]
verweerder in cassatie
Partijen worden hierna verkort aangeduid als verzoekster en verweerder.
1. Feiten en procesverloop
1.1
Voor de feiten en het procesverloop in feitelijke instanties wordt verwezen naar de beschikking van het hof Amsterdam van 17 december 20241..
1.2
Per e-mail van 17 maart 2025 heeft verzoekster aan de griffie te kennen gegeven cassatieberoep in te willen stellen tegen de onder 1.1 genoemde beschikking van het hof.
1.3
Bij brief van 20 maart 2025 is door de griffie aan verzoekster medegedeeld dat haar verzoek tot cassatie niet is ingediend op de wijze zoals voorgeschreven in art. 426a Rv, te weten door indiening van een procesinleiding in het portaal van de Hoge Raad door een cassatieadvocaat. Deze brief vermeldt verder dat beide gebreken kunnen worden hersteld door het verzoek tot cassatie binnen twee weken na binnenkomst op de griffie, alsnog door een cassatieadvocaat via het portaal van de Hoge Raad te laten indienen, een en ander op straffe van niet-ontvankelijkheid.
1.4
Per e-mail van 21 maart 2025 heeft de griffie verzoekster erop gewezen dat zij zich voor een advocaat kan wenden tot de Nederlandse Orde van Advocaten en dat de lokale Deken onder voorwaarden een advocaat kan aanwijzen.
1.5
Verzoekster heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om voornoemde gebreken te herstellen. Volgens verzoekster heeft ook de Deken geen geschikte cassatieadvocaat voor haar weten te vinden. Zij heeft vervolgens herhaaldelijk (onder meer bij e-mails van 3 april 2025 en van 16 april 2025) aan de griffie laten weten dat zij het cassatieberoep wenst voort te zetten zonder cassatieadvocaat.
2. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1
Art. 426a lid 1 Rv bepaalt dat het beroep in cassatie wordt ingesteld bij een procesinleiding die wordt getekend door een advocaat bij de Hoge Raad en wordt ingediend op de wijze bedoeld in art. 397 Rv, waar is bepaald dat de procesinleiding langs elektronische weg (via het portaal) wordt ingediend.
2.2
Vaststaat dat het verzoekschrift dat op 17 maart 2025 door de griffie is ontvangen niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en dat dit verzoekschrift ook niet op de juiste wijze is ingediend. Eveneens staat vast dat verzoekster geen gebruik heeft gemaakt van de haar geboden mogelijkheid om deze gebreken te herstellen.
2.3
Gelet op het voorgaande dient verzoekster niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar cassatieberoep.
3. Conclusie
Ik concludeer tot niet-ontvankelijkheidverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑10‑2025
Hof Amsterdam 17 december 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3505, rov. 2-3.